Handleiding met woordenboek tot de beoefening der Madoereesche taal

  • 0 1 0
  • Like this paper and download? You can publish your own PDF file online for free in a few minutes! Sign Up
File loading please wait...
Citation preview

‘ a?c; ‚

-

Yëîijfläf/ ‘"ë ‘Î‘Î‘S'J

‚(l

CORNELL



UNIVERSITY LIBRARY

CHARLES‘ WILLIAM WASON CQLLECTION

ON CHINA

AND THE CHINESE

Cornell UniversityLibrary 1922

PL 5351.E52

3

Hl\ll

1924 020 677 849

DATE DUE PN;‚ ‘‚‚

tot de beoef

III

Handleiding met woordenboek

iÄ HANDLEIDING MET WOORDENBOEK TOT

DE BEOEFENING

DER

MMADOEREESCHE DOOR W. EN

J.

J. ËLZEVIER

11.

BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ

VAN INGEN (1.

-

SOERABAJA

19‘2’2L’\ \V\‘ _-.‚

.



druk.

>’-

N. V.

STOKMANS

MARINISSEN.

C. P. 2e.

TAAL

‚ _

\

r’" 'ÍI‘

'

INHOUD.

.................. ............... ....... ............... .................. ............... ...................... ................. ...... .................. .................. ................... ..... ............ .................. ..................... ................ ................ ............ ....... ....................... ....................... ...................... .................... ....................... ....... .......... ................. ...................... ..................

Spraakkunst. Voorbeelden

.

.

.

Zelfstandige naamwoorden Lidwoorden Bijvoegelijke Telwoorden

I.

2

.

»

.

-

Woordenlijst



:

.



»

.

rijmelarij

d‘——

»

»

Nadruk, stembuígìng



» » »

.



î’;‚"‘„—

(‚‘î‚= ‘‚-:W ‚ " ‚í-‘IL‘1T'FQ‘

_‚‚’‚’=

_"1LQ."_5_

»

24 24

»

.

28

»

en personen

.

32

»

wijzen, tijden

.

33

»

IV.

23

.

34

»

veroorzakíngsvorm lijdende vorm

.

22

36

»

II.

III.

Spreekwijzen.

22



I.

overgangsvorm

Madoereesche

19 20

»

.

-.

.

.

.

.

.

38

»

Onbepaalde

.

4’1

»

Betrekkelijke

.

43

»

3. 4. 5.

»

14

’17

.

Tusschenwerpsels Geldzaken



’12

»

‘18

Aanwijzende Vragende

Voorzetsels

‘Z

»

16

.

Voegwoorden

‘.-“ ‚"

9

14

Bijwoorden

_

»

Bezittelijke

Werkwoorden

_

4 8

»

Persoonlijke.

.

» »



’1.

.

’ .

6.

.‚

1

»

naamwoorden

Voornaamwoorden "2.

Bladz.

-

164

» » » » »

177

178

.

bezittelijke

aanwijzende

vragende

Voegwoorden

Samenspraken enz /

»

onbepaalde

.

182

»

176

.

175

betrekkelijke

.

184

»

Bijwoorden Voorzetsels

173

‚174

.

..................... ...................... .................... ...................

Werkwoorden

167

170

persoonlijke.

»

...... ...... ....... ..... ...... ....................

Blz. 164

186

»

id. Bijvoegelijke Voornaamwoorden:

.......... ..........

»

naamwoorden 5. 4. 3. 2. 1.

IlI.

Zelfstandige

6.

lI.

I.

»

Vl

188

=‚‘‚“

"-”’



‚‘





—_»‘——n-I—IEPQ.

11" “" '- "".".'

—--"

SPRAAKKUNST.

SPRAAKKUNST. moeilijk en die taal te dat met de ze, geschreven, ‚dusdanig uitspraak overeen schrijven, komt, heeft ook natuurlijke bezwaren. Vandaar dat onze spelling zooveel mogelijk is ingericht naar jaren lange ondervinding in het spreken. Daartoe ook kon te eerder worden overgegaan omdat er‘ geen handleiding voor de uitspraak bestaat en tevens, omdat het Madoereesch door den inboorling wordt geschreven Zuiver Madoereesch spreken is ontegenzeggelijk

zijn eigen wijze, dus: zeer verschillend. Wijlen professor A. C. VREEDE komt de eer toe met het samenstellen eener handleiding een begin gemaakt te hebben. Dat echter onze rede neering omtrent de schrijfwijze opgaat, bewijst zelfs die handleiding en wat de uitspraak betreft, van slechts enkele woorden wordt die daar aangetroffen. Wij hebben daarom niet geaarzeld onze schrijfwijze te vol gen. Dat het niet geheel mogelijk is deze met J avaansche karakters weer te geven achten wij geen beletsel. Tot recht verstand van de aangebrachte teekens bestudeere men vooral de ondervolgende opgave en vergelijke die met de voorbeelden: . a in een open lettergreep is lang als in „kamer“. a tusschen twee medeklinkers en a zijn kort als in „kram, mal”. a is een vermenging van een a en o tezamen, doch de uitspraak zweemt

_elk op

ë

ê è é

i i 0

meer naar a dan naar 0 en is een zacht keelgeluid. als in „zelf, zet”. is geheel stom, als de stomme e in „offer, order”. volgens de Fransche uitspraak in „zêle”. is kort, bijna gelijk aan de korte i in „dit”. volgens de Fransche uitspraak in „été”. is kort tusschen twee medeklinkers. wanneer lang, is door ons ie geschreven, tenzij de schrijfwijze op zich zelve reeds de lange i aangeeft. is altijd lang als de 0 in „loopbaan, klooster”, behalve tusschen twee als wanneer

is

wordt, kort, als in „pot, zot”. lang als in het Fransche woord „contrôle“. als de Duitsche in „können, Cöln”, doch niet te stootig uitgesproken, ietwat lang zelfs op het einde van een lettergreep. (Handleiding VREEDE, 1ste stuk, pag. V, 17). á

ö

6

ô

ò

medeklinkers,

zij

e

a

g

g

als de Nederlandsche 0e, doch meestal iets korter. hoorbaar. au, doch iets langer uitgesproken, de in „orgue, garantir”. als de Fransche

is

0e

ao

h

k q s

is zelden hoorbaar. is altijd hoorbaar, ook op het einde van een lettergreep. mag volstrekt niet uitgesproken worden en dient alleen ter aantoo ning dat de voorafgaande klinker kort moet zijn. is steeds scherp. Gemakshalve echter is dikwijls een dubbele s ge

schreven om de scherpte te doen uitkomen. heeft twee verschillende uitspraken: 1°. de gewone t met de tong tegen de boventanden; 2°. die met een eenigszins sissend geluid, met de tong tegen het ver hemelte en aangeduid door th. Vooral verder de aandacht gevestigd op de, in deze handleiding voorkomende, ph en kg. Ph. Er zijn in het Madoereesch woorden, welke, vlug uitgesproken, het voorkomen hebben, alsof daarin een hoorbaar is. Die mag echter niet als de Nederlandsche gebruikt worden, moet zacht worden ge zij

f

f

zij

t



aspireerd.

echter daarmede

tot herinnering ph in de plaats stellen. de niet, want die letter behoudt de p

Vandaar dat wij daarvoor Men verwarre



p

h

Nederlandsche uitspraak. Men kan de ph ook zeer goed doen uitkomen door de onmiddellijk achter de te aspireeren, waardoor het geheel (ph) een als het ware ‘

g,

is

k

f

wordt. Kg. Hetgeen voorkomt in A. C. VREEDE’S Madoereesche Gramatica bl. IV, 1ste stuk, over de verdubbeling der met de welke somwijlen zeer juist. plaats heeft, Wij aarzelden daarom niet er gebruik van te maken. Het aldaar opgegeven, snel uitgesproken „Ik ga” of „’k ga”, geeft de uitspraak bijna zuiver aan, ook als begin van een lettergreep.

H'IJ'CD‘CD‘CD>CD(CD

QD=‘SDSD

VOORBEELDEN.

O

uitgeblazen

in in in in in in in in in in in

lamaq, perkara, sara, pôlanà. mandoer, kattis, rangrang, sarmô, anjar. lambàrân, njëmpà, plangkgângan. poenten, tengët, perkara, satenga. këkë, përkëm, tëkëtëk. klêrô, tjêloq, krêna, rêbë. këmèrè, lakè, pèssè, ngèkè. léboer, pléman, méra, sampéan. ngètik, bikbik, ngèting, lètjik. ngangki, abiet, kgiekgi, piepiet. lobang, oboe, obaq, ngopâr.

3

in in in 6 0e in ao in 6 ò

in in s in t in th in ph in kg in g

q

pôna, sôling, kôkô, ômat. òning, nglontò, kòlong. mindör, tjörön, blölëk, djögö. sangkoep, tôboek, kratoe, këphoeroe. prao, tao, lao, biesaos, pao. goedang, lange, këlâng. tôlaq, tjòkaq, sëmaq, mienjaq. sèsè, sarpa, saè, slamat, pêssè. trêtan, tielphès, tjap, tongkët. këthö, këthöng, thölem, ngathäng. phöngis, phönè, phörëng, èphà. kgöngan, kgiekgi, kgëlà, kgöröng.

Ten overvloede volgen hieronder nog eenige woorden, waarbij de niet uitspraak verschil kan opleveren met andere woorden, welke onge veer hetzelfde klinken, doch een geheel andere beteekenis hebben: goede

djögö,

tjökgö, oboe, oboe, këkë, kgökgö, ngëtè, ngêthë, ngèting, ngêtëk, ngètik, kapor, kapàr, pëkgö, Pêkgë, tëpëkgö, phöröng, phörëng, ngèrèm, ngèrëm, bëngkô, boengkoq,

oppassen. opstaan. hoofdhaar. kweeken. tasten, rondtasten. rijst op droge velden.

àtjar, ngatjàr, ngàtjar,

zuur (ingelegd). leeren.

tjëlieng, tjèlèng,

kijken. wild zwijn.

schoppen.

tjëlâng,

zwart. gelooven. gerimpeld. roskammen.‘ foei, afkeer.

kalk.

kêra, kêroq, kêroq, tjèrëmët, tjërèmê, kratoe,

bericht.

kratô,

bruikbaar, geschikt. zekere vrucht.

kapot. vatten.

wöthö,

doos.

pëthö, bëthö,

gescheurd. poudre de riz. spelen, boerten.

schoppen. slapen. op de teenen loopen. wegkruipen. beven.

aamborstig. goederen. kameraad. zenden. broeden v/e vogel. huis. bochel.

ködjë, kadjë, bökal, pökal,

mopperen.

hardop, luid. vrijer, vrijster. model, bestemming. enz. enz. enz.

4

De Madoerees beijvert zich om, evenals de Javaan, zijn taal in drie soorten te verdeelen: ‚ De lage taal, welke men tot zijn minderen spreekt, of als zeer goede 1°. bekenden onder elkander. De Madoerees noemt dit: „ngòtjaq taq (javaansch „Ngôkô”). De middel- of half beleefde taal, welke men gebruikt wanneer de het gebruik der lage, familiare taal niet veroor welvoegelijkheid looft en men de „beleefde taal” niet geheel wenscht toe te passen. Voor deze soort heeft de Madoerees geen woord, de avaan noemt ze „Madyô” of „Madjô”. 3°. De beleefde taal, welke men tot zijn meerderen en tot vreemde lingen spreekt, door den Madoerees genoemd „ngòtjaq a phösa”, door den Javaan „Krômô“. beoefenaar der Madoereesche taal Den Europeeschen verder medegedeeld, dat hij, om spoedig te leeren spreken, vooreerst kan volstaan, zich op het uitdrukken in de „lage taal” toe te leggen. Een vlug opmerker maakt zich spoedig meester van het verstaan en later spreken der twee andere aangeduide soorten. De drie taalsoorten, in het vervolg van dit werkje aangeduid door N, M en K, worden op de volgende wijze toegepast: Tot zijn Mandoers, koelies, bedienden en over het algemeen tot den kleinen (mihderen) man spreekt men laag Madoereesch. Deze echter antwoorden op' de onder aangegeven wijze. Tot hen, wie men wat beleefder wil toespreken, bijv. een patinggi of anderen lôra, of tot ouderen van dagen (vooral in het bijzijn van hen, te tutoíeeren) spreekt men in de onder die men gewoon opgegeven à phösa”

2°.

2



is

3

taalsoort.

Spreekt men tot een hooger hoofd, als bijv. den regent, wedana of mantri, dan volgt men de beleefde taal. het gebruik der Hetgeen vooral de aandacht niet mag ontsnappen, bij de verschillende taalsoorten. persoonlijke voornaamwoorden Zij zijn: 1e soort: ik, sèngkô, tegenover jij, bâq-ën, 2e ik, boele, gij, tieka, „ „ ik, kaolë, 3e u, sampéan. „ „ Me'ri zie ook „isson” en „kakè” onder de rubriek persoonlijke voor is

een of anderen

naamwoorden. niet doenlijk geheel de Madoereesche spraakkunst met de Het Nederlandsche te vergelijken, doch wil men dat zooveel mogelijk doen (althans de Nederlandsche alsleiddraad aannemen), dan hopen wij dat het navolgende voldoende moge zijn. is

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN. Een zelfstandig naamwoord dient: bëngkô, huis —

voorwerp

is





zij

J

een woord,

sossè, sleutel

dat tot naam van een

— tjörön,

paard.



5

De opgenoemde zijn stamwoorden. Afgeleide zijn die, welke met voor— of achtervoegsel, of met beiden, van andere woorden zijn gevormd. 1°. Met achtervoegsel a of a: lébàra, breedte, van lébàr, breed —- lan tjânga, lengte, van lantjâng, lang — sëbap-à, het waarom, van sebâb, waarom, omdat. Met achtervoegsel an: tjêmôran, droogplaats, van tjëmor, in de zon 2°. drogen —— tjàntjiân, belofte, van tjäntji, beloven. 3°. Met achtervoegsel na: boeroena, gang, van boeroe, vlug loopen — êssêna, inhoud, van êssê, vullen. 4°. Met voorvoegsel ka of kë en achtervoegsel an of na: kapintëran, kunde, van pintër, kundig — katëdoengan, slaapplaats, van têdoeng,

slapen — kënëngan, verblijf, van ënëng, verblijven, wonen —‘4 kabliena, koopsom, van mëlê, knopen. 5°. Met voorvoegsel pë, pa, per, pëng, pang, met of zonder achtervoegsel an: pamèkèran, gedachte, van mèkèr, nadenken — përangkôan, wegneming, van angkoq, wegnemen — pëngossongan, hangmat, van ngossong, dragen — pungrassa-an, gevoelen, van ngrassa, ge voelen (werkwoord) pangèrèngan, gevolg, van ngèrèng, volgen, begeleiden — pengapôra, vergiffenis, van apôra, vergeven — pën garëpan, hoop, van ngarëp, ‚hopen — pëngangkoej, gebruik van, van angkoej, gebruiken —— pënôlissan, cassette, van nôlis, schrijven ’ — panërêma, dank, van nërêma, aannemen. Uit het voorgaande blijkt, dat men bijna van elk bijvoegelijk naam woord, bijwoord of werkwoord een afgeleid zelfstandig naamwoord kan vormen.



Geslacht of wijze van verbuiging kent men in ’t Madoereesch niet. De namen van levenlooze voorwerpen hebben die volstrekt niet, terwijl, wanneer een bepaalde aanduiding noodig is, men dit doet door bijvoe— ging van lakè, mannelijk en bienê, vrouwelijk: tjörön lakè, hengst, —— pattè

bienê, teef.

Het is duidelijk dat woorden, welke op zich zelven reeds een ge slachtsaanduiding hebben, genoemde bijvoeging niet aannemen: lantjing, jongeling — prabàn, maagd.

Het enkelvoud duidt steeds een enkel voorwerp aan: médjâ, tafel — katja, spiegel —— sôrat, brief. Het meervoud, of een verzameling van dezelfde voorwerpen, wordt gevormd door herhaling van het woord: médjâmédjâ, tafels — katja— katja, spiegels — sôratsôrat, brieven. Men kan het meervoud ook aanduiden door het zelfstandig naam woord te doen voorafgaan of volgen van banjaq, veel — padë, allen —

6.

kappi, alle —— bijv.: ’mbi banjaq, veel schapen — sang orèng padë à tjölön, mijn bedienden zijn allen op weg — kappi anaq ria nakkal, al die kinderen zijn stout. Wanneer het zelfstandig naamwoord een telwoord bij zich heeft, blijft de herhaling achterwege: sôrat tëlô, drie brieven. Voorts kan men zeer dikwijls het meervoud uit den zin opmaken, terwijl het meervoudig getal de naamwoorden niet doet veranderen.

De 1ste naamval, als onderwerp van den zin, komt met het Neder landsch overeen: toean nompaq tjörön, mijnheer rijdt te paard — Alima nampê pökô, Alima sorteert tabak. In gewone zinnen staat daarom de 1ste naamval vóór het gezegde. Wil men echter den nadruk op het gezegde leggen, dna komt dit vóór: Nakkal tjörön roewa, dat is een Wild paard — Katok pêssè jëria, dit geld is niet gangbaar. Ook een aangesproken persoon staat in den 1sten naamval: Sidin, pakapain sang tjörön, Sidin, zadel mijn paard. De 2e naamval wordt gevormd door achtervoeging van ën, na of a; en (zeer kort, afgebroken, uit te spreken): anaq-ën sampéan thölem, het kind van den Regent — ëmaq-ën Sima, Sima’s vader — këthö-ën médjâ, het vuil (het stof) van de tafel.

OPMERKING.

Ofschoon velen op het eiland Madoera den uitgang niet gebruiken en men daarvoor, na een ge sloten lettergreep, steeds na of a in de plaats stelt, hebben wij, om de verschillende dialecten onaangeroerd te laten, dat dialect gevolgd, ’t welk in den Oosthoek van Java algemeen in toepassing wordt gebracht. nà: bienêna mandoer, de vrouw van den Mandoer —— tingkienà en

voor den 2en naamval

njior,

de hoogte van een klapperboom



mônjênà

sôrat, de inhoud van

een brief.

a: sòrôja njonnja, mevrouw’s kam — wëthoengà orèng Mathoerâ, het hakmes van den Madoerees —— tjörönà tjoertôlis, het paard van den schrijver. Vaste regels zijn voor die achtervoegsels niet op te geven. Men leert de toepassing door het gebruik en als ’t ware op het gehoor. Wanneer een woord op een kort uitgesproken lettergreep eindigt, gebruikt men meestal ën: pattè‘ën orèng passaran, de hond van den koopman — mienjaq, olie — ëmpè, kalf — taboe, buik —— boe-oeq, zemelen. Is de laatste lettergreep open of wordt die, ofschoon gesloten, ietwat lang uitgesproken, dan gebruikt men een enkele a of wel na: lantajà dökgâng, de mat van den handelaar — praonà orèng madjàng, de prauw van den visseher — bëngkônà patinggi, het huis van het dorpshoofd.



7

Men vindt in ’t Madoereesch den 3en naamval door al of niet voor zetsels vóór het zelfstandig naamwoord te plaatsen: Tjörön jëria i atër aki ka toean A, dit paard breng ik (naar) den heer A — Pêssè pôtè i bri orèng ngëmis, den bedelaar werd zilvergeld gegeven. De 4e naamval geeft het voorwerp te kennen, ’t welk lijdelijk in de handeling is betrokken: sèngkô mëlè laboen, ik koop lijnwaad —— Orèng ria namën pökô, die man plant tabak. Voor den bijzonderen nadruk vindt men dikwijls het voorwerp voorop: nassè ëngkô mintaq! rijst verzoek ik! — tjörön ria ëngkon om paq-à,

dit paard

zal

ik

berijden.

Eigennamen, namen die slechts aan één voorwerp van dezelfde soort eigen zijn, treft men in het Madoereesch aan als in het Nederlandsch voor namen van menschen, bergen, eilanden en volksnamen. Zij worden gebruikt met den titel of de algemeene benaming ervoor: toean Anô, de

heer N. N. — orèng bëlänthâ, de Hollanders — poeloe Mathoerâ, het eiland Madoera — kgoenong Raong, de berg Raong — kotta Sorbâdjâ, de stad Soerabaja. Wanneer het vermelden van titel of algemeene benaming moeilijk heden oplevert, dan gebruikt de Madoerees daarvoor andere woorden en plaatst die vóór de zelfstandige naamwoorden: Koestè Allah, de Heer God. Kangdjëng toean Résídèn, de HoogEd. heer Resident. Kangdjëng toean Asten en kangdjëng toean Kontrôlir, de HoogEd. en id. Controleur. heer Assistent-resident Sampéan thölem, de Regent. Mas, tien Paté, de Patih. Kjai, mes, tien Bidhöna, de Wedana.

Kjai,

oude heer. moeder. vader (ook „man”

de

’mboeq,

Emaq, vader van).

als ineensmelting

van „ëmaq-ën”,

de

Boepaq, vader. Njaè, inlandsehe juffer. Kè, kakkè, oude man, grootvader. Obâ, 00m of tante (oudere broer of zuster van vader of moeder). Koetè, 00m (jongere broer van vader of moeder). Ôdë, tante (jongere zuster van vader of moeder). Matjödi, algemeene naam voor 00m of tante. Paman, man, als een vriendelijke toespraak van jongeren tot ouderen (mannen).

Phi, phiphi, vrouw, vrouwtje. Kakkaq, kaq, oudere broeder of zuster, ook: vriend of vriendin, tot als de spreker of spreekster. Phoek, tot een oudere in jaren, ook: oudere zuster. Pieng, tjëpieng, meisje, tot eene jongere in jaren.

ouderen



8

Tjong, katjong, jongetje, ventje. Alè, 1e, jongere broeder of zuster, ook gemeenzaam tot een jongere in jaren, onverschillig van welke kunne. Djödji, dji, kameraad (man of vrouw), jonger dan de spreker. ’Koes, akoes, van vrouw tot man. Men spreekt met „akoes“ ook ben aan, die maatschappelijk hooger staan dan de kleine man. Toean, mijnheer — njonnja, mevrouw —— nonna, juffrouw — njo, sienjo, jongeheer. De woning van een Europeesch ambtenaar heet gewoonlijk „lôtji” en van den inlandschen ambtenaar (van hem alleen trouwens, die een ambt bekleedt), „thölëm“. vrij hoog Voor het Madoereesch van stiefkind, aangenomen kind enz., zie men de

woordenlijst.

LIDWOORDEN. Lidwoorden, zooals men ze in het Nederlandsch gebruikt, om aan te toonen of men aan een bepaalde of aan een onbepaalde zelfstandigheid denkt, worden in het Madoereesch niet aangetroffen. Tjörön beteekent zoowel paard, als het paard en een paard. Apa massoq i tang këpoen? — Tjörön. Wat gaat daar mijn tuin binnen?

Een paard. Toean nompaq à apa, bendi, tjörön? —- Tjörön. Wat zal mijnheer berijden, de bendi of het paard? Het paard. Obâng ria i angkoej mëlè tjörön. Dit geld'gebruik ik om een paard ——

te koopen. Wil men nader aanduiden welk paard of wiens paard of hoeveel paarden, dan vervalt men in omschrijvingen, in aanwijzende voornaam woorden, in den 2en naamval van een zelfstandig naamwoord, of men

gebruikt telwoorden. Tjörön sè këmaq toean nompaq—à? — Tjörön pottê. Welk paard zal mijnheer berijden? — Het witte (paard). 'Tjörönà sapa i tompaq bâq-ën? — Tjörönà kakkaq. Wiens paard berijdt ge? — mijn ouderen broers paard. Tjörön brampaq mikkgi andi-ën bâq-ën? —— Tjörön dëdoeâ. Hoe veel paarden zijn wel van jou? — Twee paarden. Tjörön roewa maq tjè nakkallà! — Dat paard is dan toch bijzonder ongehoorzaam!

Tjörön kadientoq njaman boeroenà. Dit paard heeft een aange— name allure. Geheel onbepaald gebruikt men „bâdé”, er is, er zijn, er waren. Bâdë orèng à dantè bàq-ën. Er wacht iemand op je. Bäri bâdë orèng ngëmis. Gisteren was er een bedelaar. Wil men dit nu meer bepaald uitdrukken, dan vervalt men in dezelfde omstandigheden als boven aangegeven. Bàdë orèng sètong à dantè bâq—en. Eén mensch wacht op je.

9

Bàri bâdé orèng sapôlô. Gisteren waren er tien mensehen. Gesteld daarentegen, men wil doen uitkomen, dat er gisteren min stens tien mensehen waren, dan legge men den nadruk op „bâdë”, Bari bädë orèng sapôlô. Over den nadruk, door stembuiging verkregen, waarin de Madoe rees zoo uitmunt, spreken we later.

BIJVOEGELIJKE NAAMWOORDEN. Bijvoegelijke naamwoorden komen gewoonlijk achter het zelfstan— dig naamwoord: pêssè anjar, nieuw geld — pökô alos, fijne tabak —— tampar lantjàng, een lang touw. ‘ Is in den Nederlandschen zin het bijv. naamwoord het gezegde, dan ook komt het achteraan: het huis is groot, bëngkônà radjë —— Bëngkô ria radjë. Voor den nadruk zet men het bijv. nw. voorop: kottong kantongà —— tjoebà athättà — trang printanà, voor: De zak is ledig.— Zijn manie ren zijn gemeen. — Zijn bevel is duidelijk. Is er sprake van een bepaling van bezitting, dan komt het bijv. nw. òf onmiddellijk achter het zelfst. nw., of met het betrekkelijk voor naamw. „sè” achter den bezitter: anaq-ën bienê trêtan boele, de dochter van mijn broeder — tjörönà kléboen sè méra, het bruine paard van het dorpshoofd.

1°. 2°.

Ook in het Madoereesch heeft men drie trappen van vergelijking. de stellende trap of het onveranderd bijv. nw.: tèpang, kreupel —

kassar, grof — pëthö, kapot. de vergrootende trap, welke gevormd wordt door voorvoeging van „lëbi” of achtervoeging van „an” aan den stellenden trap: bâkoes, lëbi bâkoes, bâkoesan, mooi, mooier — lëmos, lëbi lëmos, lëmosan,

lui, luier. De vergrootende trap wordt ook gevormd door het voorvoegsel „kë” en het achtervoegsel „ën” aan den stellenden trap toe te voegen: këlarangën, te duur —— këpòtê-ën, te wit, en ook de achtervoeging van „sakalè”, doch dit woord heeft een zwakkere beteekenis: larang sakalè, zeer duur — bâkoes sakalè, zeer mooi. „Sakalè” wordt ook wel eens verwisseld met „kiloe, tiloe”, eerst, (hier: „zeer”), larang kiloe, ’t is te duur. 3°. De overtreffende trap wordt verkregen door achtervoeging van „thiebi, thieri”, zelf, alleen — larang thiebi, het duurst — pôtè thiebi, het witst tingki thiebi, het hoogst — kene thieri, het kleinst. Blijkt het uit den zin, dat men den vergrootenden of overtreffenden trap bedoelt, dan zijn die verbuigingen (als we ze zoo noemen mogen) niet noodig: radjë sang trêtan bân hoelë, mijn broer is dikker dan ik — bent rijker dan ik — njior-njior jëroea ëngkô bân bâq-ën, sôki bàq-ën, de oostelijke het hoogst. tingki sè têmoran, van die klapperboomen is

jij

*

10

Sterke uitdrukkingen voor den overtreffenden trap vindt men: door voorvoeging van „tjè” (verkorting van „bëtjè”, goed) of achter voeging van „kiloe“, beiden alsdan zeer beteekenende: nakkanaq tjè tambëngà! Die kinderen zijn zeer stout. — Tjè tjërêmênà orèng jëria! Wat heeft dat mensch een praats! — Tompol kiloe lattieng jërè. Dat mes is te bot. — Kësit kiloe sang tjörön. Mijn paard is al te schichtíg. 2°. Door herhaling tevens van het bijv. nw. : tambëng tambëng kiloe anaq jëria;tjërêmê tjërêmê kiloe orèng jëria; kësit kësit kiloe sang tjörön. Dikwijls zelfs komt voor dat alles nog het woord „maq“, maar, ’t welk den nadruk nog meer doet uitkomen en tevens verwondering te kennen geeft: maq tjè böngallà! Jij ‚bent al te vermetel! — Bàq-ën maq tambëng tambëng kiloe! Jij bent dan toch vreeselijk ondeugend! Wanneer in de beleefde taal zulke uitdrukkingen zich voordoen, gebruikt men ook somtijds „tjè” voorop, doch gewoonlijk laat men den 1°.

stellenden trap volgen door het woord „thiemèn“ (alos van„kiloe”)z tampën thiemèn, ’t is te ver — sara thiemèn, ’t is te erg. „Thiemèn“ wordt ook dikwijls vervangen door „thiengèn“. De woorden sakalangkong, uitermate, uitnemend, nglangkongè, vormen bij den Madoerees wel den overtreffendsten trap en zijn tevens zeer beleefd: Bërëmaq, man! tötti tanëmannà bâq-ën! a, nglangkongè, toean. Wel man, slaagt je aanplant? O, prachtig, mijnheer! In tegenoverstelling van „kiloe” of „thiebi“, gebruikt men: „taq pattè”. Tjörön ria taq pattè këlar. Dat paard is niet erg sterk. —Anaq kaolë taq pattè pintër. Mijn kind is niet erg verstandig. Datzelfde „taq pattè” wordt ook vóór bijwoorden en werkwoorden werkt zoo bijster vlug niet. gebruikt: Bàq-ën taq pattè pötjëng à lakô, — Sampéan taq pattè onning kêra kaolë, zijt niet erg op de hoogte, ‘ meen ik.

U jij

-

’t,

is

is

is

i

is

i

jij

i

Het woord „ander, andere, anderen” wordt uitgedrukt door „laèn” of „bànè, bânèan”: laèn sè sarè-è, er wordt een ander of iets anders gezocht —— laènlaèn amè tötti, iets anders gelukt wellicht — Bânè bâq ën sè sôrô ngatëp, een ander dan moet voorkomen —‘Bànè orèng dien wij gisteren ontmoetten — Aria jëria tëmoe bäri, een ander ollênà bäq-ën? Bânè, dat jou werk? Eens anders (wel neen!) — Aria dat jou sarong? Een ander(dat de mijne niet). sampèrà bâq-ën? Bânèan,

a,

al je

?

i

à

is

’t

je ’t

i

is

Menziethieruitdat„bânè”iets„volstrekt anders”aanduidt dan„laèn”. In de beleefde taal gebruikt men dezelfde woorden, doch dan dik wijls met achtervoeging van „èpon”: Laèn èpon orèng kadientoq, dat een andere man -— Aria anaq-ën sè kotiaè phoeroe? Bànè èpon, Is dat kind waarover zoo even hadt? (O neen) een geheel ander. evenals „alle, alles”, kappi, kakappi, in de beleefde taal „Geheel“ tjölön de dödjë, alle menschen gaan om de Noord sëdödjë: kappi orèng — Laq badjâr kakappi Zijt gij allen betaald P—Dötëng kappi kantjanà? menschen gekomen?.l ze zijn er allen. Ingki, ampon bâdë sëdödjë.Zijn

11

Voor „geheel” of „alles“ gebruikt men ook nog mëlôlô. Dit beteekent, dat alles wat men met dit woord omschrijft, volstrekt van dezelfde soort is. Wanneer men zegt: kappi orèng à tjölön dë dödjë, dan komt ’t denk beeld alleen bij ons op, dat al die menschen om de Noord, niet om de Zuid gaan. Schrijft of zegt men: mëlôlô orèng à tjölön dë dödjë, dan he teekent dit dat het geheel, ’t welk om de Noord gaat, alléén uit menschen '

bestaat.

Voor

_

uitdrukkingen als „spierwit, pikzwart, enz”, bestaat het woord mòlos: kòtjing pôtè mòlos, een spierwitte kat — Tjörön tjê làng mòlos, een pikzwart paard. Wil men door „geheel“, als eenheid beschouwd, te kennen geven, dat men bijv.: een geheele menigte, een geheel dorp, een geheele inhoud bedoelt, dan gebruikt men het voorvoegsel sa: sa-tiessa, het geheele dorp —— sa-ôlènà namën i rabâs kappi, zijn geheele aanplant hebben ze ver woest (weggekapt) —— sa êssênà, den geheelen inhoud — zelfs ook met achtervoeging van kappi, sëdödjë, om den te geven indruk nog sterker te maken. Sagoedang këtônon kappi, de geheele loods is verbrand. — Saôlènà i paq élang sëdödjë, de geheele opbrengst raakte verloren. de sterke

De stoffelijke

bv. nw. worden gevormd door den naam der stof on

’t

is

’t

.

is,

is,

middellijk achter het zelfst. nw. te plaatsen: sëloq mas, een gouden ring —— klampi sôtra, een zijden baadje. Wil men doen uitkomen, dat hetgeen men bedoelt van die en die stof vervaardigd dan stelt men den naam der stof voorop, dien naam men alsof hoe men dat vragen eenigszins verwonderd uitsprekende kan! Emas sëloq-ën! Sôtra klampinà! Ook vragenderwijze stelt men den naam der stof voorop: ëmas sëloq-ën? Is uw ring van goud? — Sôtra klampinà? Is uw baadje van zijde? Bijv. nw. als zelfstandige gebruikt, vereischen het betrekkelijk voor naamwoord: sè vóór zich en blijven onveranderd: sè lërës biesaos, alleen het rechte, het ware —« sè rossak tjâ angkoej, gebruik het beschadigde niet — sè dölëm tjâ lébâti, ga niet door dat diepe. De Nederlandsche uitgang „achtig” wordt meestal vertaald door ‘marra, kanta, kathi, als, zooals: marra pattè, beestachtig —— kathi nak kanaq, kinderachtig, — doch ook dikwijls door masè, het lijkt alsof . . .: lijkt wel geel —— masè taq èngaq, geelachtig, maq masè konning,

is

i

je

’t

er niet aan denkt. lijkt alsof vergeetachtig, De uitgangen „baar, lijk” worden voorgesteld door Ôlè of këning, kunnen: Ôlè ngêdieng kappi, openbaar — këning antjor aki, oplosbaar, kan gesmolten worden. Ook van werkwoorden worden dikwijls bijv. nw. gevormd: tjoekoq kgoriengan, gebraden vleesch, van kgorieng, braden — këthöng kollop pan, gekookte pisang, van ngollop, koken. Zulke bijv. nw. komen steeds achter. Met ze vóór te plaatsen ver krijgt men een andere beteekenis: kgoriengan tjoekoq wil zeggen, dat er uit vleesch bestaande —— kolloppan këthöng, dat er iets ge gebraad kookt is, waarvan pisang het hoofdbestanddeel uitmaakt.



12

Als een bv. nw. tot meer dan één zelfst. nw. behoort, komt het eerste achter en wordt niet herhaald: Tjörön bân sappê bâkoes, mooie paarden en koeien — sampèr, laboen, padjoeng padë larang, dure sarongs, duur lijnwaad en dure zonneschermen. Het is hier wellicht de plaats om te waarschuwen, dat de geheel on bekende met Indische talen zich niet wage aan een letterlijke vertaling van onze Madoereesche voorbeelden met wat daar in het Nederlandsch achterstaat. Men zou, doordien de woordvoeging in vele gevallen sterk ‚afwijkt van de Nederlandsche, dan licht verkeerde woorden met de ware verw'arren. Eerst wanneer de nieuweling de geheele spraakkunst gevolgd heeft, zal hij, met behulp van de hierachter volgende woordenlijst, de juiste woordelijke vertaling gemakkelijk kunnen vinden.

TELWOORDEN. Uit

het woordenboekje kan men ontwaren, dat de getallen van 1 hun eigen naam hebben. Men telt aldus: sa (sètong, ëtong, t/m sètor), doeâ, tëlô, ëmpaq, lêma, ënam, pêtô, bâlloe, sanga.Voor 4, ëmpaq, gebruikt men in de beleefde taal sakabân. Tien is sapôlô. De vorming der getallen van 11 t/m 19 geschiedt door achtervoeging van bëläs: sabëlàs, doeâblas, tëlôbëläs, enz., enz. — Twintig is doeâpôlô, vlug uitgesproken doepôlô. De getallen na 20 t/m 29, nemen lèkor aan, behalve 25 en luiden dus: salèkor, doeàlèkor, tëlôlèkor, ëmpaqlèkor, sëkgòmè, ënamlèkor, enz. Dertig is tëlô pôlô, waarna men de Fransche manier volgt: trente et un, trente-deux: tëlô pôlô sètong, tëlô pôlô doeâ, tëlô pôlô ëmpaq, enz. Veertig, ëmpaq pôlô, verder vervolgd als bij 30. Vijftig, sêkët; zestig, sëwiethâk, met dezelfde volgorde tot pêtong pôlô, 70; bâlloeng pôlô, 80; sangang pôlô, 90; steeds in dezelfde volgorde tot satos, van sa, één, en ratos, honderdtal. Doe-atos, 200 — tëlô ratos, 300 — ëmpaq ratos, 400 — lêma ratos, 500 — ënam atos, 600 — pêtong atos, 700 — bâlloeng atos, 800 — sangang atos, 900 — sa-êboe, 1000 —— 9 ieder

salaksa,

10000.

Samenstellingen als boven is aangegeven: sa-êboe doe atos tëlô pôlô lêma, 1235 — lêma ratos ëmpaq lèkor, 524 — sangang atos sëkgòmè, 925. Opmerking verdient dat als het voorafgaand telwoord op een medeklinker eindigt, de r van ratos niet wordt uitgesproken. Verder dan 10000 gaat de gewone Madoerees niet. Hij heeft zelfs verbazende moeite om zich die hoeveelheid voor te stellen, ofschoon hij soms met ophef spreekt van tëlô laksa, 20000 —— lêma laksa, 50000, enz. Bij sa, sètong, een, behoort men op te merken, dat men het eerste gebruikt bij samengestelde namen van hoeveelheid: sa-arê, een dag — sa-taoen, een jaar. Wanneer men slechts één bepaald voorwerp aanduiden

13

wil, zegt men sètong: orèng bienê sètong, eene vrouw — kôlie sètong, één daglooner — tjôma sètong, slechts één. Voor een enkel persoon zegt men: orèng-sa-orang. Vele Madoereezen gebruiken in het spreken de telwoorden met een soort voorslag of verdubbeld achter het zelfstandignaamw.: orèngdëdoeà, twee personen — karpoej tëtëlô, drie karbouwen—tjikar pampaq (ëmpaq ëmpaq), vier karren, —-—sappê lëlêma, vijf koeien — médjä nam-ënam, zes tafels —— sôrat pëpêtô, zeven brieven — tjangkir bâbâlloe, acht kopjes —— tjörön sasanga, negen paarden, echter alleen wanneer men niet geheel den nadruk op dat telwoord wil leggen. Sappê lêma, orèng doeâ is bepaalder. De plaatsing der telwoorden is vóór of achter het zelfst. nw.; vóór met aantooning van gewicht, maat, hoeveelheid, enz. Tjoekoq tëlô kattè, drie katti vleesch — mienjaq ëmpaq koppè, vier flesschen olie. — Achter, bij een globale opgave van iets: orèng miskin dëdoeä, twee arme menschen —— kêrakêra bâde karretta sapôlô lébât, naar mijne meening zijn er wel tien rijtuigen voorbijgekomen. „de eerste, de tweede, de derde, enz.” worden ge ën of ënà (dat en zeer kort uitgesproken): sétong-ënà, doeà-én, tëlô-en, enz. „Ten eerste, ten tweede, ten derde, enz.’ wordt voorgesteld door: saperkara, doeä perkara, tëlô perkara, enz., of ook wel: door sakalêna, doeâ kalêna, tëlô kalêna, enz. De ranggetallen,

,

vormd door achtervoeging van

„Beide”:

„Elk

kappi dëdoeâ. vier”: sètong èbâng, ëmpaq èbâng.

doeâdoeä,

één, ieder

1A

1/8

1/8

1/2

Bij verkoop, stuksgewijze, noemt men den naam van het muntstuk op, met voorvoegsel sa en achtervoegsel an: sadoewietan, één duit het stuk —— sadjempëlan, één gulden het stuk — of alleen door ’t voorvoegsel kan: kan sadoewiet, voor één duit —— kan sadjempël, ad f 1.— — kan sapôlô réaal, voor f 20.—. „Nog eens, nog zesmaal, nog honderdmaal, enz.”: sakalian aki, ënam kalè aki, satos kalè aki, enz. Breuken kent de Madoerees op zijn hoogst tot 1/„: satenga — — niet. zelfs saprapat saperbàlloen. Velen kennen Wil men bepaald een gedeelte van iets opgeven of met anderen iets

vieren (verdeel die onder

je

daalder voor

je

je

je

je

is

al

I

verdeelen, dan omschrijft men: bàgi tëlô, sabägiân èbâng, in drieën verdeeld elk één deel (dus 1/3), naarmate van het aantal personen. Met derdehalf, enz. alle mogelijke getallen bijna daarbij ingesloten, de Madoerees druk in de weer: tëlô tenga, derdehalf —— sapôlô tenga, tiendehalf —— satos tenga, hondèrdehalf. Bij geldzaken, waarvoor wij een hoofdstuk zullen afzonderen, komen die uitdrukkingen vooral te pas. Met hun tweeën, drieën, vieren, enz.” wordt uitgedrukt door: ka doeâ, katëlô, kampaq. Komt daarbij een verdeeling te pas, dan voegt beiden — katëlôè, men achter zulke woorden nog è: kadoeâ-è, met — een rijks met drieën aria saringgit kampaqè (kampaj), daar heb vieren).

14

Saparô heeft alleen de beteekenis van: de helft. Verlichte Madoereezen gebruiken ook wel ons woord „nommer”, nòmër, vóór personen of zaken en tangkàl, „datum“, bij ’t gebruik van data. Het laatste woord behoort eigenlijk hoofdzakelijk tot aanwijzing van den stand der maan. Tellen, al is de hoeveelheid, welke hij berekenen moet, nog zoo groot, doet de Madoerees eigenlijk slechts tot 10. Van elke 10 houdt hij aan teekening tot hij 10 X 10 of een honderdtal verkregen heeft. Van dat honderdtal maakt hij ook een notitie en begint weer bij één, om weder om van die eenheden tientallen en van die tientallen honderdtallen te verkrijgen. Hij doet dat vlugger, dan men wellicht denkt, zoodat men van de getallen t/m 9 slechts de laatste lettergreep hoort: sa, wa, lô, paq, ma, nam, tô,

10e,

nga



sapôlô.

VOORNAAMWOORDEN. Voornaamwoorden kunnen in het Madoereesch verdeeld worden in: 1.

persoonlijke,

2.

bezittelijke,

3.

aanwijzende, vragende,

4.

1.

5.

betrekkelijke en

6.

onbepaalde.

Persoonlijke.

’t

is

is

is

is

’t

is

is,

De eerste en tweede persoon hebben wij reeds aangegeven bldz. 4. Zij zijn 1e sèngkô, boele, kaolë, de 2e bàq-ën, tieka, sampéan. Een derden persoon heeft de Madoerees niet. Hij gebruikt den titel, den naam of de betrekking van den persoon waarvan hij spreekt, doch laat dit zelfs na, wanneer uit zijn spreken duidelijk wien hij bedoelt. Sèngkô of ëngkô voor „ik“ wordt gebruikt van meerderen tot hun minderen. De kleine (mindere) man wordt gewoonlijk met dit voor naamwoord toegesproken. Staat iemand wat hooger in rang, men overtuigd dat men denzelfden rang bekleedt of dat men zich in het dagelijksch leven op één lijn stelt met den hoorder, dan spreekt men „boelë” tot hem. Is hij bepaald verheven boven den spreker, dan gebruikt men „kaolë”, terwijl dit woord ook gebezigd wordt tot vreemdelingen en van jongeren tot ouden van dagen. welk zeer nederig en Voor „ik” gebruikt men ook apti thölëm, eigenlijk beteekent: uw onderdanige dienaar, en phötön kaolë, dat een en beteekent: mijn lichaam. graad minder nederig In het dagelijksch leven en dus als zeer goede bekenden onder elk ander wordt sèngkô gebruikt. Dit ook het geval bij kinderen, die, leerende spreken, alléén in het laag Madoereesch worden geoefend. het gebruik van Sèngkô en boelë, als twee per Iets eigenaardigs SOnen op een oogenblik niet in goede harmonie verkeeren. Spreekt de een dan als ware uit de hoogte met sèngkô, de andere, bedaard blijvend,



15

gebruikt boelë, alsof hij aanduiden wil zich in ’t geheel niet minder te gevoelen dan zijn tegenpartij. Ouderen van dagen, sommigen, die zich boven hun toehoorders verheven wanen en vaders tot hunne kinderen gebruiken dikwijls isson, voor „ik, mij”. Men hoort dit woord ook wel eens door hoogere ambte— naren

bezigen.

Voor het meervoud van ik = wij, heeft men ook geen woord. is om dat meervoud aan te duiden, wordt ‚ Wanneer het noodzakelijk het uitgedrukt door padë, allen, of door „ik” met bijvoeging van këlabän, bân, sarëng, bi, met, en phörëng, mosso, kameraad, tegenpartij, vóór

is

jij

jij

andere woorden. Sèngkô phörëng bâq-ën, Sèngkô mossô bàq-ën, is werke = wij. Toean sarëng kaolë, mijnheer en ik = wij. Baboe lijk ik en phörëng boelë, de baboe en ik = wij. Boelë phörëng orèng banjaq, ik met velen = wij. Sèngkô bi bàq-ën, ik met jou = wij. Sèngkô bän kan tjakantja ria èntar ka passar, wij gaan naar de markt, enz. enz. — tieka, gij — sampéan, u, staat De tweede persoon bàq-ën, den dus tegenover eersten, Sèngkô, isson, boelë, kaolë. De toepassing

is

is,

'

gemakkelijk. Wanneer men geen dezer opgenoemde voornaamw. gebruiken wil, of als men niet erg op de hoogte met welken van de drie men den 2den persoon zal toespreken, gebruikt men het onbepaalde thiebi-ën en „zelf, (in de beleefde taal thieri), hetwelk eigenlijk een 3e persoon

je

eigen, eigen persoon” beteekent. Thiebi-ën sapa jamaná? Hoe heet je? Thiebi-ën tjë èntar, bërëmaq? Als zelf eens gingt? Tot hooggeplaatste personen heeft men nog andere uitdrukkingen: pantjënëngan thölem, pantjënëngan sampéan, adjoenan thölëm, adjoe nan sampéan.

al

zij

Ook Europeanen worden dikwijls met pantjënëngan en adjoenan sampéan toegesproken. Deze wederkeerig, spreken aanzienlijke Madoe reezen aan met de aan dezen behoorenden titel en wanneer dien niet bezitten met tieka of sampéan, naarmate hunne betrekking. In enkele

is

’t

welk eigenlijk geen’ gevallen gebruiken eerstgenoemden sobat, vriend, Madoereesch is. Het komt echter zelden voor dat een Europeaan Madoe reesch spreekt tot een verlicht individu, wijl deze laatste gewoonlijk zéér der Maleische taal en het dan eenigszins vernede goed op de hoogte rend voor den aangesprokene zou zijn, hem in het Madoereesch toe te spreken.

jij

komt me zoo nooit

eens

opzoeken,

U!

U

i

i

jij

’t

J

ij,

Ook bij de voornaamwoorden komt dikwijls nadruk te pas. Men doet dien uitkomen door achtervoeging van ria, roewa, nèkô, panèka — wilt niet luisteBâq-ën ria maq taq këlëm nòrò sang òtjaq, arapà? ren naar geen ik zeg, hoe zit dat? — Tieka roewa, meng taq ngêdieng, volstrekt niet luisteren‘wil, ontsla ik je. paq amboe bân boelë. Als — Sampéan panèka maq taq ôning longkoe sakalè bëngkô kaolë!

-

16

„Mij“ wordt vertaald door „aan ik“, ka sèngkô, boelë, kaolë. Evenals de 2e persoon, wordt ook de 1e dikwijls verzwegen, wan neer de toespraak duidelijk is en daarom geen ander bedoeld kan worden: Laq, taq tao, tadë orèng ngrëpot kà sèngkô, loop heen, niemand heeft mij — ëngkô tjè plëkaq-ën, kala aki aèng, lè! Ik heb ‚dat gerapporteerd haal dorst, grooten (mij) water, jongetje! — Maq laq ngêthë kgi siang, sakè, këtondoe? ’t Is nog dag en je slaapt al, ben je ziek of slaperig? De meervoudige 2e persoon wordt behandeld als bij „wij“ aange geven. Het aldaar vermelde „ik“ verandert dan natuurlijk in „gij“: bàq-ën,

tieka,

sampéan. is orèng, orèngorèng, kantja, kantjakantja, enz. met of zonder aanduidingen of nadruk, welke dat woord of den zin mede nader bepalen. Voor het vrouwelijk enkelvoud „zij“ zoekt men tevergeefs naar een woord, evenals voor het mannelijk enkelvoud „hij“. Men handelt daarmede als met andere niet bestaande woorden, nl. men omschrijft, of men verzwijgt die omschrijving als de zin duidelijk is: Bienêna bäq-ën èntar mëlê mienjaq. Ieja, èntar mëlê i bâroengà Pa Nor, Uwe vrouw is olie gaan koopen. Ja (zij) is gaan koopen in ’t kraampje van Pa Nor. —

„Zij“ meervoud,

i

U

i

is

i

zij is

Dötëng lôranà? Ingki dötëng ampon. Is je baas al gekomen? Ja, (hij) is al gekomen. „Hij“ en „zij“ worden ook dikwijls aangetoond door de aanwijzende voornaamwoorden ria, roewa, inggroea, panèka. Orèng ria phoeroe dötèng, Hij of pas aangekomen. Het woord „èpon“, dat veel door den Madoerees gebruikt wordt als beleefd aanhechtsel, kan men ook bij de persoonlijke voornaamwoorden doen dienen: Sapa katôwèn thölëm, bâq-ën? Ingki, kaolë èpon. Wie er bij den wedana geroepen, jij? Ja, ik — Sampéan èpon timpàli bidhöna. wordt door den wedana opgeroepen. 2.

Bezittelijke.

is

’t

is

’t

’t is

Zij worden in het Madoereesch gevormd door plaatsing der persoon lijke voornaamwoorden achter het zelfstandig naamwoord wat den 1sten en 2en persoon' betreft: tjörön sèngkô, mijn paard — anaq boelë, mijn kind — landoe kaolë, mijn patjol (hak) — bëngkônà bâq-ën, jou huis —— anaq-ën tieka, uw kind — pòtranà sampéan, uw zoontje. Wanneer men laag Madoereesch spreekt wordt de 1e persoon zel den aangegeven op bovengenoemde wijze. Men stelt dan sang of tang vóór het zelfstandig naamwoord. Tang tjörön, mijn paard — Këmaq sang orèng? Waar zijn mijne lieden? Voor de aanduiding eener bezitting gebruikt men ook andi, kagoen het mijne — kagoengàn sampéan, gân, bezit, eigendom. Andi kaolë, dit? — Andi-én uw eigendom — Sapa andi (sapandi), van wie Is het uwe, het mijne — Pënapa kagoengàn bâq-ën, tieka, sang andi. sampéan karetta kadientoq? Is dit rijtuig het uwe?

17

De 1e persoon wordt ook dikwijls uitgedrukt door: andi thiebi, andi thieri, ’t is van me zelf. Tot hooggeplaatste personen spreekt men wederom van thölè’m: apti thölëm, uw dienaar — karsa thölëm, naar uw welbehagen. Ter aanduiding van bezittelijke voornaamwoorden 3e persoon ge bruikt men de zelfstandige naamwoorden met dezelfde uitgangen als onder den 2en naamval aldaar is opgegeven: bëngkônà këtônon, zijn — tjörönà boeroe, zijn (haar) paard is wegge (haar) huis is verbrand loopen — sôrôja élang, zijn (haar) kam is weg —— anaq-én mattè, zijn — bienênà rimbi, zijn vrouw is bevallen — ëmaq‘ën (haar) kind is dood i boeang sapôlô taoen, zijn vader is voor 10 jaar verbannen. In beleefd spreken wordt ook bij de bezittelijke voornaamwoorden èpon gebruikt: kadientoqtjörönà patinggi èpon, dit is des dorpshoofds 'paard — Sapa andi anaq ria? Kaolë èpon. Van wie is dit kind? Het mijne

— Tjaq

èpon orèng, de menschen

zeggen.

.

..

Wanneer bezittelijke voornaamwoorden verbonden worden met twee zelfstandige, waardoor het eene door het andere nader bepaald wordt, dan neemt alleen het eerste den bezittelijken uitgang aan: sampèra sôtra, haar zijden sarong —— padjoengà tëlobàng, zijn papieren regen scherm.

Wil

men daarentegen één eigenaar van meer voorwerpen aanduiden, dan neemt alléén het laatste woord den bezittelijken uitgang aan: Tjörön, sappênà padë lompô, zijn paarden en zijn koeien zijn om ’t even vet — Babâng, këmèrênà tompës kappi, van zijn uien en noten rest niets meer. 3.

Aanwijzende.

Wat de Madoereesche betreft volgen wij gaarne, behoudens eenige wijziging, hetgeen VREEDE in zijn grammatica pag. XVIII daar over mededeelt. Ter aanduiding van lage, middel en beleefde taal zullen ook wij N ngôkô, M madjô en K krômô gebruiken. 1°. van voorwerpen, personen en zaken: N ria, aria, deze, dit — roewa, aroewa, die, dat — K inggroea, die, dat —— M nèkô, tontô, deze, dit, dat — K panèka, deze, dit, dat. N dëria, bëria, M dërientoq, bërientoq, K dusdanig, zoodanig. 3°. van hoeveelheid: zulke, zooveel = die van hoedanigheid. 4°. van plaats: N dienaq, MK kà-intoq, kadientoq, hier.— N ka-íssà, kassa, MK kàiessà, kadiessà, daar — N dënaq, kannaq, M kakanjë, kôanjë, K kòantò, kakantò, hierheen —-— NMK kòiessa, koassà, daar heen, ginds. 5°. van tijd: N sëtia, M sëtontô, ‘K mangkèn, sëmangkèn, nu. Voor tijdaanwijzende voornaamwoorden worden ook gebruikt: N MK kala en pompong, welke woorden eigenlijk „tijdstip, oogenblik” be teekenen. Kalanà bàq-ën dë têmor...., op het tijdstip of op het oogenblik dat ge om de Oost gingt. . .. Pompong mangkèn tieka tjë èntarrë? Als ge er nu eens gingt? 2°.

van hoedanigheid:

sapanèka,

2

18

OPMERKINGEN. in de nabijheid, 1°. Ria, aria, wordt gebruikt voor voorwerpen roewa, aroewa, inggroea voor verder afgelegene. Dit is ook het geval met kaieja (dichtbij) en kassa, kaiessà (verder af). Bij ’t gebruik der eerstgenoemde voornaamwoorden zijn de aange duide voorwerpen nog altijd in ’t gezicht. Bij de laatste kassà en kaiessà, is dit niet altijd het geval, ze gelden meestal ‘ baren afstand. Roewa en inggroea laten zich ook voor sè lambâ roewa, se thiengèn inggroea, die 2°. voor de aanduiding eener bepaalde

voor voorwerpen op onzicht een tijdsbepaling gebruiken: van vroeger. soort gebruikt men ria, aria,

roewa,

aroewa, tontô, panèka. De aanwijzende voornaamwoorden worden ook bij de persoon lijke 1e en 2e persoon gebruikt tot meerderen nadruk, zooals men dit op bladzijde 14 vindt opgegeven. 4°. Wanneer men op iets doelt dat te voren of zoo even is genoemd, dan gebruikt men als aanwijzend voornaamwoord phoeroe, zoo even, kgëlà, daar straks, en in geschrifte persoonlijk i atas, boven, hierboven. Orèng sè i tëmoe phoeroe, de persoon, dien ik zooeven ontmoet heb sè i tëkoe bâq-ën kgëlá, ’t geen je daar straks vast hadt. Zelfs worden die woorden nog dikwijls met een ander aanwijzend voornaamwoord vereenigd: sè i tëkoe bàq-ën kgëlà roewa en geven dan natuurlijk een meerderen nadruk of een nadere bepaling van het 3°.



voorwerp.

Voor „degene, hetgene” heeft men

geen bepaalde woorden. Men ver sapa, wie, of door den naam van den persoon of der zaak te doen volgen door het betrekkelijk voornaamwoord sè. Sapa sè nôlis sôrat ria, degene, die dezen brief heeft geschreven.— Apa sè i mëlê kgëlà, hetgene hij daar straks gekocht heeft.-— Pëndër toean anô sè nompaq tjörön nakkal roewa, degene, die dat wilde paard bereed, was wel degelijk de heer N. N. —— Kàthi sè i sëpoet i atas, zooals dat hierboven vermeld wordt. Het beleefde aanhechtsel èpon wordt ook bij de aanWijzende voor— naamwoorden gebruikt.

taalt

ze door apa, wat



4.

Vragende.

We kunnen ze als VREEDE, in de volgende categorieën verdeelen: N apa, M énapè, K pënapa, wat, welke? 1°. van voorwerpen: 2°. van personen: NM sapa, K sêraq, passêraq, wie? NM bërëmaq, dërëmaq, K kàthi pënapa, 3°. van hoedanigheid: hoe, hoedanig? 4°. van hoeveelheid:

NM sa-apa, brampaq, K sapënapa, hoeveel? van plaats: N diemaq, këmaq, koammaq, M kaiemaq, K kadie maq, waar? 6°. van tijd: NM bielë, K bielë èpon, wanneer? 5°.

19

OPMERKINGEN. van voorwerpen wordt ook ge 1°. het vragend voornaamwoord bruikt om te vragen van welk soort of welken aard het voorwerp is: laboen apa bâq-ën mëlê? Welk soort lijnwaad kocht ge? — Padjoeng ënapè sè i angkoej tieka? Welk soort zonnescherm gebruikt ge daar? —— Sakè pënapa sampéan? Welke ziekte hebt U? Apa komt ook dikwijls in een vragenden zin voorop, doch is geen vereischte, vooral niet bij ’t gebruik der lage taal. Men kan even goed

i

J

is

jij

zeggen: apa laq ngakan bàq-ën? als: laq ngakan bäq-ën? Heb je al gegeten? De vragende toon is voldoende. Arapa, apa, ënapè, pënapa, op zich zelf, vragenderwijze uitgespro ken, wil zeggen: wat is er? wat gebeurt er? Zij hebben ook de beteekenis van ons voegwoord „of“ in een vraag met tegenstelling: Sèngkô apa bàq-ën i ollok? Wordt of ik geroepen? —— Kadjoe ënapè bëssê? Is dat van hout of van ijzer? 2°. sapa, sêraq, passêraq, alléén, vragenderwijze uitgesproken, be teekenen: wie daar? wie gaat daar? Zij worden ook gebezigd om naar den naam van iemand te vragen en vervangen dan ons woord „hoe“: amanà sapa bâq-ën? Hoe heet je? —— Passêraq jamanà? Hoe heet hij? — Toean laonà tjölön sêraq jamanà? De heer, bezuiden den weg, hoe heet hij? — Jamanà sapa??? is

Hoe

zijn naam???

N

N

dëmaq, këmaq, dëmaq-à, MK kakëmaq—à, kaiemaq, kaiemaq waarheen? — K kadiemaq èpon? van diemaq, M kaiemaq, ’ waar? van welke plaats? Vraagt men naar personen of zaken, welke bekend of pas besproken zijn, dan ook gebruikt men de vragende voornaamwoorden van plaats: sè këmaq, sè kaiemaq, sè kadiemaq èpon? welk, welke, wie, wat? Toean sè këmaq phoeroe lébàt nompaq bendi? Sè dödjönà goedang boedjä roewa. Welke heer passeerde zooeven in een bendi? Die daar om de Noord van het zoutpakhuis woont. — Sè kadiemaq èpon kaolë ngòtossà? VVien zal ik zenden? 4°. Bielë-bielë beteekent wanneer ook: bielëbielë ëngkô nanthoek 3°.

i

i

èpon,

i

5.

is

is

is

is

is

’t

je

kom, vind ik

je

in de schuur tëmoe têdoeng! Wanneer ook ik bij slapende. 5°. De 2e naamval van van personen vragend voornaamwoord wordt verkregen door hetzelve het zelfstandig naamwoord in denzelf— den naamval te doen volgen: Anaq-ën sapa? Wiens kind dat? —— verbrand? Bëngkônà sêraq këtônon? Wiens huis het ?“ gebruikt men Wederom het be 6°. voor het enkele „wiens het? zitting aanduidend woord andi: sapa andi, andi—én sapa? Wiens — Sapa andi sampèr jëria? Wiens sarong deze? goedang, bàq-ën

Betrekkelijke.

In het Madoereesch vindt men slechts één woord, dat met den naam van betrekkelijk voornaamwoord kan bestempeld worden: sè.

20

Ook wordt tjoe, tjoeng gebezigd, doch dit zou men beter onder de kunnen rangschikken. aanwijzende voornaamwoorden Men heeft reeds kunnen zien, dat het woord sè ook in verscheidene andere gevallen voorkomt, doch wij achten het beter, hierop nogmaals de aandacht te vestigen door andere aanduidingen en voorbeelden. Als bepaald betrekkelijk voornaamwoord komt sè, wat gebruik en plaatsing betreft, als ’t ware met de N ederlandsche „die, dat, wie, wat, welke, dewelke, hetwelk” overeen. Orèng sè i sôrô dötëng lakoena. De man, dien ik gelast heb morgen te komen —— Orèng bienê sè mattè anaq-én. De vrouw, wier kind is ge storven — Tjörön sè i tjoeàl kgëlà. Het paard dat zooeven verkocht is — Paq Battie? aroewa sè kgi issak malëmà, laq mattè? Pa Battie, hij, die gisteravond nog gezond was, is die reeds dood? — Phöröng sè badë i lamari. De goederen, welke in de kast zijn — Lattieng sè i tëmoe kaolë. Het mes, ’t welk ik gevonden heb. De 2e naamval wordt uitgedrukt, zooals boven in een paar voor beelden op te merken is, door het zelfstandig naamwoord in den 2en naamval te plaatsen: sè këtônon bëngkôna, wiens huis is verbrand. Wordt alleen de bezitting aangeduid, dan bezigt men al wederom de woorden andi, kagoengân: sè andi pêssè jëria, hij, wiens geld dit is. Sè wordt ook gebruikt tot bepaalde aanwijzing van iets anders, dus als tegenstelling en heeft dan dikwijls denzelfden zin als een bezittelijk voornaamwoord: tannang sè katjèr, de linkerhand, om te doen uitkomen, dat het in geen geval de rechterhand is. Sè lakè, de man (niet de vrouw)



sè bienê,

de

vrouw (niet



de man) — Sèngkô sè klòpaèn, ik (geen sè à sôrô, mijnheer (geen ander) heeft het

Toean ander) vergat het gelast — sè toewa, de oudste (niet de jongste). Sè kan ook dienen om ergens met nadruk op te wijzen: sè bëtjè, lâ! doe ’t goed — sè bërsè! maak ’t toch goed schoon! Uit deze voorbeelden ziet men tevens, dat het voorwerp soms niet in den zin wordt genoemd, of liever, het wordt niet herhaald, wanneer het bekend is: Tjörön sè kakëmaq toean nompaq-à? Sè pôtè. Welk paard zal mijnheer berijden? Het witte. Met sè worden ook vragende voornaamwoorden van plaats verbonden, die dan de beteekenis verkrijgen van „wie,wat, welk, welke” (zie aldaar). Tjoe, tjoeng, wordt, schijnt het, alleen in de spreektaal gebruikt: Pökô sè kakëmaq i patôrônà? Tjoeng laolao roewa. Welke tabak moet ik neergeven? Die daar, ’t verst om de Zuid — Tjoeng dödjë roewa, njantër! Die daar om de Noord, kom nader! — Dötëng kòiemaq kaq? Toean tjoe tèmor rô. Waar komt ge vandaan, vriend? Van den heer die om de Oost woont. 6.

Onbepaalde.

Orèng, orèngorèng, men,iemand, menschen,lieden: Sang pêssè i kètjoq orèng, men heeft mijn geld gestolen —— Taq i parrèng aki bàn orèng-orèng, men staat het niet toe. In beleefde taal ook met achtervoeging van èpon.

21

Soms ook worden bovengenoemde woorden verzwegen en bezigt het werkwoord alsdan in den lijdelijken vorm: Sang pêssè i kètjoq, geld heeft men gestolen — Sapênà i këtok boentoq-ën, men heeft staart van zijn koe afgekapt. Drukt men zich uit dat bepaald iemand 'iets gedaan heeft, zeker mensch, i ketjoq o r e n g.

mensch, pêssè

een

dan legt men den nadruk op orèng:

men

mijn den een

Sang

„Niemand” is: geen mensch, niet mensch: tadë orèng lébat diemaq, ging hier voorbij. Apa-apa, ënapè-napè, pënapa-pënapa, nu eens enkel, dan eens dub bel gebruikt, iets: Bâdë ënapènapè man? Is er iets, man? (In de spreek taal hoort men dikwijls a, ëna, pëna.) Taq apa, taq ënapè, taq pënapa, niets. (In de spreektaal dikwijls taq a, taq ëna, taq pëna): Bâdë ënapènapè man? Poenten, taq pênapa. Is er iets, man? Neen, niets. Voor evengenoemde woorden zou ook de vertaling kunnen luiden , „iet of wat, dit of dat, het een of het ander”. Voor „iets”, zeer onbepaald, bezigt men ook saphöröng: Apa bâq-ën ngakannà? Saphöröng. Wat wilje eten? Iets (onverschillig wat je geeft; wat er is). Dit laatste laat zich ook voor andere woorden gebruiken. Saphöröng orèng, wie ook, allerlei mensehen — saphöröng pêssè, allerlei geld, welk niemand

i

i

’t,

soort geld ook. Sàpën „iedereen, ieder, alleen, elk, een iegelijk”: Sàpën orèng tao, kattik lingngaling! Iedereen weet, ieder mensch weet, alle mensehen waarom het nog te verbergen! weten Sàpën heeft ook de beteekenis van „gewoonlijk, als het maar treft, iedere keer, telkens, altijd, telkens als”: Sàpën badjâr tjoemà-at, ge woonlijk werd Vrijdags betaald — Sàpën ëngkô lébat dienaq, telkens als is

’t

al

al

’t

’t

’t

’t

ik hier passeer — Sàpën sàpënà dëria, altijd zoo — Sàpën arê, iederen dag. Assal, sòkor, saking, „als maar, mits het maar”, kunnen Wij ook gevoegelijk onder de onbepaalde voornaamwoorden plaatsen: Sòkor bârâs maar niet biesaos, als hij maar gezond blijft —— saking taq nakkal, als ondeugend is. Op zichzelf, onverschillig uitgesproken, beteekent Sòkor of sòkòran, gelukkig! goed! best hoor! en saking, och ja! voor de leus; zoo belieft. omdat me wie weet Sapa sè, orèng sè, al wie: Sapa sè tao, sôrô njantër! moet naderbij komen! —— Orèng sè tërô mëlêa, sôrô lëpoel Laat wie koopen wil binnenkomen. Doeâdoeâ‚ kappi dëdoeâ, beiden. Kappi, kakappi, sëdödjë, allen, allen te zamen, geheel, geheel je

is

en al. elkander. Padë, allen, evenzeer, de een zoowel als de ander, wilt, onverschillig wat. alles even goed, zooals Sarôbânà, sarôbân,’t „Allerlei, allerhande, velerlei”, wordt uitgedrukt door herhaling van het zelfstandig naamwoord: këmpâng këmpâng, allerlei soort van bloemen

22

velerlei soort van rottingmatten — plappaplappa, aller hande specerijen, of door het bovengenoemde woord saphöröng: saphö röng këmpâng — saphöröng lantaj, enz.

— lantajlantaj,

WERKWOORDEN. Werkwoorden kunnen in het Madoereesch gevoeglijk verdeeld wor den in stamwoorden en afgeleide werkwoorden. Stamwoorden of zegwoorden zijn woorden, waarmede men eenvoudig iets zegt van een persoon of van een zaak: ngèrèm, zenden — môtër, draaien — ngèröp, verbergen. Afgeleide zijn zulke, welke van zelfstandige naamwoorden, bijvoe gelijke naamwoorden, telwoorden of bijwoorden worden gevormd: tëlor, ei, à tëlor, eieren leggen —— sapô, bezem, njapô, vegen —— rontak, stootend, ngrontak, stooten; dreunen — rata, gelijk, effen, ngrata, rata aki, effenen, gelijk maken — ëmpaq, vier, ngampaè, onder vier verdeelen —— bëthiel, geweer, mbëthiel, schieten. De meeste werkwoorden beginnen met een der neusklanken n, nj, m of ng en andere woorden laten zich met voorvoeging van die neusklanken tot werkwoorden vormen. Vele zelfstandige naamwoorden nemen a of ëm (’m) voor zich en dienen dan ook voor werkwoorden. De neusklanken worden ook dikwijls verwisseld met andere aanvang letters, hetwelk in de spreektaal (vervoeging) veelvuldig plaats vindt. n wordt t = noetoe, toetoe, aantoonen — nabâr, tabâr, afdingen;

= njaring, saring, doorzijgen — njíngkgë, singkgë, wijken; m wordt b = madjär, badjâr, betalen —— moekaq, boekaq, openen; ngandël, ng wordt j, k, 1 of r, of wordt geheel en al weggelaten: jandël, gelooven — ngètjoq, kètjoq, stelen — nglëpoe, lëpoe, ingaan —— ngrëmbës, rëmbës, doorzijpelen — ngòtjaq, òtjaq, spreken — ngossong,

nj wordt

s

ossong, dragen. Duidelijk is het dat woorden, welke reeds met een der opgenoemde neusklanken aanvangen, geen verandering in de beginletters toelaten: — tjôkor, njôkor, scheren. ngëtè, achteruitschoppen Het voorvoegsel à heeft ook de beteekenis van „zijn“ of „hebben“ in zich: à phörëng, hij heeft een kameraad, metgezel —— à sarmô, ’t is een zijner vrienden —— à bàngkang, hij is naakt. Werkwoorden, welke een handeling of daad te kennen geven, hebben eigenlijk een tweeledige beteekenis, al naarmate de handeling of de daad reeds uitgevoerd is of nog uitgevoerd moet worden: njòtjoq, iemand steken en naar iemand steken — ningkër, schieten met een geweer of op iets schieten. Uit den zin is gewoonlijk op te maken welke der beteeke ‘ nissen bedoeld wordt.

‚ .

Werkwoorden op i,

e

uitgaande.

Overgangsvorm.

De overgangsvorm wordt verkregen door achter het werkwoord de uitgangen e, i, en of nè te voegen. Deze vorm dient ook hoofdzakelijk

23

ter vermijding van de vele in het N ederlandsch voorkomende voorzetsels in, op, over, om, tot, aan, hij, naar, naartoe, jegens, enz. De beteekenis van die uitgangen komt vrijwel overeen met werk woorden in ’t Nederlandsch met „be” aanvangende: beweenen, tangissè



beplanten, namenè —— bespuwen, tjòpaè —— bedekken, notoppi, enz. De uitgang én is een verbastering van e: tjökgöè, tjökgöèn, iemand wekken —— mattè-è, mattè-èn, iemand dooden, Nè wordt gewoonlijk gebruikt achter den klinker, waarop het grond woord uitgaat: nampanè, iets aannemen — nglëpoenè, iets, iemand binnenbrengen —— lakônè, iets bewerken. De werkwoorden (Nederlandsche) van bijvoegelijke naamwoorden gevormd met het voorvoegsel „ver”, nemen ook den uitgang e of i aan als overgangsvorm: verslappen, këndôri —— verlengen, lantjàngi. Verder dienen de genoemde uitgangen, zooals wij zooeven aanhaal den, ter vermijding der vele in ’t N ederlandsch voorkomende voorzetsels, waaraan de Madoereesche taal arm is. De overgangsvorm wordt daardoor niet in het minst benadeeld: pôboei, iets bijdoen — tompangè, op iets plaatsen — mèkèrè, aan iets denken — lontjaq‘è, over iets springen —— lingkaq-è, over iets stappen —— tangissè, om iets weenen -— sôkërè, jegens iemand trotsch zijn — bri-i, iemand iets geven —— tôrônè, iets afdalen —— kapâri, berichten.

Werkwoorden gevolgd door aki. Veroorzakingsvorm.

Deze vorm wordt verkregen door het woord aki achter de werk woorden te plaatsen. In’de beleefde taal gebruikt men soms akën, doch dat komt niet veelvuldig voor: tjaos aki, aanbieden — tjoeloe aki, aan reiken — ontoer aki, uit den weg ruimen — perkara aki, aanklagen -— noetoe aki, aanwijzen. De uitgang aki dient ook tegelijkertijd als veroorzakingsvorm: 1°. ter vervanging van sommige Nederlandsche voorzetsels: nôlis aki, voor iemand iets schrijven — ngrëmpok aki, met iemand iets bespreken -— tanja aki, naar iets vragen —— têdoeng aki, te slapen leggen. 2°. ter vervanging der woorden „doen, laten, maken, doen worden, gebruiken”: bërsè aki, schoonmaken — takrëtjët aki, doen schrikken — mare aki, laten afmaken — rôpëk aki, dicht bij elkander doen —— dölëm aki, uitdiepen. 3°. om iets bepaalds of opzettelijks te kennen te geven, wanneer dit in het werkwoord nog niet opgesloten ligt: ngêdieng, hooren, ngè dieng aki, naar hem, naar iets hooren, luisteren — ngatër, begeleiden, ngatër aki, een bepaald persoon of een bepaalde zaak begeleiden, weg brengen —— njossol, afhalen, opzoeken, njossol aki, hem, haar, hen, iets bepaalds opzoeken. 4°. om sommige woorden als wederkeerige werkwoorden te kunnen bezigen: tjëlâng, zwart, tjëlâng aki moa, zich ’t aangezicht zwart maken — kôwat, sterk, ngôwat aki, zich sterken.

24

i

i

’t

is,

De uitgang aki wordt door den Madoerees dikwijls verwisseld met paq vóór een werkwoord te plaatsen: bërsè aki, paq bërsè, schoonmaken -— takoq aki, paq takoq, bang maken. De beteekenis verandert door die dat het voorvoegsel paq iets gebiedends omzetting niet. Het eenigste te kennen geeft, wanneer het gebruikt wordt als in voorgaande voorbeel den. In gewone zinnen met den veroorzakingsvorm valt dat gebiedende werd door mij reeds schoon echter weg: laq paq bërsè bàn ëngkô, — ria maar dat kind maakt ge bang! Anaq gemaakt maq paq takoq!

Werkwoorden in den lijdenden

vorm.

i

i

i

i

i

i

e

i

i

i

e

De lijdende vorm of het verleden deelwoord wordt verkregen door: 1°. met vóór overgangswerkwoorden: of sompaqè, bezworen — badjàri, betaald —— tampanè, werd ontvangen. 2°. met of vóór veroorzakingswerkwoorden: tompang aki, er bovenop gelegd — panas aki, warm gemaakt, en met het gebruik van paq vóór in stede van aki achter: paq panas, warm gemaakt — paq élang, verloren geraakt. 3°. met voorvoegsel ka of kë vóór een werkwoord: katôlis, geschre ven — kapriksa, bekeken — këtônon, verbrand. 4°. met voorvoegsel taq: taqlébât, te ver — taqsingsal, verloren vergeten waar. kë en achtervoegsel an: këmalingan, bestolen këlòpòtan, niet meegerekend, overgeslagen. 6°. met voorvoegsel të: tëlanjô, medegesleept door water — të

geraakt,



de

plaats

5°. met voorvoegsel

kgântong,

opgehangen.

U

U

Ook kan men als lijdenden vorm beschouwen de uitdrukkingen als: ver sampéan montoet sapënapa mikkgi? Hoeveel stuks worden door langd —— Sèngkô taq kêra nompaq tjörön jëria, ik geloof niet dat dit paard door mij bereden zal worden; ofschoon de woordelijke vertaling luidt: verlangt hoeveel stuks? Ik niet geloof berijden paard dit.

WERKWOORDEN

(vervolg).

Wijzen, tijden en personen.

a

U

à

Wat ook de personen en tijden (behalve de toekomende) van elke wijze mogen zijn, het werkwoord blijft zonder eenige verandering in den vorm: Sèngkô ngakan, bâq-ën ngakan, aria ngakan, ik eet, gij eet, deze (hij) eet — Sèngkô kgëlâ ngakan, ik at (daar straks) — bàq-ën bàri ngakan tjâtjân, gij at gisteren koekjes. Men ziet hieruit tevens dat men sommige tijden vormt door bijge voegde woorden: Sèngkô laq têdoeng, bàdë orèng atër aki sôrat, ik sliep reeds toen er iemand een brief bracht — Sampéan ampon tjölön. . . . waart reeds op weg. . .. De toekomende tijd wordt gevormd door achter het werkwoord te voegen: Lakoena Sèngkô lakôà, morgen zal ngakanà pòlè, straks zal ik opnieuw eten.

ik

werken



dökgi Sèngkô

25

Bij werkwoorden met den veroorzakingsvorm aki blijft in den toe komenden tijd het werkwoord onveranderd, terwijl de uitgang aki als‘ dan a achter zich neemt: i atër akià, ik zal ’t brengen —— I antém akià? Zal ik hem slaan? Aantoonende wijs is het onveranderd werkwoord, de stellige uit drukking van de werking: Sèngkô dötëng pas ontoer kappi, ik kom en allen verwijderen zich —— dëngaq, het hoofd naar boven houden—— niet njòkëng, omkijken. Aanvoegende wijs. Deze wordt gevormd door bijvoeging der woor den: òti (ngòti), tjàtjäl, beproeven —— tar (èntar), komen — môla, zou het —- tjë, als, tenzij —— sopadja, opdat —— maskè, ofschoon —- santhienà, anthie-anthie, gesteld, ondersteld — sënadjän, hoewel, alhoewel, al ware. Ter uitdrukking eener bede bezigt men: mokgâmokgâ, mokgâ-à en

zij

is

zij

zij

.

i

’t

jij

manthër. òti bâq-ën dötëng bäri. . .. waart ge gisteren gekomen. . . .’ Tj âtj âl taq òtj àn tërës bäri . . . . Hadde?het gisterenniet gestortregend: . Tar lôla-à. . .. Hij zal wel zoo dom niet zijn. . . . Môla élang tang songkoq! Mijn hoed zal toch niet verloren zijn! — Maskè i tëmoe bân bâq-ën. . .. Al hadt gevonden. . .. Sopadjà òning taq parrèng aki bân kaolë, opdat hij wete, dat ik het niet toesta — Tjë bâdë-a. . . . tenzij er waren —« Santhienà sèngkô taq dötëng. . ., gesteld ik ware niet gekomen. . .. — Sënadjän sôki mana ratô. . .. Al ware zoo rijk als de koningin — Mokgà-à lëkas napa! Och, of hij spoedig moge aankomen —— Mokgàmokgâ pade ontong! Och, dat allen er winst bij hadden —’ Manthër Òtjànnà! Ik hoop dat het regene! —— Manthër lëkas bàràsà! Och, mocht hij spoedig beteren. Evenals in het Nederlandsch somtijds woorden worden weggelaten, waardoor aan de duidelijkheid geen afbreuk wordt gedaan, gebeurt dit ook in het Madoereesch: ontoerà, dötëngà, pade lotjônà, (hij moge) even aardig — ngakanà, ngènommà pade rakos, gaan of komen, hij (zij mogen) eten of drinken, zijn even gulzig — matêà, pöngkà-à, (al

ik

’t

N

?_

à

’t

a

er onder) sterven of bezwijken. De voorwaardelijke wijs2wordt met eenige woorden, reeds bij de aan voegende aangehaald,ïverkregen: òti, tjâtjâl, tjé ëngko tao, bâlë-à, indien ik het wist zou ik zeggen — Tar òningà sè tadë mienjaq! Zou hij het weten dat er geen olie is! — Môla këlar ngèbâ jëria? Zou hij sterk genoeg zijn dit mede te nemen — Tjë bàdë-à pêssè, mëlêà! Had ik geld, ik zou koopen. Het onderscheid tusschen de aanvoegende en de voorwaardelijke wijs in het Nederlandsch, 111. dat de eerste dient om wenschen uit te drukken, wier vervulling men wel verwachten mag en de tweede, ter uitdrukking van wenschen, wier vervulling niet verwacht wordt, komt in het Madoe— reesch ook geheel eigenaardig uit. ederlandsch Onbepaalde wijs. Wanneer wij opmerken, dat in het deze wijs een werking algemeen voorstelt, zonder aanwijzing van persoon of getal, dan wordt die in Madoereesch verkregen: zou

26 1°. door het werkwoord onveranderd te laten, doch het daarop volgend woord op a te doen eindigen of omgekeerd: (sèngkô) tërô môlêà, — takoq à tjölönà, bevreesd (op weg) (ik) verlang naar huis (te gaan) te gaan — këphoeroe njabbë-à, gehaast neder te leggen. 2°. door twee werkwoorden, of een werkwoord en een ander woord onveranderd op elkander te doen volgen: atjàr nôlis, leeren schrijven ——

ngòtjaq pëndër, juist spreken —ongkgë tôron, stijgen

en dalen

— tollong

helpen zoeken. 3°. door vertaling van „te, om te, met te, door te” door onver anderde werkwoorden, werkwoorden eindigende op a, door omschrijving en soms met het betrekkelijke voornaamwoord sè: Dötëngà kgàmpang, môlênà tjè saranà, te komen is gemakkelijk, naar huis te gaan is zeer moeielijk — Mong tërô ôdi njaman, om aangenaam te leven —- ëngkô i sala aki sè i paq élang sëloq-ën, ik word beschuldigd den ring verloren te hebben — Ngakan rakos taq sakè‘à bâq-ën? Met, door gulzig te eten wordt ge niet ziek? — Korang pëndër à thoeka orèng taq sala, ’t is minder juist iemand te berispen die geen schuld heeft — Koetsëkoet à tjölön tötti sëkërà orèng, door nu en dan te wandelen behoudt de mensch njarê,

zijn gezondheid. 4°. door ’t gebruik van het zoogenaamde hulpwerkwoord ôlè, kun nen, verkrijgen: ôlè nëmoe i tjölön, op den weg vinden —— ôlè mëlê i passar, op de markt koopen. 5°. door het grondwoord te gebruiken met achtervoeging van a: tjölönà, het gaan, zijn gaan -— rakossà, het, zijn gulzig zijn. 6°. door verbinding van twee werkwoorden, waarvan het tweede iets bepaalt, dat gelijktijdig met het eerste verricht wordt en daarvoor als te gebruiken „bân, këlabán, bi, sambi”, en, met, verbindingswoord tegelijkertijd: à tjölön sambi nangis, loopen (te) schreien — tòdjoe bàn ngètjoeng, zitten te zingen. Gebiedende wijs wordt verkregen door (gebiedend uitgesproken): 1°. het onveranderd werkwoord: ontoer! ga weg —— tanja! vraag! — têdoeng! slaap! — njimpang! ga op zij! 2°. het werkwoord, uitgaande op i, e, en of nè: èntarrè, ga er heen! —- pattè-èn, doof uit! —‘ thànthàni, maak het gereed! —— tampanè, neem

aan!



biloe-èn,

krom het!

enz. voorafgaande naamwoorden bijvoegelijke door paq of gevolgd door aki: paq pëndër, maak het juist! -— ongkgë aki, breng op! 4°. verbinding van twee werkwoorden: tollong njarê, help zoeken! — èntar nampa! ga ontvangen! Uit een en ander volgt, dat de Madoerees het met de gebiedende wijs zoo nauw niet neemt, ja, dat hij die zelfs gebruikt, waar ze in ’t Nederlandsch niet zoo kort kan worden uitgedrukt: têdoeng! slaap! — pèkol! draag! —— pönterè! flink —— tjoengkgë aki! gooi om, stoot om! Om den nadruk stelt men het te noemen voorwerp voorop: thömarrà sôlët aki! steek het licht aan! — tëlor ria kollop aki! kook deze eieren! 3°. werkwoorden,

27

Voor uitdrukkingen als „hier! kom hier! daar! daarheen!” enz., van plaats. zie men onder aanwijzende voornaamwoorden In het meervoud bedient men zich van kappi, sëdödjë, allen — padë, allen, tegelijkertijd: padë norrò! gaat allen mee! — ajoe padë mantjëng! Komt, staat ‘allen op! — laq ontoer kappi! genoeg, verwijdert U! —— ampon, pléman sëdödje! genoeg, gaat nu allen naar huis. Het verbiedend spreken vormt men met voorvoeging van àtjâ, tjâ. Deze woorden, op zich zelf, beteekenen „doe het niet”! In de lage taal hoort men steeds tjâ voorop als verbiedende wijs: tjâ — sang andi, tjà angkoej, gebruik het mijne niet! ‚ontoeran! ga niet weg! „Vooreerst, niet zoo spoedig”, wordt vertaald door toeli, spoedig — këloe (of meestentijds kiloe, ook wel tiloe), eerst, met het verbindend voorvoegsel: tjâ toeli ontoer, ga vooreerst niet weg! Voor diezelfde uit drukkingen bezigt men ook tjä ëndër, niet zoo spoedig, niet zoo gehaast, blijf nog even: tjà ëndër (tjëndër) ontoer. Opmerkenswaardig is het, dat dit woord ëndër in geen enkel ander geval meer wordt aangetroffen. In verbinding met andere woorden komen àtjâ, tjâ vóór het woord, ’t welk in de verbiedende wijs staat: i sòrò tjà èntar, (hem is) gelast niet te gaan — i sòrò tjà toeli ontoer, gelast zich niet zoo spoedig te ver wijderen — laq i bâlâè bâq-ën tjà njaq’banjaq tjërêta, jou is reeds ge zegd niet zooveel praats te hebben — ampon i ngartè aki tjâ pandi-i tjörön sake kadientoq, niet te baden.

reeds aan zijn verstand

gebracht dit zieke paard

Wij zouden hiermede van de werkwoorden kunnen afstappen, ware het niet dat er, wat het Madoereesch betreft, nog een en ander op te merken valt. 1°. om een voornemen uit te spreken gebruikt men den vorm des toekomenden tijds: têdoengà, ik ga slapen —— tjölönà, môlêà, èntarrà, op weg gaan, naar huis gaan, er heengaan. 2°. in ’t meervoud, als men zich voorneemt met anderen iets te doen, gaat meesttijds een woord van aansporing of van uitnoodiging vooraf: ajoe de dödjë, laat ons N oordwaarts gaan — tôrè padë longkoe, gaat zitten, als ’t u belieft. wordt door achtervoeging 3°. de vragende vorm der werkwoorden van a, of door het onveranderd werkwoord mëlêa? koo verkregen: pen? — ningkoeà bàq-ën? Wil je eens zien? ‘— Tèdoeng bâq-ën? Slaap je? — à lakô tieka? Werkt ge? In aanmerking bij deze tweeërlei uit drukkingen komen dus de verschillende tijden, waarin of waarvan men ‘

spreekt.

Opmerking verdient dat de Madoerees den vragenden vorm van het werkwoord meestal beantwoordt (natuurlijk wanneer zijn antwoord be vestigend is), door herhaling van dat werkwoord: Têdoengà bâq-ën? Ga je slapen? Têdoengà, (Ja, ik ga) slapen — ëmaq-ën bàdë? Bâdë. Is je vader thuis? Is thuis — Nakkanaq nòrò-à kappi? Nòrò-à. Gaan al de kinderen

mee? Gaan mee.

is,

28

’t

U

is

i

4

i,

e,

’t is

’t

Wanneer zijn antwoord niet bevestigend geeft hij dat te kennen door het woord poenten, neen, of met een omhaal van woorden, als hij een direct ontkennen minder juist, of minder veilig vindt. Wanneer hij echter den spreker niet verstaat, wordt deze gewoonlijk uitgenoodigd het gesprokene even te herhalen door het woordje non, of wat gerekter nô-n, welk dan in dien zin beteekent: wat belieft U? Ook wanneer hij geroepen wordt, antwoordt de Madoerees met dat zeer goed, woordje non. Non, ingki! wil zeggen: zooals u belieft; ja, terwijl ingki non! niets anders beteekent dan: jawel Mijnheer, of Mevrouw. 4°. worden de werkwoorden wel eens verdubbeld om aan te duiden dat iets veelvuldig plaats vindt: toktok-toktok herhaaldelijk kloppen — klêrô-klêrô, herhaaldelijk fouten begaan. 5°. Wanneer de veroorzakingsvorm aki en de overgangsvormen èn of nè gebezigd worden, deelen deze uitgangen niet de onder vermelde verdubbeling: labangà maq toktok-toktok aki bâè, er wordt herhaaldelijk maar op de deur geklopt — parlô-parlô aki, zijn werk van iets maken. 6°. Verdubbeling met een ontkenning beduidt: „volstrekt niet, geenszins, op geenerlei wijze“: taq tötti-tötti, dat gelukt volstrekt niet — sèngkô malëmà taq têdoengtêdoeng, ik sliep verleden nacht heelemaal niet — taq tao lòpotlòpot, op geenerlei wijze vrijloopen. intusschen ook een andere Om dergelijke zinnen uit te drukken het bijwoord wijze mogelijk, door eenvoudig achter het werkwoord sakalè te vermelden: taq tao lòpot sakalè, enz. 7°. Wederkeerige werkwoorden bestaan in het Madoereesch niet. Om die te verkrijgen, moet men omschrijven: Sampéan këtëmpôan heeft dat zich zelf op den hals gehaald —— Sèngkô ngëning thieri, thiebi lattiengà, ik heb mij aan een mes bezeerd -— dus door het gebruik van thiebi, thieri, zelf, zichzelf. Het wederkeerige der werkwoorden ligt of reeds in het werkwoord opgesloten, of men verdubbelt het, of men stelt den uitgang an er achter: ngatjâr, leeren, zich oefenen —— njôkor, scheren, zich scheren — njim— pang, zich op zijde begeven — tòkartòkar, tòkarran, met elkander kijven — tanjatanja, elkander vragen, navragen — longnòlong, elkander zich den mond spoelen. helpen — morkëmorran, Elkander helpen, het bepaald ondersteunen in eene of andere wordt door den Madoerees door het werkwoord werk, uitgedrukt ngatjâk (tjäkngatjàk), uitnoodigen‘om samen iets te doen, bijv. sawah’s beploe gen en beplanten, het opzetten van een huis, enz. waar vele handen licht werk maken.

BIJWOORDEN.

’t

’t

al

Bijwoorden‘van tijd worden nu eens vóór, dan weder achter het naar de nadruk dit vereischt: bâri onderwerp of gezegde geplaatst, hard — radjë òtjân bâri, hard regende òtjân radje, gisteren regende gisteren — èntarrà kèdi, er heengaan zal ik straks — kèdi èntarrà, straks zal ik er heen gaan.

29

Laq,

ampon,

reeds, gedaan, afgeloopen, komen vóór het gezegde: de deur is reeds opengemaakt — ampon i priksani,

laq i boekaq labangà,

onderzoek is afgeloopen. Bëloen, kgi bëloen, bëloen lakgi, nog niet, (op zichzelve reeds een geschikte uitdrukking) betreft het verledene wanneer het den zin aan neemt van: tot nu toe, tot dien tijd nog niet: Dötëng lôranà? Béloen. Is je baas gekomen? Nog niet, tot nu toe niet — Marè, apa sè i sòrò bâri? Bëloen lakgi. Is ’t klaar, wat ik gisteren gelast heb? Nog niet. Voor den zin van uitstellen tot later, doch in den tegenwoordigen tijd, gebruikt men alleen lakgi taq, kgi taq: I lakôni lakgi, kgi i lakôni, ’t is nog niet klaar, ik ben er nog aan bezig. „Nog niet” in verbiedenden zin vindt men bij de gebiedende wijs

het _

der werkwoorden. Tangè, kgi tangè, ’t zal lang duren, het duurt nog lang, ’t is er ver een of ander gebeurt, door het gezegde onmiddellijk gevolgd: tangè sè marêà, ’t zal lang duren eer ’t klaar is. Eenige overeenkomst met tangè vindt meh in het woord döma, dat meestentijds in ontkennenden zin wordt gebruikt: taq döma, zoover zal het wel niet komen — tot zoover zal het niet reiken— zooveel zal ’t wel

van dat ’t

i

’s

jij

niet kosten, enz. Sëkoetsëkoet (koetsëkoet), nu en dan, meermalen, bijwijlen — tao, wel eens — rangrang, zelden — sabëloen, niet eer dan — lakgi, nog, nog eens — phoeroe, nu pas —— kgëlâ, zooeven -— latjoe, marênà, marê èpon, toen, daarop, vervolgens — kala, baktô, toen, op dat tijdstip, komen allen vóór het gezegde. De bepalingen omtrent den tijd van den dag of van den nacht wor den dikwijls verdubbeld: maq siangsiang dötënga bàq-ën! wat kom laat! (op den dag) — Tjâ lëmmalëm bâq-ën ënëng loear! Blijf avonds niet te lang buiten!

Onder bijwoorden van tijd kan ook gerangschikt worden het woord blöka (blökatan, blökanan), hetwelk zich laat overzetten door „niet eens” (er sang bëngkô, hij geen kwestie van): taq tao èntar blöka komt niet eens een enkele maal bij mij thuis — Pêssè sadoewiet blökatan tadë, hij heeft niet eens één duit geld. Met de beteekenis van „bloot, alleenlijk, slechts”, behoort dat woord echter bij de bijwoorden van sòrò têdoeng blöka, nangis, bloot op den last van te omstandigheid: atjäk ka bëngkô sëkgëtjë blöka taq këlëm, gaan slapen, schreit ge — uitgenoodigd even mee naar mijn huis te gaan wil hij niet. Ook bijwoorden van plaats komen vóór of achter het gezegde, naar mate van den vereischten nadruk, alsmede in den vragendenvorm: Bâq-ën lakoena dënaq, kom morgen hier — Dënaq bâq-ën lakoena, kom morgen daariemand die gebak verkoopt hier — Bàdë sè tjoeâl tjàtjän kaissà, er — kaissà bàdë sè tjoeâl tjâtjân, daar verkoopt men gebak — Kadiemaq néérzetten? sè njabbë-à? Wáár zal ik het neerzetten? Waar zal ik Dennadruk doetmenuitkomenalsinhetNederlandsch ;inde voorbeelden dus op lakoena en dënaq, op tjâtjàn en kaissà, op njabbë-à en kadiemaq. ’t

is

i

i

i

is

‘.

30

„Hier” en „daar” worden ook veelvuldig gebruikt als „dit” en „dat“: kadient0q orèngà. dit (hier) is de persoon — kadiessà tjölönà, dat (daar

ginds) is de weg. Vele bijwoorden van plaats worden voorafgegaan door i, e, op, aan, in: i atas, bovenop — i addë, vooraan —— i bâbë, beneden — è dienaq, hier (op deze plaats). .

Voor plaatsnamen en stellige plaatsbepalingen laat men i vooraf gaan: i Blindoengan, i Bësôkè, í Phöngër, i Kempoeng, i Sorbàdjâ, te Bondowoso, te Besoeki, te Probolinggo, te Pasoeroean, te Soerabaja i rôma, te huis, in huis —i médjà, op de tafel — i bëngkônà toean anô, bij den heer N. N. Aangaande een zaak, welke reeds besproken of bedoeld was, of in antwoord Panèka op een vraag, gebruikt men voornaamwoorden: orèngà, hier is die man, die persoon — Laq i têmoe? panèka pënapa, hebt je ’t al gevonden? Hier is het — Kadientoq pënapa, hier is het —— Triapa (aria apa), aroeapa (aroewa apa), panèka pënapa (panèka pëna), ‘

hier, daar is het.

i

I

i

’t

is

i

is

i



’t

,

jij

jij

Ook èpon laat zich bezigen met bijwoorden van plaats en met voor doch dan natuurlijk in de beleefde taal (K): Panèka naamwoorden, is de man — Kadientoq èpon, hier — i diemaq sè à hier orèngà èpon, monjê tap0ean? I bëngkônà Man Ebing èpon, vanwaar ’t geluid van ' dien gamëlan? in Paq Ebing’s huis. De bijwoorden van plaats, welke een richting aanduiden, zijn kà en dë: dëmaq-à bäq-ën? Kà songaj, waar ga naar toe? naar de rivier — voor drukte? Ik ga (zal Apa parlônà? entarrà kà toean, wat hebt gaan) naar Mijnheer — dë dödjë-à, naar het Noorden, noordwaarts. Ook wordt de richting aangeduid met de namen der windstreken, eveneens dienende om de ligging van plaatsen te bepalen: dödjë, Noord — lao, Zuid — bàrrë, West — têmor, Oost, voorafgegaan door i,ika of de. Er onderscheid in het gebruik dezer drie woorden: iets, dödjë bepaald om de Noord gelegen —— kà dödjë, om de Noord gaan, met iets zekers, dat men niet ver zal afwijken — dë dödjë, iets onzekers, iets onbepaalds‘ waar men ergens om de Noord belanden zal. Is men echter Zuidwaarts gegaan en men keert terug, dus naar de Noord, dan zegt men ook de dödjë, doch dan zijn spreker en hoorder er evenzeer van over— ’ tuigd, dat de eerste zijn huis wel niet zal voorbijgaan. afscheid nemen na een visite, bij naar huis gaan voornamelijk, Bij gebruikt men ook menigwerf de namen der windstreken: ki (ingki) am pon kaolë de têmor, genoeg, als we klaar zijn, ga ik om de Oost —— têmor lao-ën bëngkô kadientoq, waar zult ge diemaq namënà pökô? tabak planten? ten Zuidoosten van mijn huis — Samarang taq bârrë ënà Sorbàdjâ? Ligt Semarang niet ten Westen van Soerabaja? — Iejà, marênà Kediri lao-ën, Ja en Kediri ten Zuiden. Als bijwoorden van hoedanigheid laten zich alle bijvoegelijke naamw. gebruiken: 'ngakan banjaq, sakônè, rakos, veel, weinig, gulzig eten — nôlis sala, fout schrijven — lakô pëndër, juist, goed werken.

31

’t

zij

In sommige gevallen, ’t meest om den nadruk, komen vóór ge zegde: pas lëkas ontoer, toen verwijderde hij zich snel — tjè këphoeroe, sè èntarra, zéér gehaast er heen te gaan. Ook’ in de gebiedende wijs komt het bijwoord voorop: këpàti tjölön! _ga wat vlug; stap wat aan! Bijwoorden van hoedanigheid worden ook verkregen door achter het werkwoord an te voegen: tjongklängan, galoppeerende —— lontjaqan, springende.

Bijwoorden van omstandigheid als: toelat, ontong, toedjân, gaarne tjôma, përtjôma, ning, tevergeefs, slechts — pade, missanmissan, tegelijk — bàè, biesaos, slechts, alleenlijk, niets dan — tappè, anning, nganning, maar — tamtô, minstens, stellig —_ latjoe, marênà, pòlè, mare èpon, voorts, nog, weder, enz., enz., ontvangen hun plaats in een volzin, al naar de nadruk het vereischt. Wij mogen niet nalaten op de uitspraak van het in de lage taal voor‘ komende woord „slechts, bàè” het oog te vestigen. Het een der moei lijkste uitdrukkingen, waarover vele Europeanen struikelen, niet alleen van wege het woord zelf, doch ook omdat de Madoerees het soms zóó verbastert, dat het hem na te zeggen bijna ondoenlijk wordt. Uit een taalkundig oogpunt „bâè“ het goede woord, bijna uitgesproken als het Engelsche „boy“, doch holler en dus de eenigszins hoorbaar. Men maakt er in de spreektaal verder van: bàèn, phàè, phâèn, vàè, vò. In de beleefde taal zegt men biesaos, dikwijls verkort tot saos. Pòlè, nog, nog eens, weder, opnieuw, voorts, heeft ook de beteekenis van: veel meer, veel meer nog, hoeveel te meer: sèngkô èntar pòlè, ik er opnieuw heen! — pôlè èntarrè pôlè! Ga ga er weer heen — Maq bâdë orèng tjâbà, voorts waren er Javanen —- ëngkô taq toa matja, nôlis pôlè . . . ., ik kan niet lezen, hoeveel te meer schrijven . . . . (veel minder sòrò tjölön schrijven) —- Orèng tjè sakè-ën, taq ngëning mantjëng, i

i

je

a

is

is

——

i

je

i

is

zeer ziek, kan niet overeind komen, hoeveel te meer pôlè...., De man nog als men hem gelastte te loopen! Pòlè laat zich ook verdubbelen en heeft dan de beteekenis van „steeds, voortdurend, herhaaldelijk“: pôlè-pôlè bäq-ën tëmoe têdoeng, steeds vind ik trang aki, nog eens en nogmaals slapende — pôlè-pôlè verduidelijkt. (Men vestige de aandacht op de „accents“, welke de ge‘ sloten en open lettergrepen en hier dus ook den vereischten nadruk

al

’t

je

ja

aanwijzen). Bijwoorden van wijze (modaliteit) hebben als die van omstandig heid geen vaste plaats in de volzinnen: ieja, ingki, ëngki, ja, jawel — ongkoe, ongkoean, voorzeker, waarlijk, wezenlijk —— orèng, taq, immers — Njà, ’ntën, poenten, neen, — tadë, sôboeng, niet, geen —— ra, mëna, toch —— amè, pengara, waarschijnlijk, misschien, wellicht, van plan zijn — tamtô, zeker, wel, enz., enz. ware het ja, wordt ge Tjë ieja, tjè iej, tjë ingki, laat het zijn, kan me niet schelen; bruikt in den zin van: laat maar; doe maar; dat gaat me niet aan; ik trek me er niets van aan.

32

VOORZETSELS. Wij deelden reeds vroeger mede, dat de Madoereesche taal arm is aan voorzetsels en bij de werkwoorden, enz., werd bereids aangetoond op welke wijze ze vermeden worden. De meeste voorzetsels, welke betrekking hebben op een plaats of een windstreek, worden vertaald door de namen van de plaatsen, of van de windstreken, voorafgegaan door i, i addë, voor, vooraan — i boedi,

achter, achteraan, achterop — i médjà, op de tafel — i goedang, in de schuur —i dödjönà, ten Noorden —i Sorbâdjà, te Soerabaja, enz. Kà, naar, duidt een richting aan: ka têmor, naar het Oosten, oost waarts —-- kà passar, naar de markt. In vele andere gevallen heeft het de „ beteekenis van „aan .

OPMERKING. Behalve deze beteekenissen heeft ka nog een andere en wel die om uit te drukken wat men van plan is met ’t een of_ander te doen, op welke wijze iets zal gebruikt worden, enz. bijv.: I kà arapà? Wat wil je er mee doen? I kà kadjoe. Voor brandhout gebruiken. I kà bli paddi. Ik wil er paddi voor koopen. I kà kgöngan. Voor groente doen dienen. Ban, këlabân, sambi, „met“, dienen tot verbinding van twee zelf enz. Zij worden ook gebe voornaamwoorden standige naamwoorden, zigd tot het vormen van het meervoud bij persoonlijke voornaamwoor den (zie aldaar), en tot het verbinden van twee werkwoorden, waarvan het tweede een andere handeling dan het eerste aanduidt (zie bij werk woorden).

„Met“ voor de uitdrukking van iets, dat hij iets anders behoort, verkrijgt men door het gebruik van sa vóór het vergezellende: sa bienê anaq‘ën, met zijn vrouw en kinderen, hetwelk dan eigenlijk de beteekenis naamwoorden vermeld heeft van datzelfde sa, onder de bijvoegelijke voor het Nederlandsche „geheel“. Voor „zonder“ heeft men geen bepaald woord. Het wordt veelal vertaald door „niet, is niet“, doch het duidelijkst is een kleine omschrij ving bij het spreken of een kleine omhaal van woorden: taq ngèbâ pêssè, ik ben zonder geld — kêrakêra tötti mong taq orèng banjaq? Zou ’t veel menschen? aan, in“, met opgaaf van hoeveelheden of maten, worden uit gedrukt door achtervoeging van an achter die hoeveelheid of maat: pèkôlan, bij de pikoel (125 pond) — kattèan, kattiesgewijze, bij het katti -— tòkëlan, pòtongan, aan, in, bij stukken, per stuk. Men (11A pond) vergelijke hiermede het medegedeelde omtrent den verkoop met aan duiding van het muntstuk enz. onder de telwoorden. „In, aan“, ter aanduiding van overvloed of gebrek wordt eigenlijk niet vertaald: sôki anaq, rijk (aan) kinderen — korang pakanënà, ge— brek (aan voedsel). In gemeenzame termen echter gebruikt men daar— gelukken

„Bij,

zonder

33

voor ook: taq korang, niet te min — taq Ôtang, geen schuld. De werke lijke overzetting moet echter „aan of in” blijven: songaj ria taq korang tjoekoq, deze rivier is rijk aan visch — Pêssè tampas taq ôtang, geen gebrek aan kopergeld. „Om, in een zekeren tijd”, met de opgave van keeren en hoeveelheden voor dien tijd bepaald, wordt eveneens niet vertaald. Men gebruikt daarvoor sa, een of sapën, ieder: sa ëtjam tëlô kalè, om ’t uur driemaal — sapën doeà arê, om de twee dagen. De plaatsing der voorzetsels is vóór het woord of vóór de woorden,

waarop

de

betrekking wordt aangeduid.

VOEGWOORDEN. Bij een eenvoudige verbinding van personen of zaken, welke bij elkander behooren, wordt het voegwoord „en” (of het daarmede over — eenkomende) niet vertaald: lantjàngà lébârà, de lengte en de breedte — — radjë kènè, groot en klein siang malëm, bij dag en bij nacht ëmaq ëmboeq, vader en moeder. „Of“ hebben wij reeds ontmoet hij de vragende voornaamwoorden en wordt vertaald door apa, ënapè, penapa: tanja aki apa laq mëndâng, vraag of ’t reeds voldoende is — N gakô mëna, pënapa salanà sampéan, pënapa poenten! Beken toch maar, of ’t uw schuld is of niet! Men laat het echter dikwijls weg in twee tegenovergestelde, als këlëm taq këlëm? willen of niet vragend uitgedrukte onderstellingen: willen? — èntarrà, njâ? Zal hij gaan of niet? „Of, hetzij, dan wel”, is ôtabë: jëria ôtabë jèroea sè ngala, deze, of, dan wel die heeft het gehaald. Dit woord wordt ook in de lage taal ver vangen door tjë: taq tao tjë biroe tjë pôtè, ik weet niet of ’t blauw is dan wel wit. „En“ met nadruk wordt uitgedrukt door këlabân, bàn, sambi, bi, enz. (Zie woordenlijst en vorming van het meervoud van enkelvoudige persoonlijke

voornaamwoorden).

„Als” in uitdrukkingen: zoo groot als, zoo fijn als, zoo dik als wordt weergegeven door sa of sà als voorvoegsel: sa-radjönà karpoej, zoo groot, zoo dik als een buffel — sa-alossà sôtra, zoo fijn als zijde. Letterlijk zegt men dus: een karbouwen-grootte, een zijden-fijnheid. „Daarom, derhalve, deswege”, wordt vertaald door mêla, môlanà, mêla, de reden dat, de reden van: Môlanà sèngkô taq èntar sang anaq bienê sakè, daarom ben ik niet gekomen (omdat) mijn dochtertje ziek is. Op zichzelf uitgesproken_beteekent môla? Zou ’t waar zijn? en môlanà, dat is de reden, daarom? Voor bovengenoemde woorden bezigt men ook mangka, zoodat, de reden waarom. Mangkanà heeft dezelfde beteekenis als môla. Daarom, ik heb je ’t wel gezegd. Het voegwoord tapè, anning, doch, maar, wordt dikwijls weerge geven door doe of adoe: à tjântji entar adoe taq èntar, beloven te gaan, 3

34

doch niet gaan —- Tjaq-ën tëlô doe ning sètong, hij zegt drie doch (er is er) slechts één. Anjama beteekent „omdat, dewijl, daar”: Kaolë taq böngal, anjama kaolë orèng kènè, ik durf niet, wijl, daar ik een kleine, geringe man ben. Voor nauwere en daardoor sterker luidende verbindingen bezigt men pòlè, sarta, sambi, apa (pënapa) pòlè, welke dan allen de beteekenis verkrijgen van „bovendien, daarenboven”. Ter vervolging van het gesprokene of geschrevene, of om den afloop van iets te kennen te geven, gebruikt de Madoerees: latjoe, marènà, marè èpon, vervolgens, daarna. In den verhaaltrant is hij eenigszins vermoeiend aan te hooren door het herhaaldelijk voorkomen van latjoe of marèhà. Wanneer hij stokt en de nieuwsgierigheid heeft gaande gemaakt, hoort men ook bij het Madoereesch auditorium, (als bij het onze met: en toen? en toen?) het woord marènà? tot een aanmoediging om toch te vervolgen. Marènà, onverschillig vragend uitgesproken, kan men vertalen door: wel nu? wat zou dat? vervolgens?

TUSSCI‘IENWERPSELS. Wij! de Madoereesche taal vrij rijk is ten opzichte dezer redewoor den, kunnen ze gevoeglijk in eenige categorieën verdeeld worden: 1°. van verwondering: lä, abëra, bâdë, abbô (bô, bôs), môla, èmboq, anô, mënga. 2°. van bewondering: maq, maq ..... këloe, ongkoe, ongkoean, ëm boq-ëmboq, pjè pjè, adoe, tjè ..... 3°. van pijn: adô, adoe, athoe, athoe ëmboeq, athoe ëmaq, pè pè. 4°. van medelijden: êmannà, nèssëra, kasta. 5°. van voorzichtigheid: sèngaq, laonan, tèatè. 6°. van verveling en wrevel: pò pò ka, laq ra, pà pà, mangkönë ..... 7°. van opwekking: ajoe, marra, nathë, tôrè, ajoe ra, nathë na, tôrè pëna. 8°. vragende: iejâ,ingki,taqiejâ,taqingki,bërëmaq,dërëmaq,marènà. 9°. van onverschilligheid: tienaq, tiekël, tiengkël, tjë iejä, matëà,

tar. ‚ van geluid nabootsende klanken: tjëplas, tjëplos, talpos, tal pok, tjëtartjëtèr. Het behoeft geen betoog, dat, wanneer dezelfde woorden voor ver verschillende uitdrukkingen worden gebezigd, de uitspraak zich naar de genoemde categorieën wijzigt. Adoe! van bewondering en adô, adoe! van pijn, verschillen derhalve uitermate veel. Daar de naam aanduidt, waar de tusschenwerpsels in de volzinnen te vinden zijn, behoeven wij daarover in geen andere opgaven te treden, terwijl de vertaling het best is overeen te brengen met de volgende N ederlandsche gezegden: 1°. là, abëra! kijk nou! — bàdë! (de eerste lettergreep gerekt uit te spreken) daar is nu! ’t is verwonderlijk! — abbô (bô, bôs)! zie, kijk! pöngkà-à, 10°.

-

35

zou het....! ëmboq! wel, wel! — anô! dat kun je mënga! daar sta ik verwonderd van! 2°. maq! maar ..... ! — maq ..... kiloe! maar dat is zeer ..... ! maar dat is te ..... ! — ongkoe, ongkoean! wel stellig, waarachtig — ëmboq-ëm boq! je zou zoo zeggen; ’t is erg hoor! — pjè pjè, adoe! wel wel, dat is ..... ! — tjè ..... ! zeer ..... ! 3°. hebben allen de beteekenis van: ai! wat doet me dat zeer! 0 7 pas op! nagaan!

wat

een

— môla....! ——

pijn!

4°. êmannà, nèssërà!

berouw,

spijt,

ik heb

5°. sèngaq!

er

’t is zonde! arme duivel! och, arme! — kasta! spijt van.

denk erom!

——

laonan!

zachtjes ’

voorzichtig!

aan!

-tèatè!

pas op!

jij

allen beteekenende: schei er toch uit! hé, wat ben vervelend! mangkönë ..... ik zou in staat zijn ..... 7°. beteekenen allen: toe! kom! komt! het zoo? — taq iejâ, taq ingki? niet waar? 8°. iejâ, ingki? Ja? zoo niet? — bërëmaq, dërëmaq? hoe, wel hoe dat? —— marènà? en 6°.

is

is

’t

is

,

behalve

toen?

je

je

je ’t

!

!

9°. tienaq, tiekël, tiengkël! laat maar! —— tjë iejà, tjë iejl best, ’k trek me er niets van aan! —— matêà! ik moge bezwijken! — pöngkà-à! ’k mag dood vallen! —— tar ..... èntar ..... zou het, zou hij ..... 10°. tjëplas, tjëplos! als nabootsing van klappen met de hand — talpos, talpok! van iets dat op den grond valt —— tjëtartjëtèr, van een zweep waarmee men klapt. Er blijven nog drie woorden ter vermelding over, welke moeilijk onder een der tien soorten te brengen zijn, nl.: egôa, gôa, zóó, op die wijze spreekt, zegt men, zeg ik, zeggen zij, enz. zeer dileijs verkort tot welk eigenlijk betee kò of langgerekt uitgesproken kô. 2°. tëtangkgönà, kent: bent verschrikkelijk. buurman! fopt me niet! en 3°. phörë! Het eerste woord wordt gebruikt om te verzekeren dat ik, of een

je

je



is

is

is

je

is

i

ander, of anderen, op deze of gene manier heb gesproken; om iets aan te duiden, dat men als een gerucht hier of daar heeft gehoord: parrèngi ëmpaqjègôa? hij heeft er vier gegeven, zoo zegt men (heb ik vernomen)? -— marènà Sèngkô èntar kà bëngkônà, tadë egôa, vervolgens ging ik naar zijn huis, daar was hij niet, zoo z'eide men —— Bienênà pattinggi mattè, ègôa! Men zegt, ik heb gehoord, het gerucht wil, het praatje gaat dat de vrouw van het dorpshoofd dood is! be 2°. Tëtangkgönà, te vertalen door: dat kun tëtangkgön! niet lachen! buurman hoor! dat moogt ge anderen grijpen! nou moet wijs maken! een der sterkste woorden om uit te drukken, dat men 3°. Phörë een ander in den hoogst mogelijken graad vervelend, verschrikkelijk of onuitstaanbaar vindt: Phörë anaq jërè! dit kind (in de hoogste mate) —— Die vent Phöré rè! onuitstaanbaar. verschrikkelijk! orèng

.

36

GELDZAKEN. Men weet, dat sedert eenige jaren in Nederlandsch-Indië halve cen ten, centen en 21/2 centstukken zijn ingevoerd, ter verwisseling met en ter latere vernietiging van de halve duiten, duiten en tweeduitenstukken. De Madoerees, vooral de binnenlander, kan zich eigenlijk met die nieuwe koperen pasmunt nog niet geheel vereenigen.

Van geld sprekende volgt hij nog steeds de oude sleur, bekend onder den naam van „zilver en koper” en bedient zich steeds van termen, nog op den ouden tijd betrekking hebbende, natuurlijk met dien verstande, dat hij het koper- en niet het zilvergeld bedoelt. en diergelijke werden De boeken van landelijke ondernemingen vroeger in „koper” gehouden en sprak men van iemands verdienste, dan meende men zoo en zooveel guldens „koper”, guldens van 100 duiten, terwijl 120 duiten een zilveren gulden uitmaakte. de tijdgeest vorderde het; doch de „binnen vasthoudend als hij is aan voorvaderlijke gebruiken, landsche” Madoerees, dien veel van niet bemerkt tijdgeest, of —— houdt zich er zooveel moge

Dat is nu veranderd,

lijk

buiten.

2

1

1Á‘‚,

6

(3

5

(6

3

zij

Vandaar dat hij zich vastklemt aan de oude koperen munt en dat hij met de nieuwe niet vertrouwd kan raken, temeer nog wijl de slijters op de passars, enz. niet veel meer voor een halven cent of 1 cent geven dan hetgeen vroeger voor een halven duit of voor een duit afstonden. Wat de 2% centstukken aangaat, omdat die duiten vertegenwoordigen, cent zijn ze vrij wel gewild en, moet‘men voor duiten) koopen, of en6 duiten), voor 10 cent (12 duiten), of voer halve, 12 halve centen dan gaat dit oók wel. Het lijdt echter geen twijfel of de mindere man, centen inkoopt, cent, cent, die zijn dagelijksche behoeften per lijdt bij de verwisseling schade, altijd wat de koperen pasmunt bij zeer betreft.

kleine uitgaven

vrouwtje naar een kraampje gaat ter inkoop van komt iets later een ander om duiten olie, dan, verze zal de of liever de keren wij, gekochte, ontvangen hoeveelheid, bij de twee koopsters wel niet veel verschillen, ja, er bestaat veel meer kans dat die hoeveelheden gelijk zijn. Hoewel de oude koperen munt niet meer „officieel” gangbaar is, het aan het Gouvernement, al heeft het daarbij de grootste welwillend heid betracht, niet mogen gelukken ze uit te roeien. Vandaar dat er nog vele jaren zullen verloopen, vóór de oude munts benamingen van het wereldtooneel zullen zijn afgetreden.

is

centen olie en er

2

een

2

Wanneer

I.

is

Zoo schreven Wij vroeger en onze voorspelling, dat er geruime tijd moest ’verloopen vóór de oude koperen munt van het wereldtooneel zou uitgekomen. verdwijnen, Gouvernement, het wachten moede, heeft eindelijk den Het N. Gordiaanschen knoop doorgehakt en bevolen dat de duiten en kobangs

37

cent

50

,‚

1

30

„ „ „ „ „ „ „ „ „

2

11/2

3

21/2

10 15 25

f

60

1.—

„ „

1.10



2.25

1.20

„ 2.— „ 2.50

„ 3.— „ 3.60 „ 4.—







satenga sèn. — sasèn. — doeâ tenga sèn. — doeâ sèn. — tëlô doewiet, of: sadiebër. — tëlô sèn. — sa tji. — sa tji lêma sèn. -— satalê. — tëlô tji. — sa sôkô. — sa sôkô sa (ënam tji).

— — — —

+ —

——

tji

1/2

binnen zekeren tijd niet meer als gangbare munt mochten worden ge bruikt, terwijl tegelijkertijd de gelegenheid werd aangeboden ter inwisse ling van de oude met de nieuwe koperen munt, of met zilver. Het bezit en het uitgeven van oudere koperen munt na den voor het inwisselen bepaalden termijn, werden strafbaar gesteld. Die inwisseling heeft zonder stoornis plaats gegrepen en van oude duiten e.a., is nu geen spoor meer te vinden. Dientengevolge zijn de vroe en uitdrukkingen eenigszins gewijzigd gere benamingen en vervalt daardoor een groot gedeelte van hetgeen wij in den eersten druk van deze handleiding daarover hebben medegedeeld.

sa djempël.

tji. tji.

sa djempël

sa

sa djempël

doeà‘

sa réaal sa réaal sa

(ook wel: sa léar). sa talê‘.

ringgit (ook: lêma sôkô).

ënam sôkô. ënam sôkô sa tji. doeà réaal. enz., enz. Hoeveelheden boven de 2.— worden liefst door den Madoerees in berekend. Terloops nog medegedeeld, dat de niet verlichte „réaal“ Madoerees een bepaalden afkeer heeft van papieren geld. Die afkeer komt voort uit de wetenschap, dat zulk soort van geld in zijn handen en dan geen waarde meer heeft. spoedig beschadigd een zijner „cauchemar’s“, waarmede hij Papieren opbergen liever anderen dan hem belast ziet. —— 5.— sapôlô sôkô (doeà ringgit). — sablâs sôkô. „ 5.50 — sablâs sôkô sa tji. „ 5.60 — tëlô réaal. „ 6.— — ëmpaq tenga réaal (de vierde réaal half). „ 7.— —— tëlô ringgit. „ 7.50 — è’mpaq réaal. „ 8.——

f

is

is

zij

f

— —

38

f

9.-—

„ „

10.——



20.-—

15.—

„ 35.— „ 144.70

— — — — — — — —

lêma tenga réaal (de vijfde réaal half). lêma réaal. bàlloeng tenga (de achtste réaal half). sapôlô réaal. bàlloeblàs tenga. pètong pôlô doeà réaal sasôkô doeâ tji.

bàlloeng pôlô bàlloeng tenga. satos korang sapôlô sôkô. —- satos réaal. enz. enz. De zich bij het zilvergeld bevindende koperen, en dikwijls ook de zich daarbij bevindende zilveren pasmunt wordt menigwerf aangeduid door „poentjoel“, plus, benevens, daarbijbehoorende, te doen vooraf gaan: sa djempël satalë poentjoel lêma sèn is dus f 1.30, enz.

„ 175.—— „ 195.— „ 200.—

Nadruk, stembuiging. Het is duidelijk dat een taal, welke, met Europeesche talen verge leken, arm is aan woorden, bijgestaan moet worden met nadruk. Die nadruk wordt verkregen door stembuiging en daarin munt de Madoerees uit, hij streeft daarmede den Arabier op zijde. werden ver Geene der categorieën, waarin de tusschenwerpsels deeld, geven hem eenige moeite. Ook die stembuiging wordt den be oefenaar van het Madoereesch ter studie aanbevolen. Recht jammer mag het heeten, dat de schrijfwijze der inlandsche talen zooveel te wenschen overlaat en men geen teekens daarbij aan treft, waarmede verheffing of daling der stern wordt voorgeschreven. Vandaar dat de inboorling leest als de boerenjongens in een dorps school, of zooals men hoofdstukken uit den Bijbel wel eens hoort voor dragen, d.i. op één en denzelfden toon, droog, langzaam, half zingend. Wij kunnen met onze zin- en scheiteekens volkomen aangeven, hoe wij het door ons geschrevene wenschen te hooren voordragen. In ’t spre— ken is ’t of wij diezelfde teekens ook gebruiken en de vereischte nadruk blijft nooit achterwege.

In het laatste geval alléén echter verkeert de Madoerees. Ofschoon het gros der bevolking lezen noch schrijven kan, spreekt en redeneert men, alsof men te bevelen had over een boekdeel zin- en scheiteekens. De gewone nadruk valt, op eenige weinige uitzonderingen na, op de vóórlaatste lettergreep: amboeng, schimmel — tapoengan, aanhechtsel, lasch —— kgoekgàt, aanklagen — tatjëm, scherp. Verdubbelde (herhaalde) woorden behouden den nadruk, welken alléén vereischen: diemaqdiemaq, waar ook, alom — bien staande, zij, — saksêsaksê, de getuigen. de sterren tang-bìentang,

39

In dit zelfde geval verkeeren de verhogen of vervoegde woorden: tjölönà tjè rèkongà, de weg is erg hobbelig —— ëngkô i èntarrè bàri, ik ben er gisteren geweest —— përtôlongënà, zijn hulp. Laat de Madoerees bij zulk een wqordherhaling de eerste letter greep van het eerste woord weg, dan vergeet hij toch den nadruk niet: kierpingkier, aan den rand —— mangtômang, de ovens —— koenpakoen, consequent

—_ ratsôrat,

de brieven



doengkôdoeng,

de deksels.

wordt, evenals in ’t Nederlandsch, een andere beteekenis van dezelfde uitdrukkingen verkregen. Wij haalden onder de en bijwoorden daarvan reeds een paar voorbeelden aan. werkwoorden Hierbij volgen een paar andere: Maskè bäq-ën, maskè laèn à printa, taq kêra norrò: met den nadruk op de eerste vier woorden beteekent dit gezegde: A1 waart gij het, al ware ’t een ander, die bevelen geeft, ik ben niet van plan die op te volgen. Laq mare sêram i këpoen? Zijt gij gereed met in den tuin te be Door

de stembuiging

gieten?

Laq mare sêram i këpoen? Hebt

ge al begoten

in den tuin?

De Madoereezen hebben ook de eigenaardige gewoonte om, ter of bij verwondering over iets, de vóórlaatste lettergreep overtuiging, aan te houden. Men hoort dan de rest van hetgeen ze nog te zeggen hebben, een oogenblik daarna: Döööööötëng laq! pengara i kònèaaaaaanà! Kijk, bij is al gekomen, ik was nogal van plan hem af te halen! Maq taq i èntaaaaaarè! Waarom ga je er toch niet heen! ‘ Maq raaaaaadjë! Wat is dat verbazend groot! Maq tôtti sèèèèèèèngkô i sòrò? Waarom word ik nu juist gelast? Hetzelfde kan plaats hebben met een- of tweelettergrepige woorden op een klinker eindigende of daarmede aanvangende: Tôrè pënaaaaaa, kaq! Och, toe dan, broer! èntarrè raaaaaa! Ga er dan toch heen! aaaaaanô! Kom, ben je gek! ’t Is toch niet waar? à ieieieieieiejà! Wel stellig! Hoe kun je dat nog vragen! Men hoort dat langgerekte ook bij medeklinkers. Lè-èrrrrrà sè i pottong! Den hals heeft men hem afgesneden! Dikwijls ook smelt men de twee laatste lettergrepen ineen. Wij! de nadruk op de voorlaatste dient te vallen, doch welke nu één is geworden met de laatste, komt dus op deze de vereischte nadruk: Tjërêtaan (tjërêtanà) maq bàdë phâè, hij heeft altijd zoo’n vertellinkje — kôpien (kôpinà) maq tjè bàkoesà, wat is die koffie mooi! Het gebeurt ook dat een woord in een ander vloeit: Sapandi? voor Sapa andi?Wien behoort het? —- Pëngangkoejà i sabbi (i sabbë i) lamari. Zijn kleeren heb ik in de kast gelegd — Kaddë (kà addë), naar voren,

vooruit. Bij woorden met gesloten lettergrepen, bestaande uit een kort uit gesproken klinker, rekt men de uitspraak zonder geluid te geven en laat

is,

40

al

zij

is

’t

i

is ’t

dan, wanneer de be- of verwondering wat over de laatste lettergreep van het gerekte woord, als het ware, vallen: bërsè ..... èn ampon! Wel zeker schoongemaakt! maq ngè ..... kè! Wel sakkerloot, hij bijt. maq nòrò ..... à! Waarom zou ik meegaan! maq taq èngaq ..... al Waarom zou ik er niet aan denken! Gewone spreken van een Madoerees, doch vooral als hij iets een voortdurend verheffen en dalen der stem. Tot levendig vertelt, aan het deel van den zin, waar men aanhoudt en dus de attentie opwekt, daarna daalt en in haar gewone gaat de stem „crescendo“, terwijl stelling

terugkeert. door die stembuiging hij in staat om, zonder veel woorden te gebruiken, zijn meening behoorlijk uit te drukken, even goed als Europeanen dit met hun rijke talen kunnen doen. Tot besluit kunnen wij daarvan wel eenige voorbeelden neerschrij ven, welke natuurlijk vrij vertaald moeten worden: Maq mòsè bâèn! Je kunt toch geen oogenblik stilzitten! Tjökgö ra! Sta dan toch op, kerel! Padë sarmô. Zij leven in vriendschap met elkander. Padë sòkër. Zij zijn elkander niet vriendschappelijk gezind. Kan me niet schelen of ge weggaat of niet. Ontoer, ontoer, ka! Irsit, ral! Schuif dan toch een weinig op zij! nu eigenlijk niet genoeg zijn? Taq laq laq? Zou Tjà rò-nòrò! Ik weet niet waarmee bemoeit! Tjà rô-arô! Praat niet mee, wat weet ervan?! enz., enz., enz. je

je

’t

’t

is

Juist

PARÊKAN. (MADOEREESCHE RIJMELARIJ).

Njangmanjang njarê taboeân Mannjaman njarê kaêboeàn. Bielë

passarran? Emboeq-ën kgielë, tjarkatjarran. Sëdödjë

I kakan



sakalahgkong bödjë karrè bangkong.

Sappê bientang kadjoe këmonning Sôpè biekan kaole taq onning.

Paq këmpong paddi kgökgö Sala ningkong taq ngëning tjökgö. Blindoengan Bondowâssa tiloe maq ôlè kôbàssa.

Têdoeng

Këlôpaè Nassè taq i plappaè. Sa doewà tëlô ëmpaq Massaq toewà tjôloq ngompaq.

Klëngngër taq èngaq Matte taq ôdi Malëm

taq à tana.

Lakè taq andi. Tjoeàl mienjaq sapaèssan Tëlobang ngabang ka aèng Mong èngaq tjâ tangissan Saboelàn

tadë à maèn.

0.... O... 00. O. O

WOORDEN LIJST. A. Aafsch, omgekeerd, songsang,kòròng, i phöliek, tëbàli. aaien, ngossap. aal, ôling. aalfuik, boeboe.

-

aalmoes, obâng i bri orèng miskin, pètra, töna. aalmoezen vragen, poeroe maèn, ngëmis. aam, ëtang radjë. aamborstig, tëpëkgö. aan, kà, di, i, e. mij, kàîsèngkô,kà boelë,kà kaolë. hen, aan hem, ka djëria, kà ka dientoq, kà panèka, kà kantja

-



-

jëria. tot aan, napa, nanthoek, lij, è bâbë angèn.

mijn zijde,

phörëng boelë, sarëng kaolë.

kangsè.

sèngkô





elkander, phörëng, kaphörëng. boord, i kapal. stukken, laq (ampon) rossak,bëlâ, lëssaq. bovenaan, i atas thiebi,—sakelè. — onderaan, i bàbë thiebi,—sakalè. buitenaan, i loear-ënà. aanaarden, ngôrok, njarpoe. aanaarding, pangôròkan tana. aanbakken, potton, à krè. ’

-

aanbeeld, paron. aanbeeldsblok, patòdjoe-ëna paron, sôkônà paron. aanbehooren, andi, kagoengân. aanbelang, perkara radjë, parlô. aanbelangen, ming, ting, däri, mong, ngamong. aanbellen, lontjèng, napoe lontjèng. aanbetrouwen, përtjadjâ. , goederen, mëtôrô.

-

aanbevelen, ngalëm, pòtji. aanbidden, bidden, sëmbàdjâng. aanbieden, bri, ngèrèm, tjoeloe aki, ngatër aki, à tjaos. , zich, — ngatëp, à tjabies. aanbijten, ngèkè, ngiskis. aanbinden, kaè, talè-è. aanblaffen, blaffen, kgaong. aanblazen, njërop, ngèpaj. aanblijven, tiengkël, tros, taq amboe. , niet verdooven, kgi òdi.

-

aanblikken, manthëng. aanblinken, blinken, ngërênap. aanbod, tjantiân. aanbonzen, tà-antor, tàpëntor. aanbouwen, kgöbâj, njampoet. — , een huis, kgöbàj bëngkô, matëk bëngkô. — , bijhouwen, lèbärèn, radjë-èn, njèmboe. aanbranden = aanbakken. aanbreken, de dag, para siang, pôtê ' ‘ têmor. , komen, dötëng, napa, nanthoek,

-

ngombär. aanbrengen, ngèbà, ngatër, a pëkta. — eener zaak, perkara aki,kgoekgàt. — , klikken, mëmatoel. aanbrullen, a drëng, ngêrô. aandacht, ngêdieng, èngaq-an. aandachtig zijn, djögö, èngaq, ngatè atè.

-

, ijverig, pötjëng, pöntër,tjakang. aandeel, bâgiân, toe-oemân. aandenken, thanthà mata. aandienen, atjäk massoq, ngébâ

-

lepoe. ‚ spijzen,

böta.

iemand—‚ngèbàngatëp,pënga-‚ tëpan. ,

AANDOEN.

AANHOUDEN.

aandoen, ngangkoej, thànthän. tötti, kgöbâj. , veroorzaken, , leed-, njiksa. , een plaats, njëpër, njaphë. aandoening, rassanà atè, sossa —. aandraaien, môtër. , een meer, sëkënè òlèran.

-

-

— ,

-

= dragen. ‚ aandrager, kôli, orèng

à lakô.

aandrang, pëmaksa-an. aandrentelen, à tjölön laonan,

tjölönà.

alos ‚

aandrift, panas atê, tërô, nëpsô. aandrijven, nopen, maksa. , aansporen, njëlëk. , een kudde, kgirieng. , als een vaartuig, ngambäng,

-

lanjô. aandringen,

maksa, kgângkgoe. aandrukken, tapët, tëkët, tjétô. aanduiden, noetoe, noetieng. , te kennen geven, bri tao, ngò

-

.

ning aki.

kind, anaq

ngala, aangeven,



-

sneller loopen, tjölön lëbi

këpat. , een

=

koop,

mëlê.

aanbelang. aangaande, = aanbelangen. aangeboren, kgi kènè môla. aangedaan, droevig, sossa atê, nès sër, kërassa. aangelegenheid, perkara. aangenaam, njaman, léboer. — , van smaak, lémaq.

njëpër,

njaphë.

njornô, mantëliek,

man

aangrijpen, mêkgë, mèngkot, ngala. , v/e roofvogel, njarap, njampër. aangrimmen, njërèngê, njèngêr. aangroeien, tomboe, tötti. aanhaken, tjantèl aki, tjangkè aki.

-

aanhalen, nare, natjë, tanjëngè. — , vleien, ngalëm. ‚ in beslag nemen, rampas, ngala. aanhaling, manis, léboer, lètèr. aanhang, orèng sè nòrò.

-

aanhangend,

aangaan,

sëbâb, a markgä.

thëng. aangorden, ngangkoej, massang. aangrenzen, bangkit. aangrenzend, i pingkier, i bangkit.

aki.

paq pôlong. aaneensluiten, nangkëp. aanfokken, ngôboe. aanfokking, Ôboeân.



bàkgi, bri, ngatër , kennisgeven, britoa, ngòning aki. aangezicht, moa.

, helder maken, trang aki, ngartè

-

këbâloen,

angkat. tjoeloe aki, ’ aki.

aanhangen, boentè.

aandurven, böngal. , met woorden, höngal à labân. aaneen, kaphörëng, paq njètong, pô long, rèntèng. ‚ aaneenbinden, talè-è paq njètong,

-

— , een

aangezien, aangieren, aangluren,

slenteren, nglèntjèr. aandragen, ngèbâ, mèkol.

trêma.

aangenomen,

kgântong,

tjëkaq‚ nòrò

tëkgântong,

kgi taq

pòtos. aanhangsel, emboeân, tapoengan. aanhebben, ngangkoej. aanhechten, napoeng. aanhechting, tapoengan. aanhechtsel, strook, ëgier, sandàng. aanheffen, moelaê. aanhitsen, athoe aki, à joejoe. aanhoogen, ngôrok, njarpoe. aanhoopen, nompoq, njèmboe. aanhooren, ngêdieng, mêrëng. aanhoorig, i bâbë, nòrò, kantjanà. niet loslaten, nakënè, aanhouden, kënthëk.

-



-

‚ iemand, , kleeren,

njanthàk.

taq moekaq angkoejà. , verzoeken, sëkoet mintaq. , volharden, nahan, këlarèn. , niet ophouden, taq amboe,

pötjot.

AANHOUDEND. patjöt, tros. aankanten, à labàn, ngòngò-an. aankijken, manthëng, ngabâs. aanklacht, perkara, pangkgoekgâtan. aanklagen, perkara aki, koekgàt. aanklampcn, nòrò, nòrò boentè. aankleeden, ngangkoej, à thänthân. aankleefsel, phöröng tjëkaq.

aanhoudend,

à kèpè, sëkënè. aanklemmen, aankleven, tjëkaq. — v. kinderen aan ouders, lôlô, ngè

lòdjoet, ngantil. noktok. toktòkan. aanknijpen, kèpè, tjâpit, njëtot. aanknoopen, ngantjing. aankloppen, aanklopping,



, een band, poekgël. ‚ een gesprek, tjandon, kgoenëm. aankomeling, orèng kgi ngôdé. aankomen, dötëng, napa, nanthoek.

-

bri tao, tòtor, ngòning aki. aankondiging, tòtòran. aankondigen,

-

, gerechtelijke,

sita, boedë.

aankoop, pëmblina. aankoopen, mëlê. aankoppelen, een huwelijk, ëmboe ëmboe-ân, ngëtoek aki. aankwakken, antëp aki, ontal aki. aankweeken, aankweeker,

ngôboe. sè ngôboe, tòkang kë

poen. aanlanden, napa ka thârât, nanthoek, ’ tôron. aanlappen, nampâl. aanlasschen, napoeng. aanlassching, tapoengan. aanleeren, ngatjär, ngatji. aanleg, aard, atê, thâssar. , toeleg, pengara, takantà. aanleggen, amboe, njëpër, ngêras. , een tuin, enz., ngantang. —

-

— ,

-



mikken, pathëng. vuur, njôlët, nongô.

aanlengen, aanleunen, aanliehten

môboe aèng.

njandër. = aanbreken.

AANREKENEN.

45

aanlijmen, tjekaq aki. kom aanloop, toeloop, pëkpëkän, pòlan. aanloopen, snel loopeh, brëkaq. , stoeten, tà-antor, tapëntor, të tandoeng. ‘— , lang duren, abiet, tangè. aanmaken, kgöbäj, njampoet. aanmanen, nâkgi. aanmatigen, ngangkoej kôbâssa, à kôbàssa.

-

aanmelden, këbàlë, òning aki. aanmengen, tjamboer, môboe. aanmerkelijk, phöngët, sangët. aanmerken, èngaq, ngrassa. , overwegen, nèmpàng. aanmerking, pa-èngaq-an, pëngras — sa-an.

-

aanmeten,

ngòkor.

aanminnelijk, manis, léboer. aanmoedigen,

madjoe,

böngal

aki,

ngatjâk. aannaaien, tjâè. aannaderen, ngombâr. aannagelen, makô, à pakô. ôlè i trêma, njaman. aannemelijk, aannemen, nërêma, nampa, nj anthäk,

-

-

sangkoep. ,

indank,kasÒ-on,njò-onnërêma.

, werk,

=

tëbâssan.

gesteld. aanpakken, mêkgë, nëkoe. ‚ iemand hard —, mërkës. aanpassen, ngôti, tjâtjàl. aanpersen, mërës. aanplakken, tjiliet, tjëkaq aki. aanplanten, namen. aanplanting, tanëman.

-

aanporren, aansporen=aandrijven. aanprijzen, ngalëm. aanpunten, tatjëmi. aanraken, ngëning, toektoek, ngisik, — , overal, ngëlatik. aanranden, piekgàl. aanrechtbank, lintjak. aanreiken, tjoeloe aki. aanrekenen,

ngètong.

AANBENNEN. aanrennen, = aanloopen. aanrijgen, naaiwerk, njëlossor. — aan een stokje, nô-or. bloemen, nòthoe, sonthoe. aanroepen, ollok, ngatôwèn. aanmeren, njêpoet. aanrollen, kgoeloe, kloendoeng,kgoe loer. aanrukken, nare, tanjëngè. , naderen, njantër. aanschaffen, mëlê.

-

-

nèng—

aansteken, vuur, njôlët apôj. — , licht, njôlët thömar. — , besmetten, nôlar. aansteken, een vat, enz. moekaq. aanstoffen, njapô. aanstonds,kèdi,laon,dökgi,mangkè. aanstoot, ergernis, sakè atê, sôkënr. aanstooten aanstrijken, pleisteren, mlèstèr. met kalk, nglapoer. , schilderen, ngëtjèt.

-

.

-

njaè, aanspannen, massang, kaè, këntjëng aki. aansporen, = aandrijven. aanspraak, metgezel, phörëng. aansprakelijk, këtompôan, nangkgoeng. aanspreken, njapa, ngarôarô. aanstaan, sôka, tërô, ngarëp. aanstaande, kèdi, dökgi, pakgi. — ‚ verloofde, bökal. aanstampen, nomboq, nottô.

-

katjoe aki. aantreffen, nëmoe, panggi. aantrekken, narè, nàtjë, tanjëngè. — , zich iets, èngaq, mèkèr, përdoeli aanvaarden, nérêma.

-

aanschudden, kgoeli, ngontjang. aanslaan,berekenen, ngètong, tapsèr. aanslag, tapsèran, kgràpâk, patjëk. aansmeren, tjoeâl larang kiloe.

= aanbonzen.

!

aantal, banjaq-ën, tjatja. aantasten, mêkgë, mingkot. aanteekenboek, ëboeq tjattëtan. aanteekenen, njattëti, nôraè. aantocht, in-, ngombâr. aki, aantoonen, noetoe, toetieng

aanvallen, miekgàl, ngrôjok. , v/e vogel, njarap, njampar. — , v/e gehoornd dier, njòtoek. , bijtend, njëpaq. aanvallig, léboer. aanvang, moelaè, mamôlan.

aanschellen, napoe lontjèng. aanscherpen, tatjëmi. — , slijpen, kgàngsè. aanschijn, voorkomen, rôbà. — , aangezicht, moa. katon. aanschouwelijk, aanschouwen, tjëlieng, ngabâs, koe, nòlati. aanschreeuwen, ngêra. sôrat printa. aanschrijving,

AANWINST.

46

aanvatten = aanpakken. aanvegen, njapô. aanverwanten = familie.

aanvliegen:aanvalleu v/e vogel. aanvoegen, rapatti, êssê-èn lolo. këpala, lôra, pangaddë, pangradjë. aanvoeren, ngèbâ, ngatër aki,mrinta. aanvraag, verzoek, përmintaqan, aanvoerder,

pënjÒ-onnan. aanvragen, mintaq, njò-on. , vragen, tanja. aanvullen, bijdoen; ngêssê, môboe, njèmboe. , vol maken, possaqèn. — , ’t ontbrekende, nj ôkòpi, kénaqèn. aanvuren = aanhitsen. aanwas, émboeân, tambà-àn. , groei, tomboeän.

-

-

v/e rivier, aèng ongkgë, bandjier. aanwenden, ngangkoej. aanwenden, beproeven, ngôti, tjâtjàl. aanwennen, tötti tôman. aanwendsel, këtôrnanën. aanwezen, aanwezend, bàdë. ‚ nog in, kgi bâdë, kgi ôdi. aanwijzen = aantoonen. aanwijzing, bericht, kapâr, bërta. aanwinnen, nëmoe ontong, mënang.

-

aanwinst,

ontong.

AANWITTEN.

ACHTERSTE.

aanwitten, ngapor, nglapoer. aanwrijven, ngossot. aanzakken, tôron laonan, tôrô aki laonan. aanzeggen, këbàlë, bri tao, bërta aki, ngòning aki. aanzegging, kapâr, bërta, printa. aanzetten = aanhitsen, — ‚ een mes, kgàngsè.

aandrijven.

aanzettend,opwekkend,léboer,panas. aanzien, manthëng, ngòlatien. — , wachten, dantè, ngantos. — voor . . . , kê\ra‚ trêma.

radjë,

aanzijn = aanwezen. aanzitten, nòrò tòdjoe, longkoe. aanzoek = aanvraag. aanzoeken = aanvragen. aanzoeten, manis aki, njëpnjëp aki. aanzuiveren, schuld, madjär pôna. , schoonmaken,

bërsè aki.

aanzuren, tjêloq aki, môboe tjôkaq, njèrnboe atjëm. aap,mòtak‚phoethëng,lòtong,këtang. aapachtig, tjara mòtak, marra —. aapje, këtè. aar, korenaar, boelier.

aar, pàkan. ‚ voor den hengel, phönè. ngas. , kaartspel, ach! Zie spraakkunst.

-

-

acht, zorg, èngaq. (telwword), 'bàlloe, achteloos, lôpaq, lôpaq-an, taq èngaq, nèkat.

-

achteraf, tjao, tampën, mètjie. achterblijven, njètjèr. achterdeur, labang boedi.

achterdochtig = wantrouwen, voor oordeel. achtereen,

nòrò

kgielieran, lèrkèlèran.

boentè,

tégântè,

rèngngêrèng, boen

achtereinde,

boedi, bingkèng,

t0q. achterhalen,

nabäng, njossol,njapoq,

nòtotti. achterhoofd,

tjëpling, phötokkà

tjètak. achterhouden,



ngaling, ngêröp,

njorkâp.

, ader, ôraq. aard, inborst, atê. aardappel, këntang. aardbeving, lienthoe.

achterkamer, kammar boedi. achterlaten = achterblijven. achterlei, bàlloeng rôpa. achterlijk, traag, lëmos, karrè, kanton.

aardbol, poemê, dònja. aarde, aarden, tana, dâri tana. aarden kom, tôboeng, tjangkir. aarden pot, pëlting, pënaj, kantjoe, kata, tampal, tjöröngan. , ergens-, përna. aardhond, angkgâj. aardig, léboer, lotjô. aardmuis, veldmuis, tèkos tongtong,

-

tèkos tjoeâng. aardrijk = aardbol. aars, tomboeng. aartsschelm, phöngsat.

ngras

-

akgoeng.

-

mamong,

achten, ngormati. — , beschouwen, kêra. , in acht nemen, èngaq, tèngatè. achter, boedi, i boedi. achteraan, í boedi thiebi, —— thierie.

-

‚ uitzicht, rôbâ. , van -, akgoeng. aanzienlijk, banjaq, tingkí,

aarzelen, possang, sarassa.

-

in groei, kôtit. in ’t leeren, enz., môdi.

achterna = achterhalen. achterom, lébàt i boedi. achterop, i boedínà. , verliezen, kala. achterover, gëntang, kòrong. vallen, laboe gëntang, tjoembalit,

-

-

ngladjöt.



_

achterpoort = achterdeur. achterstand, schuld, nongkô . . . . achterste, boeri, tongking, bangkong.

AFHEBBEN.

ACHTERSTE. achterste, hoog-, nòtjing. achterstellen, niet meerekenen, taq i ètong, taq i tôrô aki, taq kapêlô. achteruit, njòrot. achtervolgen, nòrò,

-

nòrò

boentè,

m‘érêpèt.

, najagen, nabâng, akgë. achterwaarts = achteruit. achting, ormat. achtmaal, bâlloeng kalè.

adder, ôlar bëlâng. adel, assal orèng akgoeng. adem, ademen, njabà. inhouden, mëkëng. ‚ hoorbaar, njêrot. , buiten -, tépëkgö. , heete -, soeap. , stinkende -, apphë matjan. ader, ôraq. aderlaten, kgëlëng. adres, ngalarnat. af, naar beneden, tôron.

-

klaar, marè, laq, ampon. los, gescheiden, lòtjot, loslos. afbakenen, nôraè, môboe bangkit, makgër, ngòtjing. — ,

-

,

afbedelen, kgoeng-ôkgoeng. afbeelden, ngâmpär. afbeeldsel, gâmpâr. afbetalen, madjâr pôna. afbladeren, ngrontok. afblijven, tjâ kgangkgoe, tienaq. afboenen, ngësot, ngossot. afborstelen, njiekët. afbraak, poengkaran. afbranden, ngopâr. afbreken, poengkar, rombaq. , staken, amboe, rampong.

-

afbreken, de punt, kôtëng. afbrokkelen, naltal. afdak, ataq, ampèr, tarop. afdalen, tôron. , van onder tot jonger, tëmôron. afdaling, rontôronan.

-

afdammen, tampë, bënthoengi. afdanken, nglëpas, amboe aki. afdeelen, toe-oem, à bàgi.

afdeeling, toe-oeman, bâgiàn. , vak, kòtaq, lòkè, këdoe, long

-

longan, longkang. afdeinzen, njòrot. afdingen, nabâr. afdoen, môtossè, marè aki, ngram pong. schuld -, njëraq. , kleederen, moekaq. afdoening, madjar Ôtang, njëraq. ‚ van zaken, pôtossan. afdragen, pasra, njèrèn. afdrogen, ngësap aki, ngoessap. afdruípen, nètès, njaptjap. — ,

-

afdruk, ëtjap, lampat, tapaq. afdwalen, possang, sasâr. afgaan, afstijgen, tôron. , stoelgang, à taè, kapadâng. , v/e geweer, à monjê. afgang, helling, tôrônan, mèrèng.

-

afgedaan, laq, ampon, pôtos. afgeleefd, laq, (ampon) toewa, sëpô, lèpik, djoempoq, rêboek. afgelegen = achteraf. afgeloopen, oboes, lobâr, pôtos. afgemat = doodmoede.

afgevaardigde = afgezant. afgeven, bri, bàkgi, bâli aki, njèrèn. afgezant, sôrôan, òtossan, pakonan. afgezonderd, laèn, tjào, mêtji, kà

thiebi. afgieten, doorgieten, njaring. — , uitgieten, nòtaq, njalèn. afglijden, ngëlossot. afgrond, tjoeràng. afgunstig, tampoeroean, mèrè. afhakken, ngëtok, pôrak. afhalen, ngònè-è, ngrèpèng. , stroopen, ngôlit. van boven, tjangô. afhandelen, môtossè, mastè aki. afhandig maken, rëpoe-àn. afhangen, afnemen, mëtôron. van iemand, takoq. afhankelijk, i bäbë, nòrò printa. afhankelijk, i bàbë, nòrò printa.

-

afhebben

= afgedaan.

AFHEINEN. afheinen, ‚

makgër,

kèkès, massang

tôra, nôraè.

a'fheining, pakgër. afhellen, mèrèng, madjàt. afhelpen, tôlong tôron, mëtôron. afhooren‚ njintëmè. afhouden, nôlaq, missa.

-

geld, mòtong. afhouwen, ngëraq, ngëtok. afhuren, njêwâ. afjagen, nontoeng, akgë. afkanten, pèngol. afkappen = afhouwen. ,

afkeer, bòtji, poessën, tjèrëmët. afkeeren, ’t gelaat, mëlinthös, mëlêrô. , omkeeren, phöliek, mongkor. , verweren, à labân. afkeuren, taq kratoe, nampik. afklimmen, tôron. afkloppen, naktak, môkol, ngantëm.

-

afkluiven, phöngis, ngiskis. afknippen, kgoenting. afknipsel, kgoentingan. afknotten, nôkô, tôkong. — ‚ snoeien, rongrong. afkoelen, tjëlëp aki. afkoken, ngollop, ngoetoek. afkomst, assal, mëtàl. — , voorname, assal orèng akgoeng. afkoopen, nëpoes. afkorten, ngëtok. — , geld, —— mòtong. afkrijgen, ngala. , afmaken, marè aki. këlar, kgi een afkunnen, werk, këlar.

-

-

afkijken, njornô, njornè,

ngabàs. afladen, mëtôron boewaq-ën. afleeren, verleeren, lôpaq. afleggen, mëtôron. — , wegwerpen, moewang. , machteloos, môkoek, apës. afleiden = hinderen.

-

afleveren, ngêbâ, ngèrèm, ngatër. afliggen, ver af, tjào, tampën. aflichten, ngangkoq, moekaq. — , oplichten, ngatting.

AFSCHRIFT. aflikken, tjielât. afloop, eener zaak, pôtossan. , sterke — van water, santër. afloopen, tôron.

-

, van water,

kgieli.

resultaat,

töttinà,

pôtossan. aflossen, kgielier. ‚ van een pand, nëpoes. afmaken, mare aki. , vermoorden, mattè-èn. ,

-

-

afmalen, kgöbäj afmaler, tôkang afmatten, kgöbâj , verzwakken, taq këlar, —

-

gàmpâr. gâmpâr. môkoek sadjën

——

lëssô.

lètjaq, —

lëssô.

afmeten, ngôkor. , droge waren, ngòlak. — , wegen, nèmpàng. afnemen, = afhalen.

-

, verminderen,

ngorangi. kôpas. , van wind, water, ësop. afpellen, ngombi, ngôlit, ngorpas. afpluizen, thielthieli, klèmbit. van boomwol, plossër. van boomkatoen, këphë. afplukken, mëtik. af raken, boeroeng. afreizen, à tjölön, boedâl. afrekenen, madjâr pôna. rekenen, ètong-ètongan. africhten, ngatjär. afrollen, lijnwaad, boekaq, ngòlor. afronden, pèngol aki, boentër aki. , pellen,

-

-

afrukken, njëntal. boeang, laq (ampon) taqi angkoej. afschaven, à passa. , met de tanden, ngriosngrios. afscheid, pëhamètan, lëpas. afscheiden, nòraè, missa.

afschaffen,

-

afscheppen, njèndoe, njêroq. afscheren, njôkor, maras. afscheuren, rôbi, njêbâ, pietsëpiet. afschieten, massang, ningkër. afschillen, ngombí. afschrift, tôrônan.

AFSCHRIJVEN. afschrijven, nan.

njalin sôrat, ngala tôrò î

afschrik, takoq, tjérö. afschrikken, takoq-è.

,



afslaan,

taq

-

taq

trêma,

-

afvallen, kökgör, njëlòtak. ‚ als bladeren, ngrontok. , losgaan, tjòtot. afvaren, à ladjâr. — , een stroom, ngèlèr. ‘ afvegen, ngoesap. — met den vinger, toeliet.

-

pôron. ,

in prijs, tôron atji.

afsluiten,

à sossi, nôtop, èntëp, kalang. afsmeeken, mintaq, njò-on, ôkgoeng. afsnijden, met een mes, ngëraq. , met een schaar, ngoenting. , het scherpe, rao, simsim.

afvillen,

-

-

-

afstraffen, ngôkom. afstroomen, à kgíeli. afstroopen, ngôlit, ngrèpèng, ngorpas, aftappen, nôtaq,

-

, overtappen,

ngëtjor.

njèlin.

ngombi.

mapar, njangling. njarboek. ‚ de rivier, ngèlèr. afvorderen, mintaq këlabân paksa. afvuren, massang, ningkër. à dantè, ngantos, afwachten, ‚ de tanden,

afvoeren,

-

-

afstand, tjàonà, tampënà. afstappen, tôron. ‚ een paard, tjölön aki. afsteken, schieten, massang,ngòtjol. , van kleuren, bélàng, sëlangsë ling. — , nadeelig, korang bâkoes. , voordeelig, pinthëân. afsterven = sterven. afstijgen, tôron. afstoffen, ngëpoet, njapô. afstooten, nôlaq, tjoengkgë aki.

ngòlit,

afvijlen, ngèkèr.

afspannen, boekaq, ôtaq. afspoelen, wegspoelen, ngôrap, nglapës. , reinigen, ngôraè, njassa. afspraak, tjântjiân, sëmadjé. afspreken, à tjàntji, ngrëmpok. afspringen, a lontjaq. afstaan, bâkgi, parrèng, masra. afstammeling, assal, tôrônan, péra nakän.

ngortjô.

aftocht, ontoer, môlê, pléman, poepâr. aftrek, vertier, padjoe. — , korting, pòtongan. aftrekken, schillen, ngombi.

— = afstroopen. afval, pokpokkan, rambieng, assakan. van spijzen, boetèr. van paddi, këskës. bij naaiwerk, lassèlassan.

afschroeven, moekaq òlèran. afschudden, moeang. afschuieren = afborstelen. afschuimen, njêroq. afschutten = afheinen. afschuw = afkeer. weigeren,

AFWISSCHEN.

50

ngathä_ng.

afwasschen = wassohen. afwatering, boeangan, lëlarèn. , sterke -, santër, bandjier. afwateren, mà-kgielie aèng. afwegen, nèmpâng. afweger, tòkang tèmpäng, mandoer tèmpâng. afweging, satèmpàng, pënèmpângan. afwenden, boeroeng aki, njarang. — , ’t hoofd, mongkor, nêling. afwennen, lôpaq. afweren, à labàn, nòlaq, njarang. afwerken, pôna aki, tottok.

-



afwerpen, wegwerpen, boeang. afwezen, afwezend, sôboeng, tadë, adà.

afwijken,nj ènglaq, nj èmpang, ngêras. afwijzen, taq trêma, taq kratoe, nòlaq nontoeng, nimpal. afwinden, ngòlor, nglarlar. afwisschen, ngoesap, ngòraè, ngësot, bërsè-è.

AFWISSELEN. afwisselen,

AMBAC HTSMAN.

gàntè, kgielier.

afwrijven, ngoesap, ngësot. afzadelen,

boekaq lapaq, boekaq pàkapaq. afzakken, tôron, ngëlossot, mëlörot,

-

ngladjöt. , in zakken doen, wöthöi.

afzeggen, boeroeng aki. afzeilen = afvaren. afzenden, ngèrèm. , iemand -, sòrò, ngôtossè. afzetten, ngangkoq, ngatting,boekaq, mëtôron. = bedriegen, ontslaan.

-

afzetter,

bedrieger, phöngsat. afzichtelijk = afkeer. afzien, laten varen, taq ëndö, taq kratoe, boeroeng aki.

-

, gluren, njornô, njornè. afzitten, afstijgen, tôron. afzonderen, missa, paq laèn,

paq

njèssè. , afdeelen, toe-oem. ‚ , geld, tjèlèngè, ngimpassè. ‚ uitzoeken, nampê, mêlè.

- , zich -, ngêtëk, à tapa. afzonderlijk, kgielieran. - , verspreid, mëntjarmëntjar, tjar katjèr, i pilpal, i klimpra. - , ieder -,thiebithiebi, thierithieri. agent, bakil, polmaq. agurkje, têmon lompeo, kraè. — , ingelegd, atjar têmon.

ajuin, babâng. akelig = afkeer. aker, emmer, timbà. akker, poemê tëtanëman.

- , droog, tékgöl. - , nat, sabbà. - , tuin, këpoen. akkoord, tjantjiân, sëmadjë. - ,juist,tëpaq,pëndër,tjòtjok,lërës. akte, sôrat tjantiàn. al, geheel, kappi, kakappi, sëdödjë. , reeds, laq, ’mpon, ampon. te, këloe, tëloe, tieloe, thiemèn, thiengèn.

-

alarmblok, thongthong, tètèr. aldaar, zie Spraakkunst. aldus, idem. aleer, sabëloen. , voorop, kà addë, i addë.‘

-

algemeen, alledaags, pakoen, patjöt, lombra, kapra. alhier, dienaq, kàintoq, kadientoq. alhoewel, maskè, sënadjàn. alikruik, kò-ol. alle, kakappi, sëdödjë, mëlôlô. alledaags, sapën arê. alleen, ka thiebi, ka thieri.

alleenlijk, mong,ming, among. maar, bâè, biesaos. allegaar, kakappi, sëdödjë. allegaartje, tjamboerân, kâboer, matjërnmatjëm. allengs, sadjën, sadjönè. allerlei, 1’ôparôpa, bërnabërna, matjëm—matjërn. allerliefst, tjè bâkoessà, tjè manissà, tjè léboerrà, tjè rattienà, enz. allermeest, banjaq thiebi, — thieri. alles, kakappi, tadà karrê, saphö röng, sëdödjë. alleszins, tamtô bàè, — biesaos. al naarmate, mabi, sënadjàn.’ ‚ alom, diemaqdiernaq, kadiemaq kadiemaq, bröta. — ,

-

,

alphabet, tjarakan. “ alreeds, laq, ampon. als, padë bi. ., marra, kanta, kathi. , indien, meng, ngamong, mënabi.

-

-



maar...., sòkor....,

alsmede, sarta, pò1è, gia, tjoekgân. alsnu, sëtiea, sëtontô, sëmangkèn.‘ alsof, marra, kanta, kathi. altemet, amè, mënabi.

altijd, sëmani, patjöt. aluin, tabàs.

alvorens = aleer. alweder, pò1è, doeà kalênà.‘ amandel, boewâ kënari. , in de keel, pëpàkgoes. ambacht, lakônà, pangkgöbâjan. ambachtsman, tòkang.

-

BAAN.

AMBTENAAR. ambtenaar, antënar, priàdji. ambtgenoot, phörëng, kantja. amen, amien. amfioen, tjantoe, mathât.

-

schuiven, nj‘ôtoet. amfioenpijp, pathoetàn. ananas, lanas. ander, laèn, bànèan. anderdaags, lat sa-arê. anderdeels, pòlè, doeâ perkara. anderhalf, doeà tenga. andermaal, pôlè. — ‚ tweede maal, doeâ kalênà. — , op een anderen tijd, laèn kalè, laèn arê. andermans, andi-én laèn orèng, ka goengân orèng bânèanl anders, laèn, bànè.

-

,

hetzij,

Ôtabë.

andersom, kêsongsang, korrong. anderszins,tj ara 1aèn, artênà, bânèan. andijvie, andèwi. angel van een insect, sëngaq. , viseh-, pantjing. angst, angstig, tatoq, sossa, kësit. anker, djangkar. ankeren, mëlàboe. ankerplaats, pëläboeân. antwoord, bâliesan, sampietän. vragen, mintaq bàliesan.

-

-

antwoorden,

’mbâlës,



‚ 1 \ “

\

arak, arak, arbeid, lakô, kalakôan. arbeiden, à lakô, ngoeli, njampoet. arbeider, orèng à lakô, kôli. arbeidsloon, badjâran, Ôpa, boeroean. gàtji, badjàran. ‚ maandloon, arbeidzaam, pötjëng, tjakang. argeloos, lòla, pêlak. arglistig, nakkal, rangkëp, atênà.

-

argwaan, korang f>ërtjadjà. arm, 1ëngën, tannang. ‚ behoeftig, miskin, mëlarat.

-

armband, këlâng. armoed, miskin, taq andi, këmëla ratàn. armzalig, ellendig, nista. arrest, arès, ërès. arrestant, arèssan, ërèssan. arrowroot, âroet, gàroet. arts, inlandseh, thoekon. — , Europeeseh, toean doktër. as, intjër. aseh, aboe, lôlong. , van amfioen, këlèlèt. —— leggen, ngopâr. , in de asehgrauw, klâoe. aschkleur, bërna aboe, — lôlong. automobiel, motor, oto. avond, voor-, phöri, tjompët arê.

-

-

— ,

na-‚ malëm.

azen, njintëmè.

njaoet,

azijn, tjôkaq.

njampiet.

azijnaehtig, tjêloq, marra tjôkaq. azijnstel, böthönà tjôkaq mienjaq. azijnfleseh, phoetol tjôkaq. azuur, firmament, langè. — , hemelsblauw, phiroe langè.

apart, separaat, pòtjongan. apostel, rassoel, ottôsan. apotheek, toekoe tjâmô,—tamphâ. apotheker, tòkang tjâmô, palin. arabier, toean arab, toeantoeannan.

B. Baai, zeeboezem, pëlâboeàn,lëmpong. baaitje, baadje, klampi, rasòkgàn. — , open, lang, klampi tëbà. , met wijde mouwen, klampi

-

-‚

komprangan. , dicht, klampi kòkô. blauwgeverfd, klampi sònô.

hoofd trekken, over ’t baaitje, ’ njonglot. haak, antjier, tôra. baal, ëbal, kampèlan, kattoe, karong. baan, weg, tjölön. , van een kleed, enz.,lambârau, ’ ëgier.

-

BAAR.

BEDACHTZAAM.

baar, open, bloot, katon. — , golf, ombaq. orèng anjar. ‚ nieuweling, , draag-, pëngossongan. , lijk-, kattil. baard, kin-, djënggoet. , ring-, bréngos, pries. — , knevel, songot. baardtangetje, angkgoe. baas, tôkang, ëbas, lôra.

-

baat, ontong, phöthê. , nut, kgoena. baatzuchtig = gierig. babbelaar, tôkang pönta, tjërêta. baboe, baboe.

tòkang

bad, pëmandian, tjëtieng, taman. baden, mandi, njêram. — , weeken, këmkëm, bëkö. badkamer, kammar mandi. badwater, aèng mandi. bak, aarden -, pënaj. , houten -, tangbientangan. ,’ schenkblad, talam, bakki. , voor etenswaren, djoedâng. — , schuitvormig v/e blad, takir._ baken = haak. baker, baboe, thoekon.

-

-

brëngos.

bakken, vleesch, enz., kgorieng.

-

‚ steenen, enz., ngopâr.

bakker, tôkang rotti, — tjâtjân. bakpan, bâtjàn. bal, bôla, tëmboeng. ballen, de vuisten, à krêtëm. balans, tèmpâng. baldadig, nakkal. , vermetel, böngallan. balk, balloq. balling, orèng boeangan. baloorig, ngarnpoel, sëti. bamboe, pring. , jonge, eetbare, rëpoeng. banaan, këthöng. band, talê, tampar, simpaj.

-

-



= lint.

bandelier,

sëlimpàng.

banen, een weg -, kgöbäj tjölön, à rabäs pökal kgöbàj tjölön, rata aki. bang, takoq, kgiäng, kgiríes. kësit, köbölan. , schrikachtig, bank, canapé, bangko. , van gespleten bamboe, lintjak. , van leening, pëngkgâtiân. banket, tjâtjän, manissan.

-

banknoot‚ pèssê tëlobàng. banneling = balling. bar, kaal, dor, kring, mattè. , koud, guur, tjëlëp, ngërsëp. — , stuursch, sëti, sëngol, sëngit. baren, rimbi. van dieren, à boedoe. , veroorzaken, kgöbàj. barmhartig, nèssër. barsch, sëti, bëlër. barst, bëlà, plëtèkan. barsten, bëlâ, lëtoeq, mëlètèt. — , springen, lëtè. —- ‚ scheuren, tjala, tëngar. van bebroede eieren, nëtës. bast, schors, schil, kôlè, klòtokkan. basta, laq, ’mpon, ampon. bastaard, anaq soentël. bastvezels van kokosboomen, tapis. — van arènboomen, ëthoek. van waroeboomen, lôwè. van gebangboomen, kobâl. .- van pisangboomen, këtëpoeng. baten, à kgoena, bàdê kgoenanà.

-

-

bakkebaard,

i

-

-

-

batterij, benting. beambte = ambtenaar. beamen, ngakô, mator ingki, onggoe, angkën. beangst, takoq, êrô. beantwoorden = antwoorden. beboeten, à thienthà. beboet, ngëning thienthà. bed, kassor.

-



, in eentuin,djidëngan,gölöngan. , slaapplaats, katêdoengan. bedaagd, toewa, sëpô. bedaard, laonan, lémës nëngënëng. bedachtzaam, atèatè, laonan, ngës tètè.

BEDANKEN.

BEGENADIGEN.

bedanken, njò-on nërêma, kasÒ'-on. bedaren, nëngënëng, ngaring. bedding, thâssar.

beduiden, doen begrijpen, ngartè aki, trang aki. bedwang, bedwingen, maksa.

përmintaqan, pënjò-on. bedeelen, toe-oem. bedeesd, tôdoes, biràng. bedekken, nottop, kôdoeng, pèsèt. , ’t aangezicht, tokkop.

bedwelmd, possang, plëngën, klèngngër. door drank, maboe.

bede,

-

, verbergen,

bedelaar, orèng maèn.

lingngaling._

ngëmis,—poeroe

bedelen, ngëmis, poeroemaèn, nganjè. bedenkelijk, kôbâtèr, përanà, sara. bedenken, mèkèr, ngrassa aki. — , beraad, nèmpàng, pëmèkèran. bederf, boessoq, boetjoq, alpoq. bedgenoot, phörëng têdoeng — sarèn. bedgordijn, klamboe, kèrèkan. bediende, dj 0engos, orèng, pënëkabân. bedienen, djögö, nglatieni. bediening, dienst, lakônà, pangkgö bâjan. beding = overeenkomst. bedingen, à tjântji. bedlegerig, sakè-an, krieng. bedoeling, pengara, nèat, karsa. bedompt, vochtig, phötëk, bàssa. ‚ de atmosfeer, rôdëk, sordëp. bedorven = bederf.

-

bedrag,bedragen,tjoemla,banjaq-ën, kgoengkgoeng. . bedreigen, akgë. bedremmeld = bedeesd. bedreven, pintër, tao, onning, ngartè, apaL bedriegen, lètjik, ngapossèn. , foppen, njërêka. bedrijf = bediening, dienst. in een tooneelspel, pâpâk. bedrijven, lakô, nëkoe, à dökgàng. bedrinken, zich -, ngênom takkër (kangsè) maboe.

-

bedroefd, sossa, kësossa—ân. bedrog = bedriegen. bedueht, takoq. beduiden, aanwijzen, noetoe, toetieng aki.

-

bedwelmend, pëngapës. bedijken, tampë, massang massang taboen.

tangkis,

beëedigen, sompa. beek, songaj kènè‚ tjôra, soksok. beeld, gâmpàr orèngorèngan. been, tôlang, kèkèl.

-



lichaamsdeel,

sòkô.

à këdoe. x beenen, kgötik. , beenderen, bâlong. beenblok, voor gevangenen, bëloeq. , voor krankzinnigen, plëkphëk— an. , sabelbeenen,

këntaq‚

— ,

-

beendroog, kring sakalè, klântang. beenzwart, arëng bàlong. beest, binatang. , als scheldnaam, pattè, sètan, pëloek. beestachtig, marra pattè. beestenstal voor koeien, schapen, buffels, kanthâng. beestenstal voor paarden, këtokgän.

-

beet,

-

pëngèkè.

‚ een mondvol,

sa-ompaq-an._ hebben, ködjë, tjòngòtjoq. beetje, sakonnè, sakòdi, sakòthi, satobiân, satjiembi. befaamd, radjë, akgoeng, jama bâkoes. begaafd = bekwaam.

-

begaan, betreden, à tjölön, nêthë. — , aangedaan zijn, êman, nèssër. begeeren, begeerig, toedjàn, karëp, tërô, arkgë, kgâboek. begeerte, wil, karëp, karsa, abàq nëpsô. begeerig, inhalig, tjërè. begeleiden, tôrô, ngèrèng, ngorèngè. begenadigen, bri sëpôra, bri am ponnan.

BEKNORREN.

BEGEVEN. bri, përsèn aki,

begeven, schenken,

-

parèngi. ,

zich

op reis

-,

à

tjölön,

mangkat. , zich naar huis -,môlê, pléman. , zich ergens heen -, marëk,

tjoetjoeq. begieten, njêram, samsam. begiftigen = begeven, schenken. begin, oorzaak, aanvang, assal, mamôlan, boengaran. beginnen, moelaè, mamôlan. begluren, njornô, njornè, mèlörët. begooien, ngôtëp. begraafplaats, kôboeran, kramat, asta.

makarn,

begraven, pëndëm, mëtpët. begrensd, bangkèt, i pingkierà. begrijpelijk, duidelijk, trang. begrijpen, ngartè, êtëp. begrip, artênà, èngaqan. begroeten, tapsèr, taksèr. behagelijk, njaman, léboer. behakken, hout, enz., simpàl. behalen, verkrijgen, ôlè, nëmoe. behalve, laèn, tjôma, përtjôma. behandelen, nëkoe, kgöbâj. behartigen, djögö parlô aki.



bëtjè, nglatiení,

beheeren, nëkoe kôbâssà,

rabàti. behoedmiddel, talisman, djimât. behoedzaam, atèatè, ngëstètè. behoefte, kakorangan, kamëlaratan.

doen,àtaè, kapadàng, nossèng. behoeftig = arm. behoeven, korang. — , niet -,taq korang,taq ossa,taq parlô, taq mënabi. behooren, naar-, pëndër, patot, apik, lërës. — , toebehooren, andi, kagoengân. ,

zijn

-

saè.

beide, doeâdoeâ, kappi dëdoea. beitel, pà-aq, pëngatjâl. bejaard = bedaagd. bejammeren, ngèmannè, nèssërè. bejegenen, ontmoeten, tëtëmoe, këpanggi. bek, snavel, tjòtjoq. ‚ van een viervoetig dier, tjôloq. bekeeren, topât, bëtjè pòlè,saè pòlè. bekend, tao, onning, karôan. bërta aki, kapâr aki, bekendmaken, paq bröta, bërtaè. bekendwording, bërta, kapàr. bekende, sarmô, kasarrnôan.

-

bekennen, ngakô, ngangkën. beker, kglâs, tjangkir.

bekijken, ngabàs, ningkoe, nòlati.

tjëlieng,

ngompâng, thoeka, missô, manglô. bekken, groote kom, tôb0eng, tjëmong. bekken, klink-, brèngbrèng. bekladden, makottor. beklagen = bejammeren. beklauteren, naè, mëlatjat. bekijven,

mrinta.

behelpen, ngakkalakkal. behendig, vlug, pantës, patot, lëkas, këpât, kësaq, gässik, kàntjàng. behoeden, beschermen, djögö, raksa,



behooren, hij iets -, nòrò, mêlô, lam bonnà, tokkëlà. behoud, heil, slarnat. , redding, përtôlangan. behouden, nëkoe, rabâti, ngôboe. reis, tjölön këlâbân slamat. behoudens, tappè, nganning, assal, sôkor. behulpzaam, ’ndö tëtôlong, bëtjè,

bekleeden, a poengkos, phuutphuut. beklemd, sëksëk, rôpëk, sëlaq,tjôpè,

——

rôpít. — ,

-

,



van borst, tëpëkgö. van gemoed,sossa atè, soempëk,

pètëng. tëkèpè, ‘ tëlimpit, , ingeklemd, rakët. beklimmen, naè, ongkgë. beknopt, pendhë, kènè, ringkès.

-

beknorren

=

bekijven.

BEKOELEN.

BENOODIGD.

bekoelen, tjëlëp aki. bekomen, Ôlè, nëmoe. bekommerd, sossa, kôbàtèr, êrô. bekomst, bërta, kënjang, tôboek,

beleven, ondervinden, belhamel, bienggöl. believen, tërô, sôka. bellen = aanbellen.

tjokkop. behoorlijk, bâkoes, léboer,

belofte

bekorten, kgënta aki. bekostigen, madjàr. bekrachtigen, tôlos aki, tëptëp aki.

rattien.

mastè

aki,

bekreunen, përdoeli, parlô aki. bekrompen, sëlaq,sëksëk,tjôpè,kènè. bekruiden, mlappaè. bekwaam, pintër, tao, onning. bekwamen, zich -‚ ngatjàr, ngatjí. bel, lontjèng, kgènta. — , rinkel-, klientiengan, kloen toengan, kgoengsèng, krônong. water-, kapoq-ën. , oor-‚ antinganting, kraboe, sëntar.

— ,

-

belachen, akglâ-èn, kglâkglâ. beladen, moeaq. belang, nut, kgoena, parlô. belangeloos, tjômatjôma.

nëmoeni.

=

beding, overeenkomst. beloonen, Ôpaè, përsennè. belooning, Ôpa, badjâràn, përsèn. beloopen, inhalen, njapoq. = bedrag. beloven, tjântji, njangkoep, sëmadjë. beluisteren, njintëmè. belust = begeerte. belijden = bekennen. bemachtigen, ngëning, ôlè.

-

bemannen, ngorèngè. bemanning, matrosmatros, ponthoe. bemerken, ngënalè,

kantja,

nëmoe, tao,

onning, manggi. bemiddeld, sôki, andi. bemind, beminnen, nèssër, trësna, asê.

karëp, tërô, ' sôka, toedjân. bemoedigen, radjë-èn atê, ngaring. bemoeien, nòrò, njamboer. bemoeielijken = belemmeren. —



belangrijk = aanbelang.

belangstellen, zorg dragen, kgötè. belangstellend, kgötèn. belasten = beladen.

- ‚ opdragen,

sòrò, pakon, ngòtossè. belasteren, tjoebâ aki, ‚njòphë. belasting, patjëk, kgrâpàk, béjâ. beleedigen, birâng aki. beleefd, rôkon, tao athât, onníng prënata. beleefdheid bewijzen, ngormatti. belegen, oud, ladjoe. belegeren, ngëpong. beleggen, nottop, nglapis. belegsel, lapissan. — , galon, pasmèn. beleid, akkal, krêna.

‚ van iets houden,

ngèbâ-àn tjërêta, òpèn, tjalmaq, tjërêmè. bemorsen = bekladden. ben, mand, krântjäng, phoetâk, krientjing, kroendjoeng. benadeelen, tôna aki, kgöbàj rôgi. benaming, jama. benauwd = beklemd, aamborstig. bende, kompollan orèng. beneden, i bàbë, sè bàbé, môrët. bengel = deugniet. bemoeizuchtig,

benemen, nemen, ngala, ngaot, montoet.

-

, met geweld,

belemmeren, kgöbàj sossa, ngathâng, ngambëngè, ngalang. belenden = begrensd. beletsel, aràl.

ngrampas. mattè-èn. beneveld, bewolkt, ondëm, rôdëk. benevens, sarta, pòlè, këlabàn, sarëng. benijden, tampoeroean. benoemen, tötti aki, djoemënëng aki.

beletten, nglarang,

benoodigd,

nôlaq, ngalang.

, het leven,

korang,

parlô.

BESEFFEN.

BENOORDEN. benoorden, i dödjönà, i dödjë-ënà. beoordeelen, nempàng, kêra. ’ beoorlogen, prangè. beoosten, i têmor-ënà. bepaald, tamtô, pantjèn, mastè, tol los, taq këning njâ, taq kènging poenten. bepalen, tamtô aki, pantjèn aki, enz. bepaling, printa, pamastè. beperkt, eng, sëksëk, tjôpè, ròpit. beplanten, namën, tanëmi. beplanting, tanëman. beploegen, van tegals, nangkgölë. ‚ van sawah’s, à saka.

-

bepraten, ngrëmpok, kgoenëman, tjandon, groenëng. beprikken, njongkè. beproeven, ngôti, tjâtjàl, njatjak. beraad, tèmpàngan, pêkêran, rëm

pòkan. beraadslagen,

nèmpàng,

mêkêr,

ngrëmpok. beraden, zich -, mêkêr. bereid, marè.

-

ik ben -, marra, ajoe, nàthë, tôrè, dabëk. bereiden, njëdia aki. bereids = reeds. ,

bereidwillig = behulpzaam. bereiken,

-

,

verwerven, ôlè, nëmoe.

komen, napa, nanthoek.

— ,

achterhalen, kêtjapoq. ‚ er bij kunnen komen, noekgë. berekenen, ngètong, bilâng. berg, kgoenong. bergbewoner, orèng kgoenong, kantja kgoenong. bergeend, ittik kosta.

-

bergen, ngimpassè, narô, njèmpën, tjèlèngè, ngêröp. bergop, 0ngkgë kà kgoenong. bergpas, loewa. bergplaats, kgrôpoek, lamari. bergrand,

pingkierà

kgoenong.

bericht, bërta, kapâr. berichten = bekendmaken. berijden, nompaq, nètè.

berispen, ngompàng, à thoeka. berisping, i ompàng, i thoekani. beroemd, bäkoes, jamanà, i alëm. beroemen, zich 1, i alëm thiebi-ën. beroep = bedrijf. beroepen, zich op iemand -‚ i tëmoe aki bân. . . ., à tanja aki kà. . .. berooken, met wierook, njonson. berooven, ngrampas, piekgâl, rëpoe an.

-

, stelen, ngètjoq,

maling. van het leven, mattè-è. berouw, kasta. berst = barst. bersten = barsten. ,

berucht, jama tjoebâ, ka-alok. berusten, nërêma, nëngënëng, bâkgi, parrèng, pasra. hesje, oud vrouwtje, nênê, obä, tôwa, njaè. beschaafd = beleefd. beschaamd = verlegen, bedeesd. beschadigen, mà-rossak, r0ssak aki. beschadigd = kapot. beschaduwen, nawëng, aoep. beschaven, schaven, à passa, alos aki, lètjin aki. bescheid = bericht, antwoord. bescheiden, i atjâk, i sòrò èntar, ngatôwèn, mëkas aki, nimpàlí. , zedig, antëng, alos. beschermen, raksa, tôlong, rabâti. beschikken, toezenden, ngèrèm

-

ngatòri. beschilderen, ngëtjèt. beschimmeld, amboeng,

lintat.

beschimpen,ngompàng,taqtrêmaaki. beschot, tabieng, pakgër. beschouwen = bekijken. beschroomd = bedeesd.

-

‚ bang,

takoq.



beschrijven, schrijven op..., nôlissi. — , verhalen, tòtor, tjërêta. beschuit, biskwit. beschuldigen, koekgât, ’ndaqwa. beseffen, ngrassa.

-

, begrijpen,

ngartè.

BETREKKEN.

BESLAAN. beslaan, opleggen, nglappis, nappël. — ‚ verbreid, bröt-a, lébâr. beslag, oplegsel, lappissan, tala, songkit. beslagen = dof, glansloos. beslechten = beslissen. beslissen, mòtossèn, ngrampongè. besloten, zeker, tollos. besluit, bevel, printa, karsa, thâboe. , einde, bëkassan.

-

besluiten = bepalen. , eindigen, amboe, oboes, lobâr,

-

màtottok. besmeren, met olie, enz., mienjaqèn, ngoeskoes. — , met klei, enz., mòpô. besmet, vuil, kottor, këthö. , door een ziekte, ngëning, nòlarè. besmettelijk, nôlar, katôlaran. besneden, i sònat. besnijden, njònat. besnoeien, nôkô, ngrongrong. bespaard, van geld, tjèlèngan. besparen = bergen. bespelen, napoe, maèn. bespeuren = bemerken.

-

bespieden = begluren. bespoedigen, lëkasèn, këpâtèn, kàn tjângèn. bespotten, ngòtjôngòtjô. bespraakt, pintër ngòtjaq. bespreken, ngrëmpok. bespringen, lontjaq-èn. besproeien, njêram, nôrap. bespuwen, tjôpaqèn. best, bëtjè thiebi, saè thieri. bestaan, bâdë. = bediening, ver , broodwinning dienste.

-

bestand, stilstand, tëkgäntong, à dantè pôtossan. — , volhoudend, bèta, këlar, kgöli, kôwat.

= uithouden, volharden. bestellen, mëtôrô, mëkas. = bescheiden. bestemaat, vriend, sarmô, phörëng. —

-

bestemmen bestemming,

=

bepalen. pökal, nêat. , wil, karëpà. bestempelen, ngëtjap.

-



=

1106111811.

bestendig, pakoen, abiet, patjöt, sëmani. bestje = hesje. bestraffen = bekijven, berispen. bestrijden, à labàn.

— = beoorlogen. bestrijken = besmeren. besturen, mrinta, djoemënëng. bestuur, sè à printa, nëkgörë, orèng

akgceng. betalen, madjär, njëraq. betaling, badjâran, Ôpa boeroeàn. betamelijk, patot, pantës. betasten, ngrakë. à këkë. ‚ rondtasten, beteekenis, artênà, karëpà.

-

betel, sêrê. ‚ kauwen, mêna, môtjang. beteldoos, mênangan, sëlëpè. betelnoot, pênang. betelnootboom, poengkanà pênang. betelpruim, pêna-an massaq. , geneesmiddel, tëtôlak.

-

-

stamper, lòtjò. beter, lëbi bëtjè, pinthöan. , aan de betere hand, pinthönan. — , ’t ware beter dat. . . . tjömaq. , van een ziekte, bàràs, issak. beteren, thëmàng, bädë òlènà. betéren, mòboe ëtèr, ngëtèr. beterschap = beteren. beteugelen, nahan, amboe aki.

-

beteuterd, takrëtjët. betichten = beschuldigen. betoogen, trang aki. betrachten, tamtô aki, lakôni. betrappen = bereiken. betreden, i êthë.

betreffende = aangaan, aangaande. betrekken, massoq, nglëpoe. , ergens iemand in -, mêlô aki.

betreffen,

-

BETREUREN. betreuren betrokken,‘

=

beweenen. van de lucht, ondém,

pëtëng langkëp. betten, napël. bekennen. betuigen , dank -, kasò-on, mator njò-on nërêma.

-

ingkí,

betwisten, à rëpoe. ben, meer dan voldaan, bërtà, poesën, tôboek, brëbëk, këkënjangën, monggoot. beugel, stijg-, këtèngkgë. beuken, môkol, ngantërn. , met de vuist, sintëm, goetjò,

-

tèmpak. beul, tôkang kgântong, këlòtjô. beurs, kantong, pêssè, wöthönà.

-

,murw,boetjoq,toertoer,gëndjoer. beurt,beurtelings, kgielieran, tègântè. beuzelachtig, tadë parlôna, taq parlô. beuzelen, ngangkoer. bevaarbaar, dölëm. bevallen, rimbi. ‚ van een plaats, përna. manis, bàkoes, bevallig,

-

léboer,

rattien. bevangen,

door

drank,

maboe,

plëngën. ‚ door hitte, kapëtëngën. bevatten, ngartè, trang. , inhouden, êssê, boewaq. , van geschriften, monjê. bevechten, à labân, prangè. beveiligen = bergen. bevel, printa, tàboe. bevelbrief, sôrat printa.

-

-

bevelen,

mrinta,

BEWEREN.

59

’ntâboe,

|

bevinden, zich gevoelen, ngrassa. , zich ergens -, bâdë, ënëng. , ontmoeten, nëmoe, panggi.

-

bevloeien, nôrap. bevochtigen = besproeien. bevoegd, geschikt, patot, pantës. tao, onning, pintër. , bekwaam,

-

bevolking, orèng kènè, —— nékgörë. bevoordeelen, bri ontong. bevorderen, helpen, nôlong. — , bijdoen, njèmboe. bevorens = a1eer. bevrachten = beladen. bevragen, tanja, ngêdieng bërta. bevredigen, ngënëng aki, përna aki. bevreemden, mënga, gëton. bevreesd = bang. bevriend, a sarmô, bevrijden, ngòtjol, nglëpas. bevroeden, gissen, kêra, kêrakêra, ngrassa. bevuilen = bekladden. bewaaien, met een waaier, enz., ngèpës. bewaarplaats, kgrôpoek, lamari. bewaken, djögö, ngëmit, nôkoe. bewaren = bergen. bewateren = bevloeien. beweenen, tangissè. bewegelijk, niet stil zitten, mòsè. bewegen, kgoeli, obaq. , heen en weer,òkgëôkgë,pangkoe, andjoelan. stuipachtig, mërtong. slingerend, à dingdang, njëlètot. ’t lichaam, zittend, ngissëk. de tong buiten den mond, pòlèr. flikkeren, van een vlam, këtër. schommelend, ontoe.

sòrò,

këpala, lôra, tëtinti, pangaddë, pangradjë. beven, ngittik, ngêtër, gëtoer, gëdër, . gídër, beverig, kgoekgoe, kgiàng, kgöban gën. bevestigen,

-

vastmaken, sëkënèn, pangkër, kaè, talè-én. = beamen.

vuuvuwvuv

njangkë. bevelhebber,

armen op en neer, klètorran. ’t hoofd, langzaam, lèngas. schudden, ngontjang. = overhalen. bewegingen van ’t lichaam, lêdoe.

-

in den buik, môlësmôlës, ngëlok tok, blësëk, mërospoes. beweren = bevroeden.

BIJ GEVOLG.

BEWERKEN. bewerken, kgàrâp, nglakôni. bewesten, i b’ârrë-ënà. bewijs, tanthà, boektè, saksê, kètèr. bewijsgrond, saksè. bewijzen, tanthà aki, noetoe aki. , getuigen, njaksènè. bewilligen, bàkgi, parrèng, nglélani. bewinden, omwoelen, boentëli, liq

-

liq, phuutphuut. bewolkt = beneveld. bewonen, ënëng, a bëngkô. bewust, tao, onning, roemassa. bewusteloos, klëngngër. bezadigd, atèatè, bëtjè, saè. bezeeren, sakè. bezegelen, ngëtjap. — = overeenstemmen. bezem, sapô, pënëphë. bezet, druk bezig, rèpot, êmô. , zwanger, ngandoeng. bezetene, orèng kgielë. bezichtigen, mriksa, ningkoe. bezig, à lakô.

-

— ,

drukte, rèpot. , zich — houden, ngantoen. bezigen = gebruiken, eten. bezijden, i pingkier, sëladjë,i èring. bezinken, a tët. bezinksel, këthö-ën, ampas, sëpa.

-

bezinnen, èngaq. bezitten = aanbehooren. bezitter, andi-ën, sè andi. bezitting = aanbehooren. bezoedelen = bekladden. bezoek, tamôj, katamôjan. bezoeken, èntar níngkoe, èntar namôj, kardjâ, ôlëman, njaphë. bezoeking, onheil, bàlàt. bezoldigen, madjâr, ngôpaè. bezoldiging, badjärân, Ôpa. bezorgd = bekommerd. bezorgen, iets -, ngatër. — , toezenden, ngèrèm. bezuiden, i lao-ën.

bezuinigen = besparen. bezwaar, sossa, êboe. bezwaren, bërà aki, tjètjè.

bezweet, pëlôan, òdjâng. bezweren, à sompaq, sompaqè— bezwijken, kala, pöngka. bezwijmen, klëngngër, taq èngaq, lëngkëng, miêtëk, kasatrap. bibberen, ngètik. = beven, beverig. bidden, sëmbâdjäng, sompadjâng. bij een doode, daags, sompadj âng. idem, ’s nachts, ngëlëkèn. bidkapel, langkër, ’mësègit. biduur, bâktô sëmbàdjâng. bieden, nabâr. big, boedoe-ën babi. , van een wild varken, bàngbà

-

-

-

bàng. biggelen, kgieli, hikken, niktik.

tjaptjappan.

bij, honigbij, njarôan, manjang, ta

-

boeân. ,

-_ ‚

-

-

dichtbij, sëmaq, para. i pingkier, rôpëk,

tegenaan,

. nalpè. elkander, pôlong, kimpô, kimpët, ' palong. de hand, pinter, këtjaq. wijlen, koetsëkoet.

zich hebben, ngèbà, njambi. tijds, sëtëng. — voorbeeld, kanta, kathi, saôpama. bijaldien, tjë, meng, among, këlamon, ngamong. bijbetaling, èmboenà, boeboelan. bijdehandseh, katjèr. bijdoen, njèmboe, tjamboer. , toevoegen, lapoe, tambël.

-

bijdragen tot, tollong, ngòrokki, njò koek, njompàng. bijeen, pôlong, kompol. bijeendoen, tjamboer, paq njètong. bijeenkomen, kompollan, pëkpëkan, tarappan. ‚ bijennest, léboenà njaroân, —njang manjang. bijgeloovig, përtjadjà sarôbànà. bijgenaamd, tjoeloek. bijgevolg, tôtti, töttinà, mangka.

BIJ KANS.

BLIJVEN.

bijkans, para, korang sakonnè.

bit, kënthöli.

bijkappen,

palpal. bijkomen uit een flauwte,laq (ampon) èngaq. bijl, wadoeng. , inlandsch kapmes, wëthoeng, tjalok, bliô, mòtoes.

-

bijleggen, bijpassen, njèmboe. , een twist, kala, missa.

-

bijlichten, njòlôè. bijmengen = bijdoen. bijna

=

bijkans. tjoeloekà.

-

— ,

onwettige, soentël, sëlir. bijsmaak, laèn rassa. bijstaan = helpen. bijstand, përtôlongan. bijster, verward, possang, giepò, giemëng, mamong. = verkeerd.

-

bijten, ngèkè, njèpaq. , onverwacht van een hond, njarap. bijtend, heet, pëtës. , van wonden, pëti. , aanvallen, njëpaq. — ‚ van woorden, sëngal, sëngit. — , van reuk, sërang, ampëk. bijvallen = instemmen.

-

bijvoegen = bijdoen. bijwijf, sëlir. bijziende, ramon, sangarrën. bijzonder, tjè, bëtjè, nglangkong. bil, boeri, tonking, bangkong.

billijk, sëtëng, patot. talè‘è,

pangkër,

kënthöli bëlànthä. kënthöli doeri. trens, kënthöli aèng.

, hollandsch, ‚ javaansch, ,

bits, këntëk,

pëngis. bitter, paè, bâ-àng, këtar. blaam = berucht. blaar, biendoel, lèpëlè, mlëntong. blaasbalg, oeboepàn. blaaspijl, passër. blaaspijp, toeloep, blad, daon.

bijnaam, bijpad, simpangan. bijslaap, phörëng têdoeng, — sarèn. , wettige -, bienê, kabien.

binden,

-

kaè,

tjè—è,

tottos.

- , een paard,enz.,buiten-,tjantjang. bindtouw, talê ramè, kobâl. bindsel, talêan, tôtossan. bindwerk, èka-an. binnen, i dölëm, i rôma. binnengaan, nglëpoe, ka dölëm. binnenkomen, nglëpoe, massoq. binnenland, kgoenong.

-

sëròpong.

talam, bakki, doelang. papier, lémbâr. , schenkblad,

kortjâng. bladerrijk, koempoes. bladerloos,

bladsteel, papa. van kadjang, tjëliengèt. blaffen, kgaong. blaker, kandelaar, tengkoe. blakeren, boven lamplicht, nglòlop. — , boven vuur, ngindoe. blank, pottê. blanke, orèng bëlânthâ, ——- pottê. blanketsel, bëthö, pòpor. blanketten, bëthöè, mòpor. blauw, phiroe. blazen, njërop, njërêpoe. ‚ door een blaasbalg, toeloepè. , van een slang, njëmpoer. , van een kat, kgörëng. bleek van gezicht, pottè, konning,

-

-

plaj, atjom. , van kleuren, ngôdë, lontor. bleeken, tjërnor, nglantang. bleeker, tôkang mënatô. blein, kapalën, mlëntong.

-

bles, tjondë. blijde, pérak,

toelat.

blijk = bewijs. blijkbaar, blijken,

trang,

këtara,

tamtô. doen blijken, trang aki, ngartê aki. blijmaar, kapàr slamat, bërtaléboer. blijven, taq nòrò, njètjèr. — ,

BLIJVEN.

BOODSCHAP.

blijven, vertoeven, ënëng, longkoe.

-

staan, amboe, mantjëng.

blik, tèmbra,

bëssè

pottê.

- , oogopslag, këtëp. bliksem, kèlap, tëpkëtëp, tampias. - door den- getroffen,itapor kèlap. ,

blikslager‚ tôkang tèmbra. blind, boeta, rabéng, tjëkok. — ,

luik, djandiela.

blinde, orèng boeta. blindelings, marra orèng rabëng. blinken = aanblinken. bloed, dörö. bloeden, mëtô dörö. bloederig, koepràt dörö. bloedkoraal, mardjàn. bloedloop, à taèan dörö. bloedstelpend, tampé. bloedspuwing, ngôtaq dörö. sanaq, phölö. .bloedverwant‚ bloedzuiger, lintaq. bloedzweer, boetoen, pôrô sêkie, ‘ tëlëpô. bloeien, een plant, ngëmpâng. van een bloem, mëkar. , welvarend zijn, sëkër, bàrâs, issak.

-

bloem, kërnpàng. — wegnemen, toppen, bloemig, van gekookte

bântô. aardappels,

körpoe. bloemknop, mëkoq, tongkol. bloemkrans, kalong këmpàng. bloemperk, pëtêtan, këmpàngan. bloempot, pëtêtan. blok, hout, balloq, kadjoe boengkol. voor gevangenen, bëloeq. voor krankzinnigen, plëkphëkän. — , hijschblok, tankèrian.

-

blond, konning. bloode = bedeesd. bloot, bângkang, katon. bloot, apart, pòtjongan. blozen, mindör, ma-ar. bluffen, tjarpak. blusschen‚ mattè-è, njêrëp. bochel, boengkoq.

bocht = bijpad. bochtig, biloe. bod, tabàran. bode, sôrôan.

-

, gezant, ôtossan. bodem, thâsar. , van een vat, enz., boeri.

-

, schip, kapel, prao. boedel, inboedel, pëkakas bëngkô. boef, phöngsat. boeg, tjòtjor. boei, kluister, rantaj. , gevangenis, krangkèngan, boei,

-

sëpier. boeien, mingkot, ngrantaj.

-

= behagen.

boek, ëboeq, kora-an, kêtap. boeken, ngëboeq, njatëtè. boel, veel, banjaq, ngrëmët, èphà. boender, siekët. boenen, njiekët, ngësot. boer, orèng tiessa, orèng tanè.

-

‚ oprisping, ëdrëp. boert, boerten, à ködjë. boete,

thienthà, njiksa.

boeten, madjàr thienthà, i siksa. — , inboeten, njôlam, ngangsëlè. boetseeren, nêrôj, napël. boevenstuk, lakônà phöngsat. boezem, borst, dhödhö. ‚ borsten, sossô.‚ , zeeboezem = baai. bok, ram, ’rnbi lakè, ’mbithoempà.

-

schraag, sëtellëng, tjöngka. bokachtig = lomp. bol, rond, boentër. van voorhoofd, kgönol. bolster, kôlè. . bolsteren, boeang kôlê, ngombi. bolvormig, boentër. — ,

-

bondig, trang, ringkës. . honk, been, tôlang. bont, bëlàng, sëlangsëling, blölëk, blëntëng. , litteekens, lampang. bonzen = aanbonzen.

-

boodschap,

sòrôan, pakonnan.

‚\

BRAND.

BOODSCHAP. boodschap = bericht. boog, schietboog, këndêwâ. , gemetselde, ëbo.

boschhen, trata, adjâm alas. boschkat, mossëng, kgöröngan. boschmensch, orèng alas. bossen, kgientilli, ngontil, ngonting, a glâdjoeng. van tabak, nampê pökô. bot, tompol, këtoel, taq êti.

-



, eereboog, plëngkgoengan. boom, poengka, kadjoeàn. van een schipper, bàtang. , havenkantoor, ëbôom, bandàràn. boombast, kôlè. — = bastvezels. boomen, een vaartuig, bàtangi.

-

-

-

-

bout, pakô radjë, ëb0ut, patol. van een viervoetig dier, sampil. van een vogel, pokkang. bouwen = aanbouwen. bouwland = akker.

-

boord, rand, pingkier. aan gaan, ongkgë kapal, ongkgë prao. boordevol, possaq sakalè. boordsel van goud, pasmèn mas.

-

— ,

van zilver, pasmèn sëlaka. boos, sëti, ngampoel, mëròngô. ‚toornig,sëti,bëlër,mërot,njÔrëng. morrèng, rêngën. , oneens, sôkër.

-

-

, ondeugend,



nakkal.

booswicht, phöngsat. boot, sëkòtji, sampan. bord, pèrèng. — , schrijfbord, papan tôlis. — , soepbord, pèrèng kômô. , van bamboe, antjak. borduren, njongkèt. boren, ngëbor. borg, pënangkgoengan, pantjér. borgblijven, nangkgoeng. borgen bij in- en verkoop, ôtang. borrelen, njompër. borst = boezem. borstbeen, dhödhö mëntô. van een dier, tangkar. borstel = boender. borstlap, òtô.

-

bouwval, boquallig, djoegroekân. boven, atas, i atas. , van -, mëtàl i atas. ‚ ’t hoofd naar -, dëngaq, langaq. , naar boven, kà atas, naè. bovenaan, zie bij: aan. bovendien, pò1è, sambi,mabi,sarta. bovendrijven, ngambâng, ngatang. als olie, ngrënjëm. boveneinde, ôlô. bovenlanden, i kgoenong.

-

. ’

bovenop, nongkô, tompang, njontjët— ngontj ët. boventoon, tjërêmè, tjëroqmèn. bovenuitsteken, tongkoel. braadpan, = bakpan. braadspit, pangkgàngàn, plang kgângân. braaf, bëtjè, saë. braak, onbeplant, wândoeng. braden, kgorieng. , roosteren, mangkgàng. brak, ziltig, anta.

-

-

bos, bundel, kgientil, kollong, onting, sa-ontil, glàdjoeng, tangkgöpan, talêan. boseh, alas.

dom, lôla, poethoe.

= been, bloemknop.

boter, mëntégâ. botsen = aanbotsen. botten, tomboe, tërbi. bottelarij, sëpèn, goedàng. bouillon, kaldoe.

boomkatoen, kapas. boomspecht = specht. boomwol, kapô. boon, katjang, ôtô, kratô, enz. boor, ëbor.

-



\

braken, ngòtaq, òtaq-an. brand, apôj. , in — steken, ngopâr, njôlët. — ‚ overslaan van-, këlô, ngôlap. , in den mond, nornor.

-

BRANDEN. branden, tònô. I van steenen, ngopâr. van houtskool, ngôphoek. , wierook, ngôkop, njonson.

-

BUIGEN.

64

broeder, trêtan. ’ jongere ’ oudere

’ zoog-, anaq ngala. ’ schoon-, êpar. ’ stief-, trêtan kebâloen. , gebak, bloedër.

koffie, kgorieng koppi, njangar. , zich -, ngëning apôj, boellâ.

,

, verbrand,

këtônon.

, zengen,

angos, nglòlop. = aanbranden. brandewijn, brendi. brandhout, kadjoe. — ‚ goed brandend, kadjoe njònjor. , slecht idem, kadjoe ngëloskos. brandig van smaak of reuk = rans. branding, ombaq radjë. brandnetel, soort van-, mampës, këmathoe.

-

brandoven, tômang. brandspuit, somprot. brandstof, kadjoe, ampas, arëng. brandwonde, boellà. breed, lébâr, kgëpàng. breedte, lébârà. breekbaar,

bros, kgâmô, kgoeinê, rëpës, gëtas. breekijzer, ratjäng. breeuwen, ngëlam. breien, ngangki. breinaalden, praboetà ngangki. breken van hout of ijzer, mottong, tôkël, rëmpaq, rantas. van aardewerk, porselein, glas, bëlâ. breken van vaartuigen, rëmok.

-



-



van touw, pëkgö. van vlechtwerk, rossak. ‚ hoofdbrekens, sossa, êboe.

brengen, ngèbâ, mpëkta,ngatër aki. breuk = kapot. brief, sôrat, ladjâng. briefbesteller, pësôratan. briefomslag, tingkëm. brieschen, monjênà tjörön. ‚ snotteren, drëkëm.

-

brij. tatjien. bril, katja mata, tasmak. broddelen,

à lakô

taq karôan.

-, alè. -, kakkaq.

broedseh, ngêrëmà. broedsel, ngêrëman. broedhen, adjâm ngêrëm, pangorpi: broeien, ngêrëm. broek, sëlôbàr.

-

-

, korte

brok, stuk, —

-, tjëlanâ, katok. -, tjëlanà gërdoe.

‚ zeer wijde

uit

satòkël.

een rand,

sëmpal, kgoepil, rongkâng. brokkelen, naltal, mërôat. brokkelig, hard, sëkèlën. brommen, van insecten, ngëroeang. — , van honden, à drëng. , knorren, ngòngòan. ‚ snurken, njërëngok. bron, sompër. , oorsprong, assal, ôlô.

-

brood, rotti. broodbakker, tôkang rotti. broodboom, kôkap. broodsuiker, kgoelâ passier. broos = breekbaar. brouwen met de stem, loq-laq. brug, kglàtâk. bruid, këmantèn bienê. bruidegom, këmantèn lakè. bruidschat, sasra-ân. bruikbaar, ngëning i angkoej, bâdë kgoenanà.

bruikleen, kgàtoe, kgàtoeân. bruin, méra. bruin kleuren, njôkgë. bruinvisch, tjoekoq pölompë. bruisen,

ngërôsô.

brutaal, korang atjàr, sëlôrô, böngallan. buffel, karpoej. buffelkalf, kôdil.‘ buigen, biloe aki, biengkoq

aki.

CITATIE.

BUIGEN.

w‘owv

nijgen. doorbuigen, mënot, mëndëlong. buigtang, kakatoea. buigzaam, week, lètjaq, lëmës. buik, taboe — , klein van -, klëpis. .\ buikgordel, buikband, sappoe, pën— tieng, pëngkong èpê. buikgordelplaat, phötoeng. buikig, dik, taboe radjë, lirboet,

ngoendjietondjiet. buikloop, kapadàngan. buikpijn, sakè taboe, môlësmôlës. buikriem, ampën. — == buikgordel. buikworm, tjatjing. buikzuiverend, tjâmô taboe. buil, gezwel, bârë, klintjëran. buis, goot, ëgot, pantjorran, talang. — , wambuis, klampi, rasòkgàn. buit, òlênà, rampassân. buitelen,

duikelen,

tjoengkèlang, njonglët, tjoengkëling, tjoempël. buiten, i loear.

i

i

,

zich ter aarde -, njoengkëm. —

i

i

-



à tëkong.

=

buiten, op land, tiessa, kamporig, alas. loearënà. van -, uitwendig, — naar -, kaloear, mëtô, mèos. buitendien = bovendien. buitengemeen, taq lombra, nglang kong. buitenlander, orèng mantja, orèng bânèan nëkgörë. buitenlandsch, mantja, laèn nëkgörë. buitensporig, banjaq kiloe, tàlébàt. kloear. buitenwaarts, ’t

’t hoofd, nondoe, njòkël.

de knieën,

,

-

bukken, nondoe, ngëndë, njonnô, njòkël. buks, tingkër, bëthiel, sënappan. bul, stier, sappê pëlèran. bult = bochel. van een stier, koelkoelan. van een kameel, tënggoeng. bultig, biendoel, lèpëlè, djilgëm,

-

-

kildëm, këlpoe. bultzak, kassor. bundel, boentëlan, poentoeân. bus, boemboeng, koentjà, wöthö.

buskruit, opàt. buur, tëtangkgë. buurt, kampong. in de -, sëmaq, para.

-

,

buigen,

C.

cassia, tangkgôli. cement, sëmèn, plèstèr, cent, ësèn. chais, tilbury, bendi.

1010.

-

,

-

,

kòlat. champignon, vergiftige, kòlat kò-ong. bruine, kòlat këtâng.

i

chef, lôra. chinees, orèng tjêna, baba, siengkè. chineesch, tjara tjêna. -e staart, kontjèr. cholera, sakè atas bâbë, noktak, mor bies, phötoek morbies. christen, orèng massoq sëranè. cijfer, angkâ, nommër. cijns = belasting. cijnsbaar, ngëning patjëk, - kgràpàk. cylinder, slindër, bätô kgielieng. cipier, sëpier. cirkel, boentëran. halve -, plëngkoengàn. citatie, dagvaarding, sôrat sita.

-



Cacao, tjôklat, koppi bëlânthâ. cachet, ëtjap. cacheteeren, ngëtjap. cachou, kgâmpier. cactus, doeri èntong. canapé, bangko. caoutchouc, karèt. cassette, pëtê nôlis.

CITROEN.

DAME.

66

_

compres, dicht, kërëp, tjieröp. confituren, manissan. consent, sôrat permissi.

citroen, tjëroek tjêloq. civetkat, tangköloeng. comedie, Hollandsch, kòmêdi. , Chineesch, wadjàng. , Inlandsch, wadjâng, toppèng, sërônèn.

-

consequent, pakoen. kontan. contant, kèntjèngan, contract, tjäntjiän, kontjrat. controleur, kontrôlir. corrigeeren, obaq, màbëtjè salanà. . courant, sôrat kapâr.

eommandeeren, à printa. commissie, ngommèsi. compagnie, kompënie. compagnon, phörëng, patongan. compleet, kënaq, tjòkop.

couvert,

tottop sôrat, tingkëm.

D. Daad,

-

pangkgöbâj. de — betrappen, sakalanà .....

, op

ngëning

, inderdaad, ongkoe, ongkoean. daag, van-, arê tiea, arê tontô, arê mangkèn. daags, siang, abân. — , iederen dag, sapën arê. ‚ te voren, bàri. , daarna, lakoena. daalder, tëlô sòkô. daar = aldaar. — , omdat, sëbâb, kërna, pôlanà. ’njaq, ’njaqll , daar heb je ’t! daarbij = bovendien. daardoor, ergens door, tros, laris, pötjot, bâroes. daarenboven = bovendien.

-

-

daarentegen, tappè, nganning. daarheen = aldaar. daarna, marènà, marè èpon. daarom, om die reden, môlanà, pô lanà, mangka. daarop, vervolgens = daarna. daartoe, daarvoor = daarom. daartussehen, in dien tijd, pompong sëtiea, —— mangkèn. dadel, korma. dadelboom, poengkanà korma. dadelijk = contant. ’t oogenblik, sëtiea gia, , op

-

sëmangkèn

tjoekgèn.

zoo dadelijk, kiloe, laon, dadelijk, dantè sékgëtjë, mangkèn. dader, pësakètàn. dag, daglicht, siang, arê. , bijna dag, para siang. dagblad = courant. dagdieven, ngangkoer, tëlédor. dagelijks, sapën arê, arian. dagen, para siang, pottê têmor.

-

-

, oproepen, ollok, nimpàli. dageraad = dagen. daggeld, badjàràn arian. daglooner, kôli, orèng kôli. dagreis, tjào sa-arê, tampën sa-arê. dagteekening, arê boelàn. dagvaarden, sita. dagwerk, lak’ô arian.

dak, ataq. dakje, afdak, amper, dakdrup, triptippan. dakgoot, talang. dakpan, gëntèng. dakspar, ossok. dakstut, antër kènè.

tarop.

dal, tana lëmbâ. dalen, tôron. — , in prijs, tôron atji. ‚ van onder tot jonger, tëmôron. dam, tâboean, bënthoengân, angkël.

-

kleine - in de rijstvelden‚taboen. dame, getrouwde, njonnja. — , ongetrouwde, nonna.

DAMP.

DESWEGE.

mist, arboen. rook, òkos.

damp,

-

,

dampig = damp. , van een paard, amp‘ék. dan, alzoo, mong bëria, among bë rientoq, këlamon sapanèka, tötti.

-



‚ vervolgens, pas, latjoe, marènà, mare èpon.

degen, pëthàng. degene, sè, orèng sè..., kantja sè.... deinen, ngombaq. deining, ombaqombaq. deinzen, njôrot. dek, tottop, kôdoeng, tjoekëp. deken, sëlèmot, sappoe, sëprei. dekbladen van een dak, ataq, wëli,

— , — —

evenwel, tappè, nganning. (bij vergelijking), bân, bi, këlabàn , toch, ra, mëna, pëna.

dank, panërêma, panjò-on. dankbaar zijn, mbàlës bëtjè, — saè. dans, dansen, Hollandsch, dangsa. — , Inlandsch, nabdâq. — ‚ als een paard, njèrik, nandâq. dansmeid, tandâq. dapper, böngal. darm, ossos.

-

, van dieren, kërê. das, kleedingstuk, dassi. dat, aroea, djeroea, nèkô, inggroea. — , (betr. voornaamwoord), sè.

dauw, ëpoen. daveren, dreunen, ngrontak. debet, ôtang. debiet, padjoe. debiteur, sè ôtang. deeg, athoenan. , zuurdeeg,

poentong,

dege,

rongkâng.

koean,

pëndër,

degelijk‚bëtjè, saè. , sterk, kgöli.

-

lërës.

delven, kgalê. dempen, blusschen, mattè-è. , een gat, nôpô. ‚ een twist, missa, njêrëp. denkbeeld, pamèkèran, pangrassa-ân. denkelijk, kêrakêra, tjögönà. denken, mèkêr. — ,

denk

ik,

verbeeld

ik

mij,

tjögönà.

=

denkbeeld.

deren, kgöbâj rôgi, përdoeli. dëria ròbônà, kathi dergelijk,

la-ang. toe-oeman.

-‚ tôkong, pôtak. patot, pantës, gantëng. ter-, tjè, betjè, ongkoe,

tokkop,

dérailleeren, kökgör. derde, tëlô-én. derdehalf, tëlô tenga.

, zonder

deftig,

tottop, kôdoeng, tjoekëp, tjòkàp.

deksel,

denkwijze

deel, bâgíân, deelen, bâgi, toe-oem, ngêbàng. deelen in iets, mêlô, matong. deelgenoot = compagnon. deels, saparô, satenga, sasèbâ. deernis, nèssër, kanèssërën. defect, korang, nangkoeng, rossak,

-

-

-

darmpijn = buikpijn’. darmworm, tjatjing. dartel, vroolijk, lòtjô, pérak.

-

katjàng. dekgras, lalang. dekken, nottoppi, ngôdoengi. , met riet, ngoetos, nalap. dekkleed skabrak, voor paarden, ‘ sëlèmot. = dekbladen. dekriet

ong—

ka

dientoq. derhalve, tötti, mangka. . dermate = aldus. dertien, tëlô bëlâs. dertienmaal, tëlôblàs kalè. dertig, tëlô pôlô. derven, korang, kaélangan. derwaarts = aldaar. ' deserteeren, mienggât. sadëria desgelijks, sapanèka gia, tjoekgâ. desniettemin, tappè, nganning, mas kè dëria, maskè sapanèka. destemeer, sadjën, sadjönè. deswege = daarom.

DOEK.

DEUGD. deugd = braaf. deugdelijk = degelijk. deugen = goed, bruikbaar. deugniet, nakkal, kaparât. deuk, pêsok, pêrot, këldoe, kildem,

-

pliengën, djilgëm. , ’t voorhoofd ingedrukt, mënoq

dong. deun, panton, pôtjian. deur, labang. dewijl, sëbâb, amarkgâ. deze, aria, jëria, tontô, nèkô, kaintoq, kadientoq, panèka. diadeem, tjàmang. diamant, intën, djakot. dicht, gedrongen, sëksëk, sëlaq. aaneen, rapét, rôpëk, nalpè. , de oogen, mëtëm. van een wond, klonjèn, bëntët, kêrô, kêrëm. op elkander, 1ëtjët, tjieröp. aan elkander, nèmpè, nalpè. , verstopt, tôpën.

diepliggend = ingevallen. diepte, dölëmà, tjoeklàng. diepen, dölëm aki, kgalè. dier = beest.

-

in den natuurstaat‚ dierbaar = deernis.

dierlijk = beestachtig. diervoege, in-, dëria, berientoq, sa panèka, kathi kadientoq. diets maken, lètjik, tjöngòtjô, nga possèn. dij, pokkang. dijen, mëkar,

-



, den mond,

tjoengkëm. dichtmaken, met was of lak, kgiliek. dichtstoppen, njêlëp. môros. diarrhee, kapadângan, die = dat. dief, maling. diefaehtig, marra maling, tjëlèrèng. dienaar, djoengos, orèng, panèkabân, apti. — , slaaf, toenor. diender, oppas pòlisi. dienen, djögö, raksa, nglattieni. — ‚ tot iets, bâdë kgoenanà. dienst, pangkgöbâjan.

-

= bediening. dientengevolge = zoodat. diep, dölëm, këtj’ëm, antjëp. — , alleen in ’t midden, kgoerdoe. ‘ ‘ , van een wond, dölëm, këlët. , als een soepbord, kômô.

-

van stam, sompa. , zwaarlijvig, lompô, tjapa. en kort, pëntit. ‚ bol van aangezicht, këmblëkëm, ,

-

mëlëmpoeng.

ngëmpoel.

-

dichtbij,

dichtknijpen, mèntjô, mênjong.

!\

dijk, tangkis, taboen, tangkoel. dik, van omvang, radjë.

-

sëmaq, para. , erg dichtbij, i êti-ën. dichtdoen = sluiten.

phoeron alas.

vlakke voorwerpen,

, vloeistoffen, ‚

van

haar,

rampies, ‚

lêkët, gras,

kantël. lêkô.

enz., kantël,

njëna.

dikbuikig,

de rest mager,

pen

dieng.

.

dikwijls, kërëp, koetsëkoet,

sëring.

ding, phöröng, perkara. dingen = bieden. dinges, anô. dinsdag, arê sëlassa. discipel, anaq ngatjâr, anaq ngatji, anaq sëkôla, môrid. dissel, patèl. disselboom, bötaq-an. distel, doeri.

distrikt, distrik. bidhöna, dëmang. distriktshoofd, , onder-, astèn bidhöna. dit = deze. sakalè ria, sakalian ka ditmaal,

-

dientoq. dobbelen, maèn. doch, tappè, nganning. , maar...., adoe.... dochter, anaq bienê, pôtrê. doek, laboen.

-

DOEK.

-



hoofddoek,

ôthëng.

luier, pôpô.

, handdoek, andoek, sërbet. ‚ zeildoek, kaèn ladjâr. , zijden -, palangi, sôtra. — , sjaal, pintjoeng. doel, sëbàq-à, pengara, nêat. , schietschijf, lèsanan. doelen, bedoelen, pengara. doelloos, tadë kgoenanà. doemen, ngôkom. doen, kgöbäj, lakô. , een verzoek, mintaq, njò-on.

-

-

niets-, ngangkoer, njëlingsihg. doenlijk, ngëning, ôlè, kgàmpamg. — ,

dof, glansloos, ôrëm. , vuil, këthö. dokter, thoekon, toean

-

doktër.

dol, kgielë, ngamok. — ‚ van moeren, lompor.

-

dolk, keris. këndëng, poethoe. voordoen, lômôlô. dommekracht, tjâroem kras. dompelen, njangrëp, njapoer. donder, kloetoek. donderdag, arê këmis. donderen, à kloetoek.

-

-

donker, pëtëng. , stikdonker, langkëp. ‚ van lommer, nawëng, , van kleur, toewa. donkerbruin, méra toewa.

-

aoep.

lindi, rimpon. doodsbeen, bâlong. doodsch, eenzaam, mêtji. doodshoofd, plëntongan. doodstraf, ôkomman mattè.

-

-

doorbrengen,

verkwisten, moeang moeang. doorbuigen = buigen. doordien, sëbâb, amarkgâ. doordringen, van vocht, njëlèpêr. — , inwerken, soltok, antjëp aki. dooreen, gemengd, tjamboeran, kà boer. doorgaan, laris, pötjot, pötëk. niet omkijken, njòkëng. op hol gaan, boeroe, ’mbëdâl. op bepaalden tijd, tollos. van puisten, tjö , voortvreten ôan. , rechtuit, nërak, nërapës.

-

-

doorgaans, patjöt, kapra. doorgang, tjölön, trossan, loewa. dóórkìjken = begluren. doorkomen, goed - van regen, plan ten, enz., sôboer. doorkruisen, lingling, naratas. doorluchtig,

met gaatjes,

rangrang,

trawang. doorn, doeri, tjarang. —mëlôlong,

, van hoornvee, apàng. dood, mattè, ampon tadë, i pontoet bëkassan. doode, orèng mattè, — ampon tadë. dooden, mattè-èn. doodkist, panthoessâ. doodmoede, lëssô sakalè,

dooier, méranà tëlor. doopen = dompelen. , tot christen, massoq sëranè. door, i, sëbâb, bän, këlabän, amarkgà. , verder, tros, pötjot, laris. ‘— iets heen, tëproessok, bâroes. doorboord, tërpës. doorbreken = breken, aanbreken.

-

dolen, dwalen, sasàr. , fout hebben, klêrô. dom, lôla, , zich

doof, tingël, kgoepàk, kòpok. — , van lichaamsdeelen, kriengkieng. doofstom, boei.

IJww

doek,

DOORWAADBAAB.

môkoek,

doornappel, këtjoeboeng. doornat, koppô, lôkos, lontis, lëpos. doorschijnend, tjëning, têraq. doorslaan, doorschrappen, mattè’èn.

-

-

, veel praten,

= doorgaan.

bikbik.

, doorsnuffelen, njassak. doorstéken, njòtjoq, nôthoe, nompàk. dóórsteken, de ooren, à sòthoe. met een pen, pantaq. , een dam, toeâs, tërbà.

-

doorwaadbaar,

ningkè.

DOORWADEN. doorwaden, lébât i songaj, nërapës. doorweekt = doornat. doorzetten, pötjòt, bäroes, pötëk. doorzien = bevatten. doorzicht, akkal, krêna. doorzoeken = doorsnuffelen. doorrijgen,

njaring.

doorzijpen, ngrëmbës, njëlèpêr, njè ’ rëp, nassër. doos, wöthö, paqlòpaq, paqtèpaq. doove, orèng tingël. dooven = blusschen. dop, schil, kôlè, klottòkan. dor, kring. dorp, tiessa.

DBOGEN. dragen, met z’n velen, ngossong, mêkol. , op de armen, ngrampaq. , in de hand, njambi, tingting. , in den gordel, njongkil. in ’t baadje, kgânthoe. dralen, apik sakalè.

-

-,

= dwang. drank, mênomman. drang

-

dorpel, kalingkaq-an. dorpsbode, këbàdjân, kampong. dorpshoofd, patinggi, kléboen. dorpspriester, mothien. dorpsschrijver, tjoertôlis tiessa.

, van een dokter, tjàrnô. draven = draf. dreigen, akgë, takoq-è. drek, taè, tjërèngkè. van viervoetige dieren, tjëlattong. . van vogels, tëmantjô. drenkeling, orèng njêlëm, tangkëlém. drenken, ngênom aki, ngênommi. ' dreunen, ngrontak. drie, tëlô. drieërlei, tëlô rôpa, bërna tëlô.

dorst, dorstig, plëkaq. dozijn, lossien, doeblâs. draad, bënang, labâj, bôla. draagboom, pêkollan. draagstoel, tanthoe.

driehoek, antongantong. drielingen, anaq këmpàr tëlô. driemaal, tëlô kalè. . driest, böngal. drift, toorn, sëti, pëkël, bëlër.

draagtoestel, ongkè, salang. draaien, môtër, môlës, môlër, phieloek, lêr, èngos. — ‚ touw, ngingkab, mèntè.

-

touwtje, koordje, pêlës, pêlër, plitèr, plintèr.

, tot een

, tot een

punt, pêsël. draaislinger, èngkol. draaiwind, kalingboesboes. drab, ampas, këthö-ën, sëpa. , van olie, tjëlënta. — , van koffiedik, sà-ar. drabbig, boetëk, këtô.

-

draf, draven, djiekdjiek. dragen, in ’t algemeen, ngèbâ. — , aan een stok, mêkol, kèraè. — ‚ op den rug, kgientoeng, kantil. ‘ — ‚ op de heup, njimplang. , in een doek, ampën. ‚ op ’t hoofd, sÒ-on. , op schouders, mêkol, songkoei. , onder den arm, ngëpik.

-

-

-

-

, voortvarend,

pönter,

driftig = drift. drijfveer,

pötjëng.

markgànà. ngatang. kgierieng.

sëbàp-à,

drijven, ngambàng,

-

, een

kudde,

vlucht, ’mboeroe aki,akgë, nabâng. drijver, drevel, pantaq. dringen, maksa, njëlëk. , van paarden, enz., këtot. dringend, sëlëk, pöntër, phöngët, parlô. drinkbak, palongan, plantoengân. drinken, ngênom. , hoorbaar -, ngëtjrot. drinkgeld, reisgeld, sangô. , op de

-

-

drinkglas, kglàs. drinkkan, kënthi. droefheid, sossa atê. droes, salèkarang. droesem = drab. drogen,

kësap aki.

DROGEN. in de zon, tjëmor. in den wind, ngèssès, angèn aki.

drogen

-

‚ te drogen leggen buiten, nglan

tang, kindhöng. drokte, drukte, rèpot, parlô. dronk, tjëkoq-àn. dronkaard, orèng toedjàn ngênom. dronken, maboe, plëngën. droog, kring, kësap, kras, rangô,ker —

-

sang. , rivier of bron, .assat. , van wonden, njëlêkap.

,vanmelkgevendedieren‚malking. droogbak, tjëmorran. droogleggen, een rivier, mêtjëng. droogplaats, traktak, djangandjang. drooglijn, tampar, tjëmorran. droom, droomen, mèmpè. droomen, hardop, ngatjâ. droppel, tètès, tjaptjap, triptip. droppelen = afdruipen. druipen = afdruipen. druipnat, koppô, lëpos. druk, levendig, rammê. — , veel werk, rèpot, êmô, ringkang. drukken = aandrukken. , bezwaren, tjètjè-è, tompangè. drukkend, bërä, sossa, mëlarat. , warm, panas. drukte = drokte.

-

dubbeltje,

sa

tji.

dubbelzinnig, ngaling, taq karòan. duchten, vreezen, takoq. duf, apëk. duidelijk, trang, këtara. ‚ de stem, tjëta. aan duiden, wijzen = aanduiden,

-

WIJZGII.

duif, manoq thörö. ‚ jonge -, pëdji.

-

duikelen duiken

-

= buitelen. = bukken.

onder water, njêlëm. duim, pòlënpòlan. — , maat, edim. duimstok, kakêan, pëkakòn. duister, pëtëng, sôrëm.

Ì

DYSENTBIE.

duit, docwiet. duivel, sètan, pëlies, doerahit. , met den - omgaan, a rattjà. duizelig, këpë possang, plëngën,

-

tëngèn. duizend, sa-êboe. duizendpoot, pësangkër. — , niet vergiftige, rëna, lòpàn. dulden, bâkgi, pôron, lèlan. dun, kènè, têpès. — , fijn, alos, krèpè. antjor. , van vloeistoffen, méntjar, , verspreid, rangrang, bröta. dunk, gevoelen = denkbeeld. dunken = denken. dunnen, rangrang aki, têpès aki.

-

-



‚ van bosschen, enz., rongrong. duren = aanloopen. durven = driest. dus = aldus, alzoo. dusdanig = aldus. dutten, këtondoe, onggoe. duur, tijd = duren.

-

, in prijs, larang. duurzaam, kgöli, kôwat, kôkô, abiet. duwen, njorrong, sottok, sorrok, sëntor. dwaas = dom. dwalen, sala, klêrô. ‚ loopen, à lingling, sasàr. dwaling, fout = dwalen.

-

dwang, pëmaksa-an, printa. dwangarbeid, kalakôan paksa. dwangarbeider, orèng rantaj, orèng boeangan.

dwarlwind = draaiwind. dWars, malang. — , scheef, njèrang, mèrèng, pèrsot. dwarsgoot, pôtjoeran. dwarshout, palang, sontoek. dwarsdrijven, ngambëng. dwerg, tjapoel. dwergachtig, kattè. dwingen, maksa, mastè aki.

-

, als kinderen, dysentrie, métjën.

ngambëng. .

EB.

EGGE.

72

E. Eb, ebben, aèng kènè, — njòrot. echo, ròsarôan. echt, huwelijk, kabien. , zuiver, tëpaq, pëndër, lërës. echtbreken, boeroe, tëlak. echtelieden, lakè bienê.

-

i |

ongkoe,

echter = desniettemin. echtgenoot, tjoethoe. — = man, vrouw. eehtscheiden, tëlak. eclips, zon-, arê krieng. , maan-, boelàn krieng. edel, van geboorte, assal orèng ak

-

goeng. , kostbaar, larang. = zeldzaam. edelgesteente = diamant. edelmoedig, bëtjè, saè.

-

= goedgeefsch.

sompa, tèpat. eekhoren, ëphoe. eelt, poepoel, thoekôtën. eed,

een, sètong, sa. of ander, sala sètong. eend, ittik. , bergeend, ittik kosta. , kuiken, rèmërè. eendrachtig, rôkon, rampaq. eenerlei, padë. eenig, tade pò1è, anè.

-

-

eeniggeborene, tinganting. eenigszins, sakônè, sakôdi. eenmaal, sakalian. eenoogig, eenparig eens — ,

kêtjëk.

=

eendrachtig.

= eenmaal. in verzoek of bevel, marra ra,

nathë ëna, tôrè pëna. , in eens, krëtjët aki, kënjoek aki. eensdeels, sa-perkara. eensgezind = eendrachtig. eensklaps, pas, sëkgëtjë. eensluidend, padë monjênà.

-

|

i l, ‘; i |

eenvormig, padë ròbànà. eenvoudig = dom.

-

, gemakkelijk, kgâmpang. eenzaam = doodsch. eer, ormat.

-

, beter,

bëtjë,

saè.

pinthë-an. bilàn, sapën, lambâ.

, liever, angor, angoq, , vroeger,

dat, sabëloen. eerbaar, sòtji. eerbewijzen, ngatorri ormat, njaos aki ormat, njëmpâ, njëmpà njoengkëm. eerbied = eer. eerbiedig, këlabân ormat. këloean, kà-adde, eerder, kiloe,

thiengin. eereteeken, bientang. eergierig, angkoq, kòtjaq. eergisteren, kadoemalëmënà. eergraf, heilig graf, asta.

eerlijk, pëndër atê, taq lètjik, tjoe tjoer, tjàrbàk. eerst, kiloe, tiloe, ka-addë, thiemin, thiengin. , voor ’t eerst, phoeroe mamôlan,

-

boengaran. eerstdaags, sakônè arê aki. eerstgeboren, sriang, tambéan. eertijds, lambâ, kôna. planglângân, plangkàngàn. eetbaar, ngëning i kakan, kènging i eest,

thà-àr.

eetlust = honger. , geen -,van mensehen,taq mélak. , idem, van dieren, misson. eetstokjes, Chineesche, tjiepit. eeuw, saratos taon. eeuwig, sëmani, tadë amboenà.

-

effen, rata, lènjè. effenen, rata aki. van schuld, madjàr pôna. egel, landàq. egge, sëlakë.

-

EI.

ri,

-



elk, sapën, èbâng.

elkander, aan -, met - = eendrachtig. — , aan schuiven, rapatti, rôpëki. , in — schuiven, ngrampit. schuiven, piak, njartjar. , uit , uit nemen, boekaq, òkal, ra tas, nastas. genomen, rabëkân. , door voegen, kimpô, kimpët, , bij

-

-

-

-

palong, lantjöt, kimpël. , op één plaats, pôlong, ‚ bij moskol, tjampô. , achter -, nòrò boentè, èlèran. ‚ dicht bij —, tèmpè. , uit -, vingers of toonen, nirbàk.

-

-

enkelring, bienggàl. enten, tjangkoq. inenten, njongkè. enveloppe, briefomslag, tingkëm. erbarmen, nèssër, êman. erf, tana, pëkarangan, tanêan.

-

erfdeel, sangkollan. erfenis, phöröng sangkollan. erg, zeer, tjè, bëtjè, phöngët, sangët. ziek, sakè phöngët, sangët,

-

-

moeilijk, sara, mëlarat:

-



përana.

ergens,

kaiemaq diemaqdiemaq, kaiemaq. ergeren, zich pëkël. erkennen, ngakô, tao, onning. vergelden, ’mbàlës, njòkoek. erkentelijk, erkentelijkheid = dank baar zijn.

-

-

erlangen, Ôlè. ernstig, ongkoe,

-

ongkoean.

= ijver, ijverig.

ervaren, pintër. = ondervinden. eten, ngakan, nëthë, mathâng, thà-àr. spijs, kakannan, thâ-ârran. — onophoudelijk kinjëm. met gesloten mond, molmol.

-

-

,

ekster, manoq kòtjoe. eksteroog, kapallën. el, èlo. elders, laèn kënëngan, laèn nëkgörë. elf, sabëlâs. elfdehalf, sabëlâs tenga. elfmaal, sabëlâs kalè. elfderlei, sabëlâs rôpa, bërna sabëlâs, matjëm sabëlâs.



,

eindigen, amboe, lèrè, ngrampong. eisch = aanvraag, verzoek. eischen = aanvragen, verzoeken. eiwit, pottênà têlor.

-

,

punt, pattoe, pontja. eindelijk, di boedi thiebi, bèngking thieri. — ,

orèng-sa-orang. onvermengd, thôthô, pëndër, lërës. niet dubbel, lampë. slechts, bàè, phàè, biesaos. zelden, rangrang. malen, koetsëkoet.

,



,

eigenzinnig, tambëng, pëngkô. eiland, poeloe. einde, pottossan, ontjoer, bëkassan.

,

eigenbelang.

eigenlijk, pëndërënà, lérësënà. eigenwijs, pinter thiebi, - thieri.

e

zelf.



= =

,

eigenhandig eigenlievend

sarëng. eng, sëksëk, sëlaq, tjoppè, kènè. engelsch, ienggries. enkel, lichaamsdeel, këmèrè. , alleen, sètong, kathiebi, kathie



thieri.

-

emmer, ëtang, timbâ. en, bàn, këlabân, ‘bi, sambi, sarta, pòlè, phörèng, mossô, poentjoel,



eigenbelang, ontongà thiebi,» thieri. eigendom = bezitting. eigendunkelijk, karëp thiebi, karsa

elleboog, tjèngkol. ellende, ellendig, tjëlaka, plàj, nista, sangsara. , behoeftig = arm.



-

,

ei, têlor. ‚ eieren leggen, à têlor. eigen, thiebi, thieri. eigenaar = bezitter. eigenaardig, patjöt, tôman.

ETEN.

ETEN.

-

-

niet oneven, kënaq. -als, pedë wi, padë bàn, padë kë ,

lamon. groot, tëktëk. ‚ om ’t -, pede bàè, padë biesaos. ! sëkgëtjë, sëlembàq-ën. ‚ pas, phoeroe, kgëlâ. weinig = eenigszins.

FLUWEEL.

-

even, wacht ! laon, kiloe. = evenaren gelijk aan. evenveel, padë banjaq, pedë Ôlè. ‚ gelijk op, pôkô. evenwel = desniettemin.

eten, hoorbaar , ngêtjap. , vooravond vastemaand, à poeka. id. , a saor. ‚ middernacht etmaal, sa arê se malëm. etter, nana. etteren, kloear nana, mëtô nana. even, gelijk, rata.

-



74

-

-

'

evenwicht, in , tèmbàng. evenwijdig, pede rangrang, tanjëng, kërëp, latjier. evenzeer, padë, gia. everzwijn, tjèlèng. examen = onderzoek.

-

-

expres, expresselijk, i tengët. extract = afschrift, afschrijven. ezel, kèmer. ezelachtig = dom.

F. Faam = bericht.

fiskaal, djaksa, piskal. fladderen, nglëpër, pêrklëpëran.

fabel, toengèng.

fabriek, pabrik. fabrikant, sè kôbâssà fakkel, ophoer. falen

=

flambouw = fakkel.

i

pabrik.

dwalen.

familie, phölö, senaq. fatsoen, vorm, rôbâ. ‚ mode, tjara. fatsoenlijk‚tao ethât, onning prënata. feest, slamëtan, kardje, Ôlëman, së thie‘ka, rôkat. feestdag, riadjâ, arê radjë. feil = dwaling, dwalen.

-

feit, daad, kèlakôn. fel, sterk, kras, pöntër, phöngët, san gët, përane. fielt, phöngsat, orèng tjoebâ. fier, radjë atênà. fiets, rodà, sëpêdâ. fijn, van stof, alos. kërëp. ‚ van vlechtwerk, , van lijnwaad, enz. têpès, alos. pintër, krêna. ‚ overleggend,

-

-

fiksch, vlug, pantës, gantëng. , niet -, ongezond, taq thëmàng. filtreeren, njaring. firmament, langè.

-

flanel, planel, laboen panas. flarden, pëthö, soewak, lëssà, pietsë piet, mantëlong. flauw, zwak, lètjaq, lëmës, taq kô wat, taq kabobbë.

-

van smaak, tjia. , in onmacht, klëngngër. , onbeduidend, taq apa, taq éne

pè, taq pënapa. flesch, phoetol, koppè. ‚ vierkante -, koppè pangpang. flets, èlop, lënggër.

-

flikkeren = aanblikken. van een lichtje, enz., mëlikmëlik. flink = fiksch.

-

flonkeren van sterren, ngërênap. fluisteren, kottoqkottoq. fluit, sôling, sëronè, topêan, rintieng. aan de staart van duiven,sabân gen.

-

fluiten, njôling.

-

, met den mond,

siol.

fluks, ajoe, marra, këpât, kântjàng kësaqè, toeli, fluweel, bloetroe.

sëlëk,

brëkaq.

FNIEZEN.

fortuin, ontong, kasôkian. fout ’= dwaling. , zonder fout, zeker, tamtô, ong

fniezen, assim. foei, bòtji. foelie, këmpàng pahala. fokken, ngôboe. folteren, njiksa, màsakè. fondament, thàssar, pondëmèn. — ,

-

koean.

fraai, bàkoes, apik. franco, laq (ampon) i badjâr. fratsen, kuren, pòkal, sôla. frisch, gezond, sékër.

aars, tomboeng.

fonkelen = flikkeren. fonkelnieuw, anjar, anjar sakelè. fontein, pantjôran. fooi = drinkgeld. foppen, a ködjë, tjôngòtjô.

-

, bedriegen,

ngapossèn,

GEBIT.

75

-

,

— ,

frons,

koud, tjëlëp, ngèrsëp. versch, anjar. rimpel,

kêrò.

front, addë, atëp, i atëpan. fronzen, ’t gelaat, njôrëng. fruit, boewàboewâ. fuik, boeboe. , voor wilde varkens, tadöng.

njërêka.

formaat, rôpa, tjontô. fornuis, tômang. fort, benting.

-

G. Gaaf, gift, pëmbrienà, persèn. , volledig, kënaq, kgi taq loeang.

gang, doortocht, tjölön, trossen. gangbaar, padjoe. gans, phönjak. gansch, ganschelijk, kappi, sëdödjë, mòlos, benting, antéro.

- , ongeschonden, boengkol, kënaq. - , goed, bëtjè, saè, pëndër, lërës. gaan, loopen, a tjölön. - weggaan, ontoer, boedâl. naar beneden, tôron.

gapen, geeuwen, oewaj. met den mond, ngangaq.

naar boven, naè, ongkgë. naar huis, môlè, pléman. naar binnen, massoq, nglëpoe. naar buiten, kaloewar.

, openstaan,nglontoq,ngangkang. gaping, opening, lobang, mëlôlong. garen = draad. , zeil-, talê ramè.

,

-

-

tôtti. njinkgë, njinglaq,

, geschieden,

, op zij

-,

njimpang. , ergens heen, èntar, tjoetjoeq. , uitkomen, mëtô, mëtâl. , heen en weer, njaldödoet. gaar, massaq, tanët. gaarne, léboer, sôka. gade, bienê.

-

gal, këling mathoe. galerij, amper, gladri. galg, pëkgântongan. galon, pasmèn. galop, galoppeeren, lontjaq

njongklang. gang = gaan.

'

garnaal, Ôdâng. gast, tamoj. gastmaal = feest. gastvrij = goedgeefsch. gat, lobang, koerbâng. gauw = fluks. groot, voorspoedig, tjoerphoe. gauwdief, orèng mëlantjong, bieng

-

göl, maling. gebak, tjàtjàn. gebarsten, lëte, tjala, tëngar. gebergte, pëkgoenongan. gebeuren, tôtti, këlakôn. gebieden, sôrô, mrinta.

doeâ, .

gebit, kgiegienà. , oud, slecht,

-

nolkgë.

_

GEBLOEMD.

76

gebloemd, këmpângan, tjinti. ‘ gebod, printa, tâboe. gebogen = buigen. van ouderdom, markôkò. gebocheld, boengkoq. geboomte, kadjoean. geboren, mëtàl, tërbi. gebouw, bèngkô, këthoeng. gebraad, tjoekoq kgorieng. gebrek, korang, këkorangan, laip.

-

-

= ongemak.

gebroken, mëlòkô. — = breken, kapot. gebruik, oude gewoonte, athàt. gebruikelijk, tôman, këlakôn, lom bra, kapra. gebruiken,

-

ngangkoej.

= bezigen. gedaan = afgedaan.

gedaante aanschijn, aanzicht. gedachte = denkbeeld. gedachteloos = achteloos. gedachtenis, tanthà mata. gedeelte = deel. gedenken denken, herinneren. gedienstig — behulpzaam. gedicht,

panton. gedijen, tötti, tomboe, sôboer. gedrag, këlakôan. gedrukt, platgedrukt, piltang, met met, i tjètjè. gedrang, sëlaq, tjërirnon, ngontjëm, ngrëmët. geduld, sapär. gedurende, pompong, sa-abietà. gedurig, tadë amboenà, sëmani. gedwee, nòrò òtjaq, nòrò printa.

= gezeggelijk. geel, konning. —

geelgieter,

kopergieter, ningan. geen, tadë, sa mikkgi tadë, sôboeng. geenszins, ’njâ, ’ntën, poenten. ‚ het mag -, tjè, atjà, latjä. geeselen, mòkol sapô. geest, ziel, njabä, sokma. — , booze -, ëtjiern, sêtan.

-

geest, vernuft, akkal, krêna. geestig, pintër, lotjô. geestrìjk, kras, sërang. geeuwen = gapen. geeuwerig, ngëtjôj. gegil, proeè, sôrakkàn. gegoed, rijk, sôki. gehavend, rossak, sëmpal. ‚ prauw of schip, rëmok.

-

= kapot. geheel = gansoh. geheim, rossia.

-

= verbergen. gehemelte, lange. van den mond, këlakkan. van een ledikant, kgàpâk. geheugen, ka-èngaq-an. gehoor, pangêdieng. gehoorzamen, nòrò, ngêdieng,

-

-

nòrò

printa. geit, ëmbi. gek, kgielë. , voor den

-



houden,

mlësëm,

sëmplëssëman. gekheid, scherts, ködjë. gekko, groote hagedis, tëkô. geknakt, tòkël, pottong. gekreukeld, kôkrëkô, krêkô. gekruld, pëlkô, mëlëkô. gekroesd, krullend, brientè. gekscheren, à ködjë. gelaat, moa. gelasten = bevelen. gelaten = geduld, gedwee. geld, pêssè, obâng, doewiet. —

_

’ ’

’ — ,

tôkang kon

GELDZAK.

f

kopergeld, pèssê tampas. zilvergeld, pèssê pottê. papieren -, pèssê tëlobàng.

nieuw -, pèssê anjar. , oud -, pèssê ladjoe. geldeloos = arm.

gelden, padjoe. , in prijs, atji. geldig, padjoe, pëndër, tötti, kratoe, lërës.

-

geldkist, pëtè obâng, krëpoeng. geldzak, kantong pèssê,tèpaq,kampil.

GELEDEN.

GE RAASMAKEND.

-

-

-

gelijk, rata, tampaq, rantap. - en gelijkvormig, makgës. gelijk op, evenveel, pôkô. - van kleur, grootte, enz., sôkla. - aan, padë bân, padë bi. - , als, zooals, marra, kanta, kathi. gelijken, nolèn. - = gelijk, als, zooals. gelijkmaken, rata aki, paq tampaq

-

I‘OSI‘OS.

, den grond

met water,

tëtër.

gelijkmatig hangen, njartjar. geplant, raktak.

=

regelmatig.

gelijkmatig = eendrachtig. gelijkvormig, padë rôpa, — rôbâ. gelofte, tjàntjiàn, sangkoepàn, kaol. gelooven, përtjadjâ, ngandël. geluid, monjênà, groe kassaq-ën, doeân, katossan‚ swarâ. geven, à monjè. met de tong, kéthëk. van wilde varkens, à koewik. geluk, ontong, slamat. gelukken, tötti, sôboer. gelukkig, ontong, slamat.

-

-

-

in ’t spel, ménang.

— ,

vergenoegd, përna. -e dag, arë bëtjè, arê saè. ! sòkòran! gelukwenseh, salam. mator slamat. gelukwensehen, gemaakt, niet natuurlijk, thàkanthà. gemachtigde, bakil, polmaq. gemak, gemakkelijk, njaman. — , niet moeielijk, kgämpang. , op zijn -, përna, mapan.

-

-

gemak, geheim-, pakèbân, kakkoes. gemanierd = fatsoenlijk. gematigd, sëtëng. gember, djâè. gemeen, vuil, tjoebâ. in woorden, sëlôrô, rotjô. van lagen rang, kènè. minder van soort, assor. gewoon, tôman.

-

‘ovuu

geleden, van den tijd, laq ôlè, ampon. , nog niet lang -, bilan. , reeds lang -, lambâ, kôna. geleerd = bekwaam, begaafd. zijn, bâdë, ënëng. gelegen, gelei, van visoh en vleesch, pëtis. geleide, pangèrèngan. geleiden, ngèrèng. gelid, boekô. = reeks.

= alledaagsch. gemeenlijk, patjöt, kapra, marra, kalakôn. gemengd, i tjamboer, kâboer.



gemelijk,

pëngis, morrèng. gemiddeld, sëtëng, i pòkol rata, ra bëkan. gemoed, atê. gemoedelijk, pëndër (lërës) atênà. gemoet, te gaan, ngainbà. genade, sëpôra, maqloem. genaderd, laq (ampon) para. geneesmiddel, inwendig, tjàmô. tamphâ. ‚ uitwendig, genegen, geneigd, tërô, sôka, këlëm. pôron, kasôkan.

-

-

generaal, djindral. genever, arak, soepi, djënébër. genezen, tjàmôè, tamphàè. — , al-, bâräs, 1aq (ampon) issak. genieten, ngrassa. genoeg, laq, tjokkop, mëndàng. van hebben, bërtâ, tô , ergens boek, kënjang, poessën. genoegelijk, léboer, njaman, përna. genoegen = genoegelijk. — nemen met iets, nërêma.

-

-

genoot, pakkit, phörëng. genootschap, kongsè. geoorloofd, ôlè, patot, këlélan. geraad, pëkakas, praboet. geraakt, ngampoel, sëti. geraamte, gebeente, bâlongan. van gebouwen, labâk. geraas, ingër, kassaq-ën, groedoeàn. geraas maken, ngëringër, à riong,

-

koetaq. geraasmakend,

krödë,

kratappan.

GERAKEN. geraken in, tot iets, nëmoe, ngëning. gerecht, pôlisi, landrad. gereed, marè sëdiea. bak gereedmaken toebereiden, ken, koken.

GEVEN.

78 i

geslacht,

mannelijk

of

vrouwelijk,

prôbë. geslepen, scherp, tatjëm, i kgangsè.

-

,

listig, pintër.

gereedschap = geraad. geregeld, pakoen, pantjèn.

gesloten, i tottop, i sossi. , de oogen half -, pêdi. , de mond vast -, à kêkëp.

gerief, kgoena. gerieven, a kgoena. gerimpeld, kêrò, kërkër. gering, kènè, assor.

gesnedene, këpieri, bantô-àn. gesp, kespër, këtèmang. gespan, sapassang, rakètan. gespannen, opgetrokken, kampët.

-

-

-

= weinig. geritsel, krèsèkän. geroep, ollokollokan, êra-ân. geronnen, kantël, lêkët, lèkô. gerucht = geraas.

-

tijding = bericht. geruim, langdurig, abiet. gerust, stil,’njaman, sôboeng. , op zijn gemak, përna, mapan. ‘

gespikkeld, toltol, blölëk, lôrik. gesprek, pönta, tjandonnan, kgoe néman, rëmpokkan.

gestadig = gedurig. gestalte = gedaante. ’ klein van — , kottit. an santhienà gesteld, ondersteld, thieanthie, sa-ôpama, singkönà.

-

,

-

-

‚ bedaard, aring. , zonder vrees, taq takoq, tadë takoq-én. geschaard, gerangschikt, i ator, tjö

-

-

-

bâris.

a pôlong. , bij elkander, geschenk, prësèn, paparrèng. gescheurd, pëthö, soewak, tarpies,

-

tjarpit, tjarbieng. , gebarsten, tjala.

, afgestompt, toengol. geschieden = gebeuren. geschiedenis, tjërêta. geschikt = bekwaam. — , geplaatst, i ator, i tata.

-

, beëindigd, rampong. — = goed. geschil, tòkkarran, taq tjottjok. geschreeuw, sôrakan, kiekieran. geschrei, tangissan. geschrift, sôrat, ladjâng. geschrijf, tôlissan.

geschubd, schubben, sèssè. geschut, mariëm. geslaagd, aanplant, enz., phielëk. geslacht, assal, tôrònan.

-

getal, ètongan, bilàngân. , som, hoeveelheid = bedrag. getijde, seizoen, ossom.

tjör. , als soldaten,

gesternte, bientang bientang. gestreept, lôrik, blölëk kgiengkgâng. , als dieren, belâng, lôrik. gestreng, kërëng, kras.

getroffen, getrouw ‘

këning,

kësampët..

gehoorzaam. getuige, saksê. getuigen, njaksêni, mator. getuigenis, kësaksên. geul, lëlarèn, soksok. geur, bao. geurig, rÒ-om, arom, alëk. gevaar, kòbàtèr, tjëlaka, përiet.

gevaarlijk = gevaar.

geval, perkara, stôri, këlakôn. gevangene, orèng i krangkèng. gevangen nemen, mêkgö. boei. gevangenis, krangkèngan, gevecht, ruzie, tokkarran. — van beesten, tjarokkân, athoeân. gevecht, oorlog, prang. geveinsd, thàkanthà. geven, bri, bäkgi parrèng. , ergens om -, përdoeli. — , teruggeven, bàli aki.

-

GEVEST.

GISTEREN.

gevest, lanthiän. gevlekt, bëlàng, toltol, blölëk, lôrik. gevoel, gevoelen, rassa, pangrassaän. gevoelen, ngrassa, mêkèr, kêra. voor pijn, tjëri. teergevoelig. gevoelloos = bedwelmd, bezwijmen. gevogelte, manoqmanoq. gevolg, pangèrèngan. , afloop, töttinà, katöttian. tötti, mêla, gevolgelijk, bijgevolg, mëla, mangkanà. gewaand = geveinsd. gevoelig,

-

= aandoenlijk,

-

gewaarworden, —

=

tao, onning.

gevoelen. gewagen, gewag ‘ roeren.

=

maken

aan

gewoonte, wijze, tj ara. ‚ gebruik, athât. gewricht = gelid. gezag, kôbâssà, mrinta. gezaghebber, sè nëkoe kôbàssa, printa, këpala, lôra.

-

sè à

gezagvoerder, kapitein, kaptèn, tjoe rakgân. = eendrachtig, met. gezamenlijk gezang, panton, pòtjian.

-

= zingen. = afgezant.

gezant

gezegde, òtjaq-ën, tottorran. gezeggelijk, tjëlrna, nòrò òtjaq. gezel, phöréng, pakkit. gezellig, rammè, léboer, njaman. van een mensch, lòtjô, léboer.

-

gewapend, ngêbà sèkap. gewas = aanplant. — , tweede pôlôwidjà. geween = geschrei.

gezelschap, tamôj, kompollan. gezengd, geschroeid, potton,_kësëng. gezet = dik. gezicht = aanschijn.

tingkër, bëthiel, sënappan, sëndjâtà. geweld, pëmaksa-an. geweldig, tërës, pönter, taq kêrakêra, bânèbânè. gewend = aanwenden, aanwendsel. gewest, nëkgörë. gewicht, om te wegen, bàtô. , zwaarte, bërâ-ën. gewichtig, parlô, radje, ringkang. gewillig, kgâmpang, këlëm, taq à

gezin, phölö. gezind, këlëm, pôron. gezond, sëkër, bäràs, iss’ak. gezwel = buil. gezwind, brëkaq, kësaq, toeli.

-,

geweer,

-

labân, pôron.

- = gedwee, gezeggelijk. gewild, padjoe, kratoe. - niet gewild, van zaken, ,

padjoe,

taq kratoe,

taq taq i kèn

dhö-i. —

‚ niet gewild,

van menschen, taq

i tangkë.

gewin, ontong, phöthè. gewis, tamtô, ongkoe, ongkoean, taq këning njà, taq kènging poenten. gewond, lôka, rôkgë, poekak, kgët gët, tatô. gewoon, tôman, salmaq. gewoonlijk = gemeenlijk.

- = fluks, gauw. gezwollen, bârë, nglëmpoeng. - , de aderen, koetoel. -

= opgezet.

gids, pënoetoe. gier, arend, manoq përi. gieren, lachen, njëratat. gierig, tjërè, brieking, bëroebi. gierst, tjàkgoeng boelier. gieten, nottaq, ngëtjor. , metaal, nôwang. , begieten, njêram. — , in de keel, tjontang. gieter, tèmbra, pënjêramman, gif, vergift, ratjon. gij, zie Spraakkunst. gillen, à proeè, à toewat. ginder = aldaar. gissen = achten. gisteravond, malëmà.

-

gisteren,

bâri.

sërpot.

GLAD. glad, effen, rata, sirka. — strijken, biertjie, hierbier.

-

‚ ongespikkeld, boeloes. , glibberig, lètjin. lëtoek, këtja. ‚ modderig,

glans, glanzen = blinken. glas, kglâs. , ruit, spiegel, katja. gleuf, lèkèt. glibberig, lètjin. ‘

-

glimlach, mèssëm. glimlachen, à mèssëm. glimmen = blinken.

glimvliegje, nangkonnang. glijden = afglijden. gloed, der zon, panas arê. , van vuur, panas apôj. gloeien, warm hebben, ôdjâng. van_metaal, méra.

GRAZEN.

80

gooien, door elkander-‚ pilpal aki, nglirnpra. , weggooien, moeang. goor, vuil, kott0r, bòtji, bötjëng. goot, dakgoot, talang. — , waterleiding, ëgot, soksok, lëla rèn, talang. gordel, sappoe, pëngkong, ôthët.

-

,

— , metalen-, pënthieng. gordijn, klamboe, kèrèkàn. gorgel, keel, kroeng. gorgelen, morkëmor. goud, gouden, ëmas. gouddraad, kabà ëmas. goudsmid, këmassan.

-

graad, rang, pangkgöbàjan. graad van bloedverwantschap,

-

kompôj, piô, kërpëk.

glooiend, madjät, mèrèng, toedjoeng. gluipen, nglèrèk. gluren, njornô, njornê, mëlörët. toean Allah, koestè God, Allah,

Allah.

'

godsdienst,

agama. godspenning, pantjër. goed, bëtjè, saè, patot, pantës, pêlak, èntos. goederen, phöröng, thànthânan. ter verkoop, bangkèlan. goedgeefsch, lamphë, lôman, töna. goedhartig, bëtjè (saè) atêna, alim. goedkeuren, kratoe, nërêma, mat0r

-

ingki. goedmaken, ’mbëtjè aki, pëndër aki, saè aki, lërës aki. goedkoop, môdë. goedvinden, bâkgi, mator ingki. = toestaan, goedkeuren. golf, ombaq.

-

golven, ngombaq. van haar, brientè. gomelastiek, karêt.

-

goochelaar, tôkang sënôlap. goochelen, njôlap, eënôlap. gooien, ontal aki, antëp aki. naar iets,îkôtëp.

-

graag, hongerig,

-

= gaarne.

pòpô,

lapar.

graat, tôlang. grabbelen, rëpoe—àn. graf, kôboeran, makkam, asta, kra mat. grafpaaltjes, grafplanken, are.

paèssan. pëpötor,

thiengthieng

gramstorig,

sëti, sëngit, sëngol. granaatappel, boewà dëlima. grap, voor de -, thakantha. grappenmaker, tjonlòtjon. grappig, lòtjô, léboer. gras, rëphâ. grasluis, tongoe. grasmand, kroentjoe. grasmes, arè, sadâ, tjlòrit. gras snijden, ngarè. grassnijder, kgämmël. grasveld, rëphâ Ôboeän. gratig, banjaq tôlang. gratis, përtjôma. grauw, këlâboe. graveel, kginiengën. graveeren, ngôkir. graveersel, Ôkirran. graven, kgalè. grazen, ngakan

rëphâ,

ngôan.

GREEP.

HAAR.

greep, handvol, sapërkëm. , voor de hand weg, sapanjambi. — , een weinig, sa-agëm. , met de vingers, sadjoempoeân, satobiân.

-'

-

= gevest. grendel, kantjing. grendelen, ngantjing. grens,

van voetzolen, kassap. met woorden, sëlôrô, ròtjô. grommen, ngòngÒ-an. grond, tana, poemè. , bodem, boeri, thàssar. grof,

-,

-

grondbelasting, patjëk. grondig, pëndër, tëpaq, trang, lërës. , van visch of water, ba0, boedoe. grondslag = fondament.

-

kèkès,

bangkèt, angkën, Òtjing. greppel = goot, waterleiding. gretig, hongerig, toedjàn, lapar. , verlangend, krong. grijnzen, njërèngè. grijpen, mêkgë, mingkot, njanthâk. bij de kuiten, njangkëtit. in ’t aangezicht, tjangkarëm. als een roofvogel,njarap,njampër.

-

-

- = aanvliegen. grijs van haar, pottê. - , van kleur, tàboek. grijsachtig = grauw.

grond50p, karrênà, këthö-è’n, ampas, sëpa. groot, radjë, tingki, akgoeng. , breed van stuk, kgëpàng. , alles even -, tëktëk. , met een klein hoofd, tjëstôma. grootelijks = veel, zeer. grootmoeder, nènè, ’mboeq toewà. grootsch, trotsch, kòtjaq. grootspraak, songar, njompâr. grootvader, kakkè, ëmaq toewà. gruis, koerkoerà.

-

in —, lëssà, lòthoes, gruizelementen, rompô, tolkhös. gudsen, van zweet, kgieli. ‚ gul = goedgeefsch. gulden, 100 duiten, sagolden. , 120 duiten, sadjempël. gulzig, rakos. — , veel in den mond nemen, à 1Ôlon, à solsol. , van alles willen hebben, pën

worden, obân. gril, sôla, pokkal. grimlachen, njêngêr, njërèngè. grimmig, ’t gelaat, mërèngis. grijs

-

grint, blikier. groef, kuil, lobang, tjoeràng. — , graf, makkam. groeien, tomboe. groen, phiroe, sëkrôman. groente, kgöngan. , rauw gegeten, lalap. groet, salam. grof, kassar, assor, grëgë, kröthö.

-

gangap. = schrokken, schrokkig. gunnen, bâkgi, parrèng. guur, koud, tjëlëp, ngërsëp.

-

-

H. Haag, pakgër. haai, mondoeng. haak, tjantol, tjantèlan. — , gesplip, tjangkè. om dieven te vangen, tjattaq. haam, kalong. aan ’t juk voor ossen, sëmêla.

-

-

haam,

de

touw

aan

de

sëmêla,

rahit. haan, adjàm lakè, tjàkoe. van een geweer, platoq. haar, hoofdhaar, oboe. — op ’t lichaam, en van een dier, boeloe.

-

e

HAAR. haar — ,

wrong, kgëloeng. maantop van een paard, tjoem

pong. bosje bij kinderen, koentji. haarkam, sòrôj. haarlak, valsche vlecht, sôpak.

-

tjòtjoq kgëloeng.

haarnaald, haarvlecht,

sôpak. haast, këphoeroe. , bijna, para, korang, haat, bòtji, sëngit. hagedis, tjëktjëk.

-

-

-

,

tuin-

sakonnè.

kathàl.

,

-

, vliegende ‚ katkat. ‚— , groote , tékô. hagel, òtjàn boedjâ. , schiet- , mèmès. hak, hiel, tombët. van een schoen, pëntol. ‚ houw, landoe (patjol).

-

-

-

hakblok, langkëtan. haken, aan iets

-

,

njantol, tëkaè,

njangsang. met den voet, njëlbât, njrimpët. — , verlangen, krong, të’rô. hakkelen, loetjoe, loqlaq. hakken, ngëtok, ngëtjrô. , hout bij—, mattèl, palpal. _

-

,

HARD.

82 1 l

op den rug, njangkëlit. zijden, malangkré, njëkët biengkèng. handbreed, sa tëpâ. handdoek, andoek, sapoessap. handel, dökgângan. handelaar, dökgâng. handelen, à dökgang, bangkèl. handelbaar = gewillig, gezeggelijk. handelshuis, toekoe. handgeld, pantjër, obâng laris. handhaven, ngôboe, nakënè. handig = behendig. handen

-

hakmes,

= handmerk. kruisje, tapaq-döng döng, patjal, prapattan. handvat, kopping, tjantèlan, èngkol.

-

handvol, satangkgöp. sapërkëm, handwerk, kalakôan, pangkgöbâjan. hanekam, tjangkâr adjàm. hanespoor, tjàloe. van metaal, tatji. hanengevecht, ngàthoe adjâm. hangen, kgântong. , njangsang, sëlinka. , over iets en kleven als kinderen, a lôlô,

-

ngantil, ngëlòdjoet.

ngala,

-

-

palô. hand, tannang,.asta. aan hand, tonton.

-

_

-

, ergens aan blijven , tëkaè. de laag, kleeren, , ngêpier.

ngonnè-è.

hals, lè-èr. van een kleedingstuk, pëlè-èrran. halsband, kalong. halsstarrig, pëngkô. halster, bèngos. halveeren, bâgi doeâ, mëmarô. ham, sampil babi, ëham. hamer, ‚pokkol, tokkol, gandèn,

njandër

, ergens tegenaan,

tjaloq, môtoes,

half, tenga, satenga, saparô. halm .= aar. — schieten, tërbi. ‚ in den

-

-

bliô. halen,

tanthâ tannang, thanthâ

handteekening ‚ met een

boom om-, mokër. wethoeng,

de

handmerk, asta.

fijn-, njatja, njiksik.

, een

in



gelijkmatig

-

,

njartjar.

-

, klètèr. ’ iets ergens bij als hondenooren, lòpok. ‚ , zich ophangen, a rathö. hangend, niet voortgaan, taq pottos,

tëkgântong. hangrek, sampèran. hap = beet. haperen, blijven steken, amboe, kan tëk. , ontbreken, korang, këkorangan. happen, ngangaq, tjambëk. hard, kras, kgrà, kgöli, mërtoek. , buik of gezwel, kgrâ. , de grond, bëntët.

-

-

-

HARD. hard, brokkelig, sëkêlën. , taai, tiar.

-

,

hedenavond, nacht, kêdi‚lëmmalëm. heel = gansch. ‘- , nog niet bewerkt, kgi boengkol. , niet gebroken, kgi pëndër, kgi . boengkol, saè lakgiheelal, wereld, doenjâ. heelen = genezen. heen, heengaan, ontoer, môlê, plé ‘ ‘ man. „ en weer, libàlian.

niet melig,.nganjër.

-



‚ gestreng,‘kërëng. hard neerzetten, tielphös. hardbekkig, kômët. ‘= wedloopen. harddraverij harden, kras aki, kgrà aki.

hardhoorig‚ têngël. hardlijvig, taq ngëning kapadàng. hardnekkig = halsstarrig.

-

‘ heenloopen, boeroe, míenggât. " heer, toean, koestè. heerendienst, printaän, pangkgöbâî \ jan nëkgörë. heerlijk, léboer sakalè. heerschen = bevelen.

tadë bëlassà.

hardvoehtig,

harrewarren = kibbelen. hars, damar, mata kòtjing. hart, atê. hartig, zout, assin, sëthè'.

heerweg, lorrong, tèmpoek. heesch, prat. heet, panas. , ’t lichaam, òdjàng. , van smaak, pëtës, kôm‚o_r. heet maken, panassi. hefboom, koevoet, ratjäng. — , van hout, ondiel. _

hartstocht, nëpsoe. hartzeer, sake atê. haspel, kantêan.

-

haspelen,

ngantê. hatelijk, tjoebà, bòtji, mônan.

njòtiot,

haven, reede, pëlaboeân. havenen, rossak aki. havenmeester, sëbântàr. hazenlip, sombang. hazenmond, njorgat.

hebbelijk, hebbelijkheid

se

=

-

=

aan

‘-

bezitten.

niet -. tjottè.

— ,

,

.taq

andi,

sôboeng,

heimelijk, tjô-ngètjô.

-

honger , taboe lapar. — , koorts , panas tjëlëp. , iets aan — , ngangkoej. hebzuchtig = gierig. hecht, sterk, kòkô, kgöli. .= handvat. ,.

-

napoeng. kleven,



.

tjëkaq,

tjiliet,

njèlkèt. arê tontô, heden, arê tiea, mangkèn. — , thans, sëtia, sëtontò, sëmangkèn.

-morgen‚ kgëlà kgi làkgoe. -middag, kêdi abàn.

’ -heining = afheining. van steen, tèmboq. heiningstaak, tôros. ‘ heistelling, tjintra. hek, tjölön, pakgër kadjoe, pakgër bëssê, kalang. hekel, afkeer, poessën, bòtjí.

-

-

hechten, hechten,



, van een waterput, koendàl.‘ heffen, opeischen, mo’ntoet. = oplichten, opbeuren. heg, pakgër. heiblok, tomboq. heil, slamat, sabap. ’ heilzaam, à kgoena, bâdë kgoenanà.

wendsel. hebben

HELEN.

83

arê

heklat, ratjëk. helaas! êman! nèssër! adoe.l helder, als glas, water, tjëning. ‚ van vochten, arnjang. van toon, ranjing. sërdâng. , licht, têraq, pathâng, heldhaftig, höngal, pöntër. helen = verbergen.

-

_

HELFT. helft, saparô, satenga, satòkél, tong këlà.

hollen, hellend, mèrèng, madjàt, riot. helpen, nôlong. , elkander , tôlong-mënôlong,

-

-

ngatjäk. hemd, kamédjâ. hemel, swargà. , uitspansel, langè. — van een ledikant, kgâpâk. boven een graf, lëlangit. hemelsblauw, phiroe langè. hen, adjâm bienê.

-

, jonge

-,

hijgen, hijschen,

hinder,



, vergoeden, gântè. , in orde brengen, bëtjè aki, saè

aki, pëndër (lërës) aki. hert, mantjàngan. hertrouwen, kabien pòlè. hertshoorn, tahdoeq mantjângan. hervormen = hernieuwen,herstellen. herwaarts, dënaq, kannaq, kòantò, kakanta. herzien, mriksa pòlè. nog eens zien, ningkoe die, dat, sè.

hetwelk,

nadeel, rôgi, sossa. hinderen,kgangkgoe, njimbâ, singka, ngêrok, ngrêwô. hinken, à thieting, tèpang. hinneken, monjênà tjörön. hitte = heet. hobbelen, ngondjân. hobbelig, rèkong, pëntoel. hoe? bërëmaq?

herinneren, èngaq, kaèngaq-è. herkennen, tao, onning, èngaq. herkomst = afkomst. hernieuwen, anjar aki, anjarrè. herroepen, obaq printa, mongkir, boeroeng aki. hersenen, ôtëk. hersenpan, phötok, boenëmboenam hersteld, bâräs, issàk. herstellen, van een ziekte, bâràs.

— ,

narè, natje.

hik, tjëkoq-ën. hinde, mantjàngan bienê.

herbergzaam = goedgeefseh. herder, orèng ngôan. — , dominee, pandita. herhaaldelijk, koetsëkoet.

-

ngangsor.

hijschblok, tankèrian.

pètè.

hengel, pantjing. hengelen, mantjing. hengsel = handvat. hengst, tjörön lakè. herberg, losmèn, rôma ngakan, montoekän. herbergen, monthoek aki.

hetzij,töttià, maskè, sënadjàn, ôtabë. beul = hulp. heup, tingëntingan. heusch, ongkoe, ongkoeàn. heuvel, kgoemoq. hevig = erg. hiel, tombët. hier, dienaq, kanjë, kàintoq, kà dientoq. hierheen = herwaarts.

-

-

HOEVEELHEID.

84

hoe! dërëmaq! hoe dikwijls, brampaq kalè. lang, brampaq abiet.

-

-

langer hoe meer, sadjönè. biesaos. ook, dërëmaq baè, is het mogelijk! maq ôlè! maq ngëning! bëtina hoed, Hollandsch, toppi. — , Javaansch, tanggoek, songkö,

-

.....

tjathâng. hoeden, djögö, ngôan, hoef, kokkot. hoek, pattoe. hoektand, siong. hoen = hen.

ngongan.

hoenderei, tëlor adjâm. hoepel, band, simpaj. hoer, soentël, lontè.‘ hoereeren, njoentël. hoest, hoesten, batô-an, à batô. hoesten, ngëlkël. , voortdurend hoeveel, brampaq, sapënapa. hoeveelheid = aantal.

-

pòlè.

-

HOEWEL. hoewel = niettegenstaande. hof, van een vorst, kraton, thölëm.

-

, tuin, këpoen. hok, kanthâng. hol, ledig, kottong,

-

,

-

ploelong.

‚ uitgehold, kgoerdoe. , gat, lobang.

— ,

,

buik hongerig, sënap. onderden voet, tëphak. op hol gaan, boeroe, bëdâl. de

, als een kokosnoot, kalontongan. holla! arra! arra bàq-ën! holland, nëkgörë bëlànthà. hollander, orèng bëlànthâ. hollen, boeroe, bëdâl, njongklang. holte, plëntongan, loewa. hond, pattè. , jonge, rèkèrè. , wilde, pattè kòmèr, honderd, saratos.

-

hondsch, onbeschoft, sëlôrô.

hooge woorden, tòkarran. water, aèng radjë. — c ouderdom, toea sakalè, sëpò. hoogachten = achten. hoogbejaard = hooge ouderdom. hoognoodig, parlô sakalè. hoogte, tingkienà. , op de hoogte = verstaan, be

-

-

grijpen.

hoop, stapel, tompôan,

tornpoekàn. pêngarëpan. , menigte, kompollan orèng. hoorbaar, kadjë, ngrôdoe, ngrottok,

-

, verwachtiag,

tjèlpoekân, ngëròsô. hooren, ngêdieng, mêrëng, miarsa. hoes, wind-, kalingboesboes. — ,

-

alas.

korang atjàr,

honger, lapar, alkoeng. hongeren, kalaparrën. hongerig = honger, hongeren. hongerlijden, salang lompô. honig, mathoe. honigbij, njarôan, manjang, taboeän. honigraat, léboenà njarôan, léboenà

manjang, klapkappan. hoofd, lichaamsdeel, tjètak, sêra. — , districtshoofd, bidhöna,dëmang.

-

astèn bid— , onderdistrictshoofd, höna. , dessahoofd, patinggi, kléboen. , klein, gestalte groot, tjëstôma. hoofddoek, òthëng, sêngël.

hoofdluis, kôtô. këpala, tëtinthi. hoofdpijn, sakè tjètak, sake sêra, njêlô tjètak, plëngën, këtalô. hoofdman,

hoofdstel, bëngos, sarongan. hoofdzeer, boertjaq, sarap. hoog, tingki. , in prijs, larang. van achterste, nôtjing. aan één kant, tjiengkè.

-

HUILEN.

85

water-‚ palataon. hoezen, nimbâ. hopeloos, taq ngëning ‚kènging i arëp. hopen, ngarëp, horen, tandoeq. naar binnen horloge, arlòtji, hospitaal, rôma

-

i

arëp,

taq

mostatjöp. gebogen, tjarong.

lontjèng.

sakè. houden, vasthouden, nëkoe. , iets lusten, toedjân. houding, voorkomen, rôbâ.

-

hout, kadjoe.

-

, geboomte,

houthakker,

kadjoean. orèng mokër

blânthong. houtskool, ar‘ëng. , gloeiende -, mardhö. branden, ngôphoek.

kadjoe, ’

-

-

houvast, pënakën. houwen = hakken. houweel, tjòtjoq dhöngdhöng. hovenier, tôkang këpoen. huichelen, à pönta thakantha. huid, kôlè.

huiduitslag, pôra, krapaq. huidziekte, k_òrèng, mërottok. huilen, nangis, njërêbi, manjing.

-

van

een hond, ngalop, këlong kong. van den wind, ngëtoeroes.

HUIS. huis,

-

bëngkô.

hunkeren,

, inwendig,

houten

-

-

môlê, pléman. huiverig, mingkrieming. huivering = beven, beverig. monthoek,

ënëng,

à

-

tjompoq, thöngka.

, op rijstvelden,

enz., kgoepoek. ’

huur, sêwà, patjëk. , loon = betaling. huwbaar, gatjier, këntjë. ‚ mannelijk, lantjing. — , vrouwelijk, prabàn. huwelijk, kabienan, lakè bienê.

-

sasra-an. huwelijksgoed, huwen, à kabien. hysterisch, pôros birà.

= behulp.

Ieder,

sapën, ebäng. mensch, sa robànà orèng. ijdel, kottong, përtjôma, tadë kgoe nana.

-

ijk, ëtjap. ijken, ngëtjap. ijl, doorzichtig, rangrang, ijlen, ijlhoofdig, possang, ngëranjam. ijlings = gauw. ijs, aèng .bätô, ês.



têpès. à kgölier,

ijver, ijverig,tjakang, tjôtjëng, pön ‘ tër, pötjëng. = beven.

ijzen

bëssê.

ijzerdraad, kabà bessê. ijzerroest, taè bëssê. ik, zie Spraakkunst.

immer = altijd. orèng, taq. _ — waarlijk, ongkoe. ‚ namelijk. in, i, i dölëm. ‘inachtnemen, djögä, èngaq, ôpêni. immers,

king.

-

huldigen, ngormatí. hulp, përtôlongan, lamphë. , te — komen, nôlongè. hulpbehoevend = arm.

ijzer,

hurken, ningkong,markong, dj ëríeng

-

bëngkô. hulde, ormat.

hulpvaardig

=

hut, ponthoek,

huiswaarts,

huizen,

këtâkgiàn. begeeren. huppelen, ngèting, tjaqlontjaq-an, nandàq, lontjoe. huren, njêwà. ‚

-

rôma.

, bengkô këpjok, béngkô gëploek. huisgezin = familie. huisraad, èssênà rôma, bëngkô. huisvesten, monthoek aki. — ,

INDOMPELEN.

86

inademen = adem, ademen. inbakeren, a poentoe. inbeelden, kêra. inboedel = huisraad. inboeten, angsëlè, njôlam. inboorling, oreng assal.... inborst, atê. à lëpoe i bëngkô, tabieng, narboq pakgër. massoq aki, màlëpoe. ongkoean, p‘éndër, lerës, sanjatanà. indien, mong, ming, ting, ngamong, kèlamon.

inbreken,

maling

narboq inbrengen, inderdaad,

indienen, à rëpot, ngatori, à tjaos. indigo, nêla. , de plant, tarom. , bereiden, njarop. indoen, iets ergens -, wöthöi. kâ , mengen, môboe, njamboer, boer.

-

indommelen indompelen, njêlëm._

=

insluimeren.

indoopen, _

’ -

njangrëp,’ ,



INDUWEN. induwen, tjëtjët. ‘ indruk = deuk. van een voet, enz., lampat, lôlos.

-

ingang, labang, tjölön. ingebakerd, i poentoe. ineengedrongen, ingedrongen,

inkoopen

-

. thoerâ, enz. inleg, tompoek. inleggen = indoen. ‚- , inmaken,kgöbâj

mar

ingescheurd, soewak, tjarpit. ingesluimerd, tëlêjër. ingeval = bijaldien. ingevallen, ’t gelaat, tjëlkong, kel

inhalen, intrekken, boeroeng aki. , binnenhalen, massoq aki, lëpoe aki, tôlong. , iemand -, njapoq.

-

nabâng’,

-

inhouden, bevatten, êssê, ossoq. , een paard, mëkëk. , den adem, mëkëng.= , vermelden, monjê. , korten, môtong. kòlak. inhoudsmaat, inkeer = berouw.

-

inkomen,

-

=

badjâràn.

bezoldiging, binnenkomen.

inkoop ‘= aankoop.



atjar, kgôbâj

këtrangan. _

pong. — , een graf, phoeroek. ingeven, geneesmiddelen, tjàmôè. ingevolge, sebàb, dàri. ingewanden, proq, bàè dölëm. — , darmen, ossos. _ ingewikkeld, verward, kgiempël. — ‚ duister, korang trang. këtômanën, patjöt. ingeworteld,

nòtotti. inhalig = gierig. inhoud, êsênà. — van een geschrift, monjênà. van een voertuig, enz., ossoq-ën.



manissan, phötjëm. massok aki, lépoe aki, inleveren, aki. _ pasra inlichten,trang aki, ngartè aki, à bri

kôkô.

njossol,

aankoopen.

inkorten, ngëtok. = inhouden, korten. inkt, mangsèn. inktkoker, wöthönà mangsèn. inktvisch, tjoekoq ënos, bangkottaq. inlander, orèng tjâbä, orèng ma‘



ineengedraaid, plèntèr. =. plat. ineengedrukt mëlëkër. ineengekromd, ineenknijpen, këpël. ineenstorten, koedjoer, tirkàp. inenten, tjongkè. influisteren = fluisteren.

’- , achterhalen,

INSPANNEN.

87

inlichting, këtrangan. inmiddels, marènà, marè èpon. innemen, bekoren behagen. ‚ laden, moeaq. , geneesmiddelen, ngakan tjàmô, — ngênom tjàmô. = innemend bevallig. innen, nàkgi. innig, phöngët, sangët. . inoogsten == oogsten. mon moentëli, inpakken, moengkos, thoe, poentil. inregenen, nampës, tampësan. inrichten, ngàtor, nata.

-

inrichting, attòran, prënata. ‘ inruilen, mòrop. inschenken, njêlin. inschikkelijk, rôkon. evenzeer, ook. insgelijks inslapen

slapen.

inslikken, nglôdoe, ngloenô. , zonder kauwen, këlonjot.

-

'

insluimeren, lêjër, tërtët. insluiten, kalang, ngëpong. — , een brief, ningkëm. insmeren, gëmoq-èn. mienjaq-èn, , ’t haar met olie, ngoeskoes. met zalf, enz., moppô. ‘ insoppen, njangrëp. inspannen, ijverig, tjakang, kentjëng.

-

= aanspannen.





IN STAAN. instaan, borg zijn, nangkgoeng. insteken, massoq aki, lëpoe aki, sël pët aki, tjoetjoe, soltok.

instelling = inrichting.

instemmen,

ngrëmpok,

nërêma, ma

tor ingki.



instijgen,

inwendig,

i dölëm.

inwikkelen, moentël. = inbakeren, inpakken. inwilligen = toestaan. inwonen, monthoek. inwrijven, ngësot.

-

naè, ongkgë.

instoppen, tjëtjët. instorten, opnieuw

KAAL.

88

ziek, sake pòlè,

këpôlèan. intusschen = inmiddels, invloed, sabap. = macht.

evenwel.

een lichaamsdeel, , ngôrat. inzamelen, môlong. = innen, invorderen. inzet = inleg.

mèlèt,

-

inzien, ngrassa, ngakô. inzitten, vreezen, takoq, kòbàtèr.

-

invoeren, iets nieuws, nganjar-anjarè. — , inhalen, binnenhalen. invorderen = aanmanen. invreten van roest, ngakan.

inzonderheid, pòlè, malamala. inzouten = zouten. inzwelgen, phötoek, ngònjô. ivoor, kgàtieng.

Ja, ieja, inkgi. jaar, taon.

jeukeboontjes,

jaargetijde,

ossom.

jaarlijks, sapën taon, taonan. jagen, op wild, à bëthiel, ningkër, najagen,



schertsen,

jongeheer,

nabâng.

jaloersch, tampoeroean, jammer, êmanl

-

-

ködjë.

jong, ngôdë.

boeroe. — ,

biâ.

jeuken, kgötël, briàng, miang, ngê ranjap, ngrënjëp, rôjrôj. jokken, liegen, letjik.

mèrè.

-

=

ongeluk, schade. = kermen, jammeren schreien.

sienjo.

jongeling, lantjing. jongen, knaap, katjong.

kreunen,

werpen, à boedoe. jongste van ’t huisgezin, boengsô. judassen, lanjala, njòtjot. juffer, nonna.

janken, kgaèng, à kingking. jas, klampi, djas. java, tana tjâbä. je, jij! jou,

juist, pëndër, tëpaq, lërës. juk, pèkollan.

jegens, bân, këlabân. jeugd, jeugdig, kgi ngôdë, tjing, kgi prabän.

juweel = diamant. juwelier, këmassan, dökgàng

kgi lan

-

-

,

meisje,

pieng, tjëpieng.

‚ voor trekbeesten, pëngngonnong

intën.

K. Kaaiman, bödjë. kaak, wang, pêpê. kaakbeen,

larigkëm.

kaal, konjong, konnol, kënol, pënol,

-

klësnong. , gedeeltelijk

-,

boethaq.

KAT.

KAAL. kaal, kort geknipt, goeplëng. , këlonjon. , totaal , geldeloos, miskin, nispa. = dor, bladerloos, onvruchtbaar. kaap, tantjoeng. kaart, lèlèn.

-

-

-

‚ speelkaart, kërto. kaas, kèdjoe. kabas, van gevlochten bladen, kissaq,

këtèpè.

kaf, sëkëm. kajoepoeti olie, mienjaq pôtè. kakebeen,

langkè’m.

kakelen, ngàkak, kottak, ngërëk. kakkerlak, ngërèngè. kakketoe, manoq kakatoeà. kalebas, laboe. kalfateren, makal.

kalf van een koe, ëmpè, patjëng, djàgier. van een buffel, kòdil. kalk, kapor. — , ongebluscht, kapor kgâmping. , gebluscht, kapor boeboeq. kalkbrij, mortel, 1010.

-

-

om te witten,

lapoeran.

kalken, witten, nglapoer. kalkoven, tômang ngopâr kapor. kalm van het weder, tjëtoe. —

=



gerust. kalven, à boedoe.

kam =

-

-

haarkam,

rodâ.

kameel, onta. kameleon, kamondoeràn. kamer, kammar. kameraad, phörëng, kantja, ladjön,

djödji, pakkit. kamfer‚ kapo_r bâroes. kammen, njôròj, njërit. kan, waterkan, kënthi. kandelaar = blaker. kandij, kgoelâ bâtô. kaneel, këtjingal. kanon, mariëm. - , klein soort, lèla.

-

-

kant, pingkier. kantoor, kantor.

kap, van een huis, rantjangan. , van een rijtuig, kap, tendâ. , van een lamp, enz., kôdoeng. kapel, këkëpër. , bidkapel, langkgër. kapen = stelen.

-

kapitein, kaptèn, tëtinti, tjoerakgân. kapmes = hakmes. kapoen, adjâm këphieri. kapoenen, ngëphieri. kapot, in ’t algemeen, rossak. bëlà. , van porselein, glaswerk, id. aan den rand, , kgoepil. , van kleeren, pëthö. , gescheurd, tjarpit, rôbi.

-

-

soewak, tarpies. pleisterwerk, njëròkak. — , schaarden in messen, kgoem bang. ‚ van touw, draad, enz., pëkgö. ‚ van bamboe, hout, enz., bëlâ, rëmpaq, sëlëpat. rëmok. ‚ van vaartuigen, , van lichaamsdeelen, rôkgë. , van andere zaken, prottol, pot tol,’ tirmos, pôtak, prëngas. — , totaal = in gruizelementen. = hakken, kammen. kappen kapstok, sampirran, . sampajan.

-

, ingescheurd, , van

-

-

hanekarn.

van een rad, kgiekgienà , fijne —, së‚rit.

kans hebben = misschien. hebben, taq ngëning. ‚ geen

kar,

tjikar,

gliendieng,

sarattan,

pêgon.

karakter = inborst.

-

, letter, ,

aksarà.

cijfer, angkâ.

karig = gierig, kaal, weinig. karwats, pètjot‚ tjëmëtè. kas, geldkas = geldkist. kassier, tôkang obàng. kast, lamari, kgrôpoek.

kastanjebruin, drâgëm. kastijden, ngatjâr, ngôkom. kat, kòtjing.

-

,

wilde

-,

mossëng, kgöröngan.

KIP.

KATER. kater, kôtjing lakè. katoen, kapô, kapas. katoenboom, randoe. katoengaren, labâj. katoenheester, poengkanà

ketenen, ngrantaj. kettinganger, orèng boeangan. keuken, dapor, tômang, pëtana-an. keukengereedschap, tjampar. kapas. ’

katrol = hijsehblok. kazerne,

tangsè. kauwen, ngaèl. — , tabak , mapaq. keel, kroeng. keep, mëlongè, rëtëpan. keer, maal, kalè.

-

-

, verandering,

obaq-ân. keeren, phöliek, njongsang, paq kor rong. , naar huis, môlè, pléman. à bàli. , terugkeeren, ‘

-

-

keg, patji. kei, steen, bàtô. -‘ , kleine steen, blikier. keizer, soesoenan.

kelder, spijskamer, goedang, sëpèn. kelderflesch, koppè pangpang. kelen, njampli, pli. kenbaar, karôan, këtara. kennen, tao, onning. kennis, kunde, kapintëran, èlrno, kë — tjâdjan. a aki, --geven, rèpot, ngonning ngatorri priksa.

kennisnemen, mriksa. kenteeken, tanthà, tôra. van een paard, plèsërran. kerf = keep. kerk, grèdjà. , moskee, mëssêgit, mësdjit. kerker, krangkèngan. kerkhof = begraafplaats. kermen, nangis. = kreunen. kern, pit, bàè, biekgi, pëlok, bëton.

-

-

kerven, njiksik, massat, ‘ ketel, tjèrèt. , stoom- , kètèl. keten, kalong. — , ketting, rantaj.

-

singsing. .

keur, pêlêan.

-

, merk, ëtjap. keuren, mriksa. van edele metalen, ngôdji. keurig, apik, mëlè-it. keursteen, bàtô pëngôdjian. keus, ôlè mêlê.

kibbelen, kiekier, à tokkar. kieken, pètè. van een eend, rè‚mërè. kiekendief, sêkà, ikiek, lang. kiem, mata. kiemen, tomboe, tërbi. kies, kërëm. kieskeurig, apik, nampik, mëlë-it. kiespijn, sakè kgiekgie.

-

kieuw, pèlèngan, tjà-ang. kiezen, mêlê. kijk! là! abëra!

kijken, ningkoe, tjëlieng, mriksa, nôtati. , zuur — , njôrëng. kijven = kibbelen. kikvorsch, kata, kongkang. kil = koud. kin, tjangkim.

ngabàs,

-

-

,

dubbele

-

, bâok.

kind, anaq, pôtra, — ,

vaderloos

djâtim.



pôtrê. de

geboorte,

,

marra kinderachtig, kindermeid, baboe. kinderpap, tatjien.

nakkanaq.

kinderpokken, tjattjar. kindsch,

ngalôlè.

kindskind, kompôj. kinine, kina, tjâmô‚ paè. kinnebakslag,

tampêling,

kip, adjàm bienê. — , kuiken, pètè.

-

-

tapok. ’

-

jonge , pëndörö-an. veeren, met opstaande ,

tjëmara.

adjâm

KIP. kip

-

met

verkeerd

KLOK. veeren,

staande

adjâm sôrong. met

omgekeerde

veeren,

adjäm

bàli. kippenhok, kanthâng adjàm, kôrong adjàm. kippenluis, kôman. kippenvel, van koude, angst, njapi. kippig = bijziende. kirren, këroekëroe. kist, pëtè, kgrôpoek, krëpoeng. = doodkist. . kit, opiumkit, pëtèkin. kittelachtig, kgliâ, këlielë. kittelen, nglietjëk. klaar = gereed, helder. klaarblijkelijk, trang. klacht = aanklacht. klad, vlek, këthö.

-

kladden = bekladden. klagen, à sërôan, ngadoe. klam, mêp‘él, këmël. klamp, karbil, këlam.

-

=

kleien,

moppô.

klein, kènè, kènit, lompoe. kleinkind, kompôj.

-

-

achter

-

, piô.

achterachter-

, kërpëk. kleinmoedig, kènè atê, taq böngal, lètjaq, këndoer.

klem, kèpè, tanggëm. — , in de klem zitten, tëkèpè, sossa, takoq. , in de klem zetten, ngèpè, tjàpit. , met , kras, tamtô, këntjëng.

-

-

-

klemmen,

de

tanden _op

elkander,

=

aanknijpen. klepel, anaq-én lontjèng, tapoe.

klerk, tjoertôlis. tjërêmè, à bikbik. kleur, bërna, rôpâ. , verschillen in , njëlinthè. kleuren, ngëtjèt. kleven, kleverig, tjëkaq, tjiliet, njèl kèt, lètjang. kletsen,

klosje.

-

samboq.

in de handen, paq-koppaq. , klikken, mëmatoel. klappertanden, ngittik langkëm. klapwieken, ngëpës. klaren, reinigen, ’mbersè aki. , ophelderen, trang aki, ngartè aki. klaren, in orde maken, pëndër aki,

-

-

-

. bëtjè — , lërës , saè klateren van water, tèkrètèkàn. klauteren, naè, ongkgë. als een kat, mëlatjat. klauw, van een viervoetig dier,

-

kokkot. ‚ van een vogel, tjakkar.

kleed, kleederen, pêngangkoej,

thânan.

. ‚

kleermaker, tôkang tjàè. klef, tets = klam. klei, tjëlot.



— op ’t aangezicht, sëplok. klappen met een zweep, monjè

-

tappëla

ningkëm.

klander, boeqboeq, kapang. klank, monjênà. klap = kinnebakslag.

-

kleed, over iets, kôdoeng, kleeden = aankleeden. kleedje, klampi.

than

-

-

, van zweet, rëkëng. kliergezwel, aan den hals, gondong.

= opgezet. klieven, ’mbëlà, bëlà aki, njêbà, më —

thâng.

klikken = klappen. klimmen, naè, ongkgé, rlampët.

-

als planten,

nalar.

klimopstam, rabët. kling, pëthâng. klinken, à monjê.

-

van

bekkens,

brèngbrèng.

_

- met klinknagels,ngëkling,mattè-è. ‘ klip, karang. kloek = dapper. klok, lontjèng. — , klokje, belletje, gëntaq. — ‚ id. van hout, kêtil, kottol.

KLOK.

KOEL. knellen, nauw zijn, sërët, sëksëk. = klemmen. kneuzen, gekneusd, lôka, rôkgë.

klok, voor

trekbeesten, klômong. paardenhals, krônong. klokhen, pangorpi, babon. klokken van een hen, kiokkiok. met de tong, tjëlottok. klomp, stuk, satokkël, sapottong.

-

-,

-

voor

knevel,

-

,

knielen,



tabak, tampang. , sandaal, klompën, gamparran. , id. Chineesch, bakja. klonteren van melk, nglongkor. kloof, tjoeklâng, tjoerâng, loewa.

-

-

- njëpè.

-

, kleine tafel, kënap. knagen, ngakan, ngèkè, ngiskis, ngrèkèt. knakken, pottong, prëngas.

knal, tjëtottan. knap,

pintër, tao, onning. , van mannenaangezicht,bâkoes. rattien. , van vrouwenaangezicht, knappen, nglëtoeq, tjëtot. , doorbreken, rantas. — ‚ als beschuit, enz., armos. , van brandende bamboe, njëtol.

-

knarsetanden, ngëtj ën, ngarot, karot tân, krôtop. knecht = bediende, slaaf. kneden, Ômëk, ngotjëk.

,

masseeren,

pètjè,

mêtës,

mêtjët.

= aanknijpen. knikkebollen, këtondoe, onggoe. knikken, ja , onggoe.

-



-

‚ neen ‚ Ôwing, à kêpëk. der knieën, njalô. knip, schuif, kantjing. , val, tjëphâk. — ‚ vogelknip, talkop. — met de vingers, njëtèt. knippen, à kgoenting. van kleeren, njèkot. ‚ snijden knobbel, bàrë, rissà.

-

-

kluiven = afkluiven. kluizenaar, orèng à tape, kluwen = klos. knaap, lantjing, katjong.

a tëkong.



-

-

_

knijpen,'nobi, tëlaq, njëtot, pèkang.

kluit, brongkollan.

kloppen, slaan, môkol. — , akkordeeren, tjottjok, pëndër, lërës. , ergens op -, noktok. , van ’t hart, tëkëtëk, tôkètok. , thèthè. ‚ murw klos, kluwen garen, bôla, bënang kadjoe. klosje om iets vast te zetten, gantjiel, tanggëm, salët. klotsen, monjênà ombaq, ngrôdoe. kloven, njêbâ, mëthàng. klucht, maènmaènan, thakantha. kluister = keten. bloekor. kluit, boengkalattan,

songot.

knie, tò-ot.

-

knods, knuppel, pëntong. knoeien, a lakô taq karôan. -

knoflook, babàng pôtè. knol, raap, radijs, ramenas, lobaq. knokkel, kneukel, boekoq. knook = been, beenderen. knoop, kantjing. in een touw, poekëlan. knoopen, een kleed, ngantjing. ‚ een touw, enz. vast-, poekël, njintët.

-

, een net, ngangki. knoopsgat, mata kantjing, rôma knop, pëntol, tongkoelan. van een speld, tjètak. — van bloemen, mëkoq. knorren, ngòngò-an, môrèng. als een varken, njërëngok. knuppel = knods. koe, sappê bienê.

-.

-

-

-

, wilde

-

koek, oliekoek

-

,

bânting.

=

oliekoeken,

stof.

‚ gebak, tjâtjàn. koekraal, kanthàng sappê.

koel, tjëlëp.

mest

KORTELINGS.

KOEN. koen = kloek, dapper. ontvangplaats, pölöj. koepokinenting = inenten.

koepel,

koepokstof, piepiet koers, tjölön. koets, karetta. koetsier, kôsir. koevoet,

tjatjar.

-

kooi,

ratjàng.

koffer = kist. koffie, koppí. — , de drank, wiethâng koppi. koffie branden, njangar. koffie-brandmaehine, sangaran. koffiedik = drab. koffiepot, morrong. koffietuin, këpoen koppí. koffiezak, kattoe. kogel, pêlor. kok, kokki. koken, zieden, nalkal.

‘-

-

, schuimend opkomen, , rijst , à tana. = afkoken.

ngolboeq.

-

koker, boemboeng. kokosbloem, mangkgàr. kokosboom, poengkanà njior. levend, ompaj. kokosboomblad, — , dood, klarê. kokosmelk, santën. kokosnoot, njior, boewanà njior. —

-

-

, tjingkir, ‚ jonge , half rijp, toekgën.

ploeloe.

, gekiemde, parsè. kokosnotenbolster, sëpët. kokosnotendop, phötok. — , zeer klein, tjangkèlè.

kokosolie, mienjaq njior. kolf, djagongkolf, tjangkël. koliek, sakè taboe. kom, van aardewerk, tôboeng.

-

, van

komen,

koper, dötëng,

tjëmong. ngombàr.

komijn, tjientën. komkommer, têmon. — , ingelegde — , atjar têmon. , rauw gegeten, lalap têmon. kommer = bedroefd.

-

kommerlijk = arm. kommetje, tjangkir, tjòtjing. koning, koningin, ratô. koningin der witte mieren, gëmè. konkelen, njëkongkël. = bedriegen. korrong. kooksel, kôtoekan. kool, groente, kobís.

-

, houtskool,

arëng. stol, langës, lêtëng. koop = aankoop. koopen = aankoopen. koophandel = handel, handelaar. koopprijs, kablienà._ koor met reeitatief, sandoerân, sam , verkoolde

pietan. koord, talê, tampar. koorts, panas tjëlëp‚ këmèkiel. koortsachtig, krëskës, krieming. kop, hoofd, tjètak, sêra.

- = kommetje. koper, rood-‚ tiempâkgâ. - geel-, konningan. ,

koperdraad, kabâ. kopergeld, pêssè tampas. kopergieter, tòkang konningan. kopiëeren‚njalín sôrat, ngala tôrònan. koppel, sapassang. koppelen = aankoppelen. koppig, tambëng, pêngkô, mëthëtëng koraalsteen, bàtô karang. koralen, mardjàn, manè.

korf, krantjàng, kissaq, këtèpè. = mand. koriander, këtompâr. korrelig, boos, pëngis.

-

korset,

kôtang. kôlè, klonjèn. , roofje, bëntët. kort, pendhë, njètjèng, monthöt. en dik, pëntit. korst,

-

-

op de pooten, tikoer. af, beneden aan, môrët. te

kort, njètjip.

kortademig, tëpëkgö, kortelings, bilan.

ampëk.

KORTEN. korten = inhouden,

afsnijden. kortstondig, sëkgëtjë. ‚ onvoordeelig, trapas. kortwieken, ngëtok klimbang.

-

korzelig = korrelig. kost, spijs, kakannan, thâ-àran. kostbaar, larang, radjë atjienà. kostelijk = uitmuntend, zeer. kosten, uitgaven, bëlàntjà. , de prijs, atji, rëgà. kostwinning = ambacht, ambt.

-

koud,

tjëlëp. zeer -, ngërsëp. kous, kaos. — ,

-

=

lampekous. ploegijzer, këtjien. kraag, lè-èrrà klampi. kouter,

kraai, dhöngdhöng. kraaien, à kongkô.

-

van een boschhaan, njòkir. kraal, kanthàng. kraam, bàroeng, passarran. birimbi. , bevalling, kraan, van een vat, tjòtjoq. , hijsch—, tankèrian. krab, këpèting, blötang, biethëng. krabben, kgârô, ngorkor. ‘- als katten, njakar. als kippen, ngarkar.

-

met de nagels, à kröma. , afkrabben, ngërik. kracht, krachtig, kôwat, këlar, kras, kôkô, kgöli. krachteloos, lètjàq, lèpik, rêboek, apës. krachtens,

sëbâb, kërna, atas trang.

krakeel, tokkarran, kiekieran. krakeelen, à tokkar, kiekier. kraken, à kërnjot, à kërnjèt, rëntaq, mëroksok. onder ’t eten, krôtop. kram, làngkëlàng, këram.

-

kramen, rimbi. kramer, inlandsche mars-, orèng tjoe

-

âlan, këpè, dökgâng, andjènan djèn, kòthoes. ‚ Chineesche mars-‚ klontong.

KROMMEN.

94

krammen, napoeng. kramp, krampachtig,

-

= koliek. krank, sake, krieng.

tjèkallen.

-

, zeer -‚ sakè përana. kr’ankzinnig, kgielë, obaq pèkèrà. krans, angkian. krant, sôrat kapàr.

krap, dicht, aaneen, kërëp. kras, streep, tjôrè, kgàriesan,

përèt. krassen, als vogels, kgâokgào. kreeft, Ôdâng, krekel, tjérieng, kgënta. kreng, phötang. krenten, kismis. kreukelen, krëkô aki. kreunen, ngërëng. kreupel, tippang, këtjöt. kreupelbosch, krombollan. krib, etens-, pëmakannan. krielen, veel menschen, enz. drang. krielkip, adjäm kattè.

=

ge

krijg, Frang krijgen, halen, nemen, ngala.

-

‚ ontvangen,

nampa. vatten, mêkgë, njanthâk. ‚ jongen -‚ a boedoe. krijschen als een karrewiel, tjôwèt. krijt, kapor bëlànthä. krijten = schreien. ,

krimpen, ngërkër, kimpës. , de wind, ësop. ‚ de buik van honger, kilpës.

-

-

, door hitte,

à kërsô.

kring, boentëran. kris, këris. kroes = krullend. krokodil = kaaiman. krom, biloe, biengkoq,

mëlëngkong. van beenen, biethoek. ‚ van armen, piengkol, tjèkot. gegroeid, van boomen,enz.‚ rarè. , van horens, têla. — ‚ van ouderdom, markôkô. krommen = buigen. , liggende zich -, mëlëkô. — ,

-

-

-

KWISTIG.

KROM. krom mes, piol. kronkeien, zich — ,

-‚

à lëngkër.

om iets heen, poelët. als rook, mapoel. kroos, lômot, kgëngkgëng.

-

,

krop,

poeng-ëmpoengan. kropgezwel = kliergezwel. kroppen van sla of kool, a tëlor.

krot, thöngka. ‚ kruid, specerijen, plappa. kruiden, mlappaè. kruidnagel, tjingkè. kruien, njorrong. kruik, kënthi, koppè bâtô. kruimel = afval. kruin van het hoofd, pëlèsëran, boe nëmboenan.

kruipen, ngrangka,

mrangkang. ‚ als planten, nëlossor, a ramphë. kruipgewas, këmpàng ngalar, phön —

ramphön. kruis, prapattan. in een pantalon, mastak. , ridderkruis, bientang, krois. kruiselings, malang.

- zitten, à sêla. kruisen, salangsalip. - , de armen, santhököp.

kruisigen, nangtang. kruisje, tot handteekening, patjal, prapattan, tapaq dhöngdhöng. kruit = buskriut. kruk, stok, tongkët. , knop, pëntol. krul, gekruld, brientè, tjëlèkër.

-

, schaafsel,

passa-an.

kuch, kuchen, bàtok, bàtoq-an. kuif, songkâran. kuiken = kieken. kuil, lobang, tjoeräng, tjoeglàng. kuiltje in de wangen, patjëk. kuip, ëtang, ëtong. kuisch, sôtji, pôtè atênà. kuit, bëtis, kèntol. , visch-‚ tëlorra tjoekoq. , van een krab, péra. _

-

kuit, gezouten visch-,_tëlor kunde = kennis. kunne, prôbë. kunnen, ôlè, ngëning.

tjërôboe.

— ,

weten, tao, onning. meer -‚ môkoek. kunsten vertoonen, mëntja, saliet. . kunstgreep, akkal. à à kuren hebben, sôla. pökal,

-

‚ niet

kurk, Sompët. kurkdroog = beendroog. kurketrekker, kòtrèq. kurkuma, kcnjè. kus, kussen, njiom, ngambong,

ngê

loskos.

hoofd-, böntal. rol-, kgoelieng.

kussen,

-

,

, zit-‚ kasôran. kust, pësèsèr. kuur = kuren hebben. kwaad = boos.

kwaadspreken

=

belasteren.

kwaken, ngôwèkôwèk. kwalijk, korang bëtjè, —

-

nemen,

saè,

sala.

langlang,

ngompâng, mangkal, manglô.

kwansuis, takantha. kwart, saprapat. kwartel, mannetje, koetol. , wijfje, gëmëk. kwartgulden, satalè.

-

kwast] —

verfkwast,

kôwas.

in ’t hout, sòtja.

kweeken,

ngôboe,

dëdër.

kwellen = aandringen,

storen.

kwetsen,

nglôkaè. kwetsuur, lôka.

kwijl, kwijlen, tjaèlan, alêlê. kwijnen, sakè abiet.

-

van planten,

êlop. élang. kwijtschelden, élang aki, nglëpas kwispeldoor, pëtjôpaqan. tëkòtëkan. kwispelstaarten,

kwijt, verloren,

kwistig, môdë.

overvloedig,

taq

’.

korang,

LAADSCHUIT.

Laadschuit, praho. laadstok, tjoetjoetjoe. laag, niet hoog, lëmbä, , klein, kènè.

-

LAUW.

anthëp.

landwind, angèn thârât. lang, lantjâng, landoer,

‚ gemeen, tjoebà. ‚ kort, manthë. ‚ rij, tala. laars, kassot, sëtiewël.

-



-

op den dag, abän,

-

siang.

‚ ’s avonds, tjompët arê. , in den nacht, malëm.

, te laat, ngasèp. = kortelings. laatst, laatstleden laatstgeborene, boengsô. laatste, di boedi thiebi, i bingkèng

thieri.

ngëlèkik. toe-, à lèssëm.

ladder, anthë. lade, sôrokkan,

latji.

laden, moeaq. — van een geweer, ngêssê.

lading = inhoud. ’ laf, van smaak, tjia. —

=

kleinmoedig.

laken = berispen.

-

, de stof,

làkën.

lakken, kgiliek. lam, mattè, impon. — ,

schaap, boedoe-ën ëmbi. lamp, thömar, lampoe. , inlandseh, tëlimpè, tjongkop. lampeglas, sëmprong. lampekous, sompoe, böloen.

-

lampstandaard, atjoek. land, tana, poemê.

-

,

vast-

rijk,

,

thârât.

nëkgörë. landbouwer, orèng tanê. landen, ongkgë kà thâràt. landgenoot, kantja padë nëkgörë. landman, orèng tiessa. ,

-

-

pang. langzaam,

- = einde. lachen, akglà, - , elkander

lantik,

lantoeng. en zwaar, 10ndhëk. van armen, tjoentaj. abiet. , langdurig, , nog duren, tangè. , hoog van gestalte, tingki. , lange weg, tjào, tampën. langdurig, van ouden datum, boekën. , van een ziekte, ôka. i i langs, pingkier, èrèng, lébat, njim

-

abiet.

laat,

landmeten, njèngkal. landraad, landrat. landrente, pàtjëk. landschap, nëkgörë.

-

laon,

rangarang.

lui, lëmos. langmoedig, = geduldig. . lans, tompàk, lëmphieng. lansstok, lanthiân. lantaarn, lantêra, thömarran. ,

lap, tampâl. lappen, verstellen, nampàl. lasch, tapoengan. lassehen, napoeng. last = lading. , vracht, pêkollan. , bezwaar, sossa, êboe. — , bevel, printa, tâboe. lastdrager, orèng mêkol, kôli. lasteren = belasteren. lastig, van kinderen, tambéng, plën

-

gër, njòtjot. lat, ërèng, kèpè, bielà. laten, laten blijven, tienaq, tiengkël. weten, bri tao, ngonning aki, à

-

rëpot. komen, ollok, ngatôwèn, nimpàli. zien, paq tao, ngonning aki. later, tjoeng boedian.

-

-

lauw, angaq. in ’t bevelen, lëmêr.

-

LAVA. lava, lathoe. ledekant, katêdoengan, leder, kôlè.

LICHTEN.

97

kasarènan.

ledig, kottong, koppong. — loopen, niets doen, ngangkoer. , niemand thuis, sôboeng. ledigen, nôtaq, nomplëk. — , totaal - , paq abi. leed = droefheid, kommer. leeftijd, ômor. leelijk, tjoebà rôbànà.

-

leem = klei. leenen, ngientjëm. , geld - , ôtang pêssè. , in leenbruik, kgâthoe. leepoog, leepoogig, bierkis. leer, wetenschap, èlmô.

-

leeraar, pandita, goeroe. leeren, ngatjär. leerling, môrit. legende = fabel. leggen, njabbë. , doen - , paqtêdoeng,-kôrong. , eieren - , à têlor.

-

legger, steunlatten, tëlika. , register, lègër. leghen, pangorpi. leguaan, brökaj. lei, batô tôlis.

-

leiden, nonton. — , om den tuin - = bedriegen. leidsman = gids. leisel, leidsel, epos, ëlês. lekken, këtôrô, phoertò, lek, mrëmbës, ngëlotter, prëspës. ‚ bodem van een vaartuig, rën

lepel, om op te scheppen, tjintong. , waterschepper, tjanting. ‚ keuken- , êroes. sôdoe. , van een blad gemaakt, lesschen, ngênom. lessenaar, médjà tôlis, pënôlissan. letsel = beletsel, wond. ‚ schade, rôgi, töna.

-

letten, èngaq, djögö. letter = karakter.

letterlijk, ongkoean, bërëmaq printa. leugen bedriegen. leunen = aanleunen. leuteren = beuzelen, beuzelachtig. leven, levend, ôdi, djëngnor, ôrip. , afgezonderd - , a tape, njëpê. levendig = druk. levenloos, mattè. levenslang, salantjângà ômor.

-

levensmiddelen, pëngôdian, nan, thâ-àran. lever, atê.

leverancier, langkgönan. leveren = afleveren. lezen, matja. , inzamelen, môlong, mëtik. mêlè, ngassak, , sprokkelen,

-

-

ngrontok, nglorkor. lichaam, abâq, phötön. licht, niet zwaar, nëmang, namang. van kleur, ngôdë.

-

, dun, ,

-

leksteen,

batô

saringan. lol van een haan, thâmbier. lolletje in de keel, antil. lemmer, van eenjmes, lattiengà. van een zwaard, degen, pëthàngà. lenden, tenga. lenig, lëm.ës, lôtè, ornjat. lepel, om te eten, sèndoe.

-

têpès, rangrang.

gemakkelijk, kgàmpang.

, helder, têraq, trang, sènap, pa thàng, sërdàng. , daglicht, siang. ‚ kunstlicht, thömar, lampoe, të

-

tjap. lekker, aangenaam, njaman, léboer. van smaak, lëmaq.

kakan

-

limpè. ,

— ,

-

kaarslicht, lèlèn. valsch -, sompäng.

uitdooven,

matte-e.

lichten = aflichten. —

-

’s morgens vroeg, para siang, pôtè têmor. , weerlichten,

— ,

helder

njonar.

tëpkëtëp. maken, pathängi,

LICHTEN.



lichten, bijlichten, njôlôè. lichtgeloovig,lëkas, përtjadjà, përtja

djà-an. lichtgeraakt = korrelig. lichtvaardig, korang mèkèr. lid, boekô, roeas. lied = gezang.

liniaal, sèpattan, linieeren,

preferent,‘angoq.

liggen, têdoeng. , voorover, napang, korrong, nal

-

-

pang. , achterover, gëntang. , op zijde, têdoeng mêrëng. , laten -, tienaq, tiengkël. slapen, ngêthë têdoeng, sarèn. ‚ van dieren, rindoe. van verlepte planten, rëndoe. dieren, voorpooten over , van elkander, a tëpis.

ligging, kënëngan. ligmatje, tèkër, lantaj. lijden, verduren, ngrassa. lijdzaam = geduldig. lijf = lichaam.

-

= kreng. — lijkbaar, katti]. lijken = gelijk, gelijkvormig. ,

’tlijkt

wel

of.

. . . ,

masè

.....

lijkkleur, pôtè ôlaj. lijm, ëlim. lijn, touw, talê, tampar, këntja. ‘

-

, streep,

kgâris.

lijnrecht, tanjëng, latjier, sèpat. lijnwaad, laboen. lijst, staat, ëstat, pratèlà, tjatëtan.

-



raam,

bàton.

lijvig, radjë, lompô.

tjitarân, djidâlan.

a kgâris.

linker, linkseh, katjèr. links en rechts, katjèr kangan. linkseh = dom. linnen = lijnwaad. lint, pêta. lip, bibier. list, listig, akkal. litteeken, lampattà lôka, lampang, tjëritëk, krêtô, boetjëk. loensch, nglèrik. = scheel.

-

=

loeren

gluren.

lof, pëngalëm. log = zwaar. logeergast, tamôj. logement = herberg. lokaas lombard

aas.

= bank van leening. lombok, tjappi. lommer, nawëng, aoep. lomp, ongemanìerd, korang atj àr, tj ò mot, sëlôrô, taq onning prënata, —

lijk, madjit.

-

lijvig, van vochten, lèkët, lèkô. likdoorn = eksteroog. likken, tjielät, pielàt.

-

lies, pèkang. liever, angor, pinthë-an, mëngô. ,

l

met de vingers, toeliet. limoen, tjëroek pëtjël.

lieden, orèng banjaq, kantja—. liedje, rëpênan. lief, léboer. liefde = bemind, beminnen. liefdegift, töna. liefje, atê, pietjëkän, anaq mas. liegen = leugen.

-

LOOP.

98

tjangkollang. = dom, grof.

long,

tjölönà njabâ.

lont,

Ôpët.

loochenen, mongkir. lood, têma. looden, peilen, a sarê dölëmà, ngëlot. loodrecht, tjëktjëk. loods, schuur, goedang. ‚ loof, daonan. loog, aschwater, aèng rôman, aèn tôlô, lanthë. looien, samak. loom, lëssô. _ loon, ôpa, badjârân, blàntjà. , vergelding, bâliessan, bälè’t. loop van een geweer, boeloenà së

-

nappan.

losmaken, van aarde, toekgâr. lossen, een vuurwapen, ngòtjol. ontladen, poengkar. een pand, nëpoes. louter, mëlôlô. louteren, bërsè aki, tjëning aki. loven, prijzen, ngalëm. = bieden.

tjèmot,

lubben, , , ,

,

luchtsoort, apphë. luchten, tjëmor, ngèsès. lucifer, kòrè. lui, lëmos, telédoer.

à

, ,

à

i

i

boekaq,

-



in

lus, kgoempëlan, poekëlan. lust, këntjëng, toedjân. lusteloos = loom. lusten, toedjàn, sôka, ëndhö. lustig, rammè, léboer.

tjottot. ngòtjol. = bevrijden. ngòkal,

luid, kadjë. luiden, monjê, napoe. luidruchtig, rammè, ingër. luier, pôpô, bëthieng. luik = venster. luim = kuren hebben. luis, hoofdluis, kôtô. — wandluis, kglöta. karbouwluis, limpè.

luizen, njërit, sëlèsëlè. lukken gelukken. lurken, njoptjop, kènjot.

loslaten,

ngòtjol, mëtjat.

ôtaq,

luttel = weinig. luur = luier. luw, tjétoe.

M. Maag, wöthoek. maagd, prabân.

bântô.

grasluis, tongoe. de kleeren, tôma. luisteren, ngêdieng, mêrëng.

òtjol, lëpas. slap, këndoer. open, tëboekaq. van vlechtwerk, rangrang. malsch, poea. losgaan, loslos, ornos. id. van schoenen of kousen,

losmaken,

ngëphieri,

lucht, azuur, langè. wind, angèn. reuk, bao. vieze -, amis.

-

,

’ ’ ’ ’ ’ ’ ,

vrij,

,

-

’ ‘,

,

, ’ ’

’ ‚

looper = sleutel. postlooper, pësôrattan. loozen, moeang, ngëtjor. los, niet vast, lorkgä, lòthoek. afgevallen, tjòplok, lòtjot, ngëlossor, tjë1ètot, njëlottak.

,

-

kuuwuwv‘nv

ngindieng7 glàdjér. , vluchten, boeroe, mienggât. van vloeistoffen, kgieli. van zaken, tôtti, à tjölön. op de hielen, nombët. njirkot. voeten binnenwaarts, njèkar. id. buitenwaarts, lamlendig -, niknik. ’t hoofd schuin, lingnêling. knieën dicht bijeen, kgötik. stijfbeenig -, a lingkot. wijdbeens, ngêka. op de teenen, ngitting. met bewegelijken hals, leng goek. bukkende houding, njëloendoe. buik vooruit, ngadjâng. losloopen van beesten, amphör. këdoe. sabelbeenen, këntaq, laten - = liggen laten.

,

loopen, à tjölön. , vlug -, boeroe,

MAAL.

99

à

LOOPEN.

maakloon, ôpa. maal,

keer, kalè.

MAALTIJD.

, ,

‚SabâL Tëkèpè.

Bassol.

Mandilawal. Mandilakíer. Rëtjëp.

-

Rëbô. Poeasa. maandag, arê, sënin. 12.

-

maandelijks, sapën boelân, boelânan. këdötëngan,

boelân

maanlicht, têraq-ën

rêsëp,

krieng. boelàn.

maantop van een paard, tjoempong. maar, slechts, bäè, biesaos, tjôma,

, ,



makker, phörëng,

pakkit.

maatregel, atorran, prënata. maatstok, kakêan. macht = kracht, gezag. machteloos = bezwijken. machtig, radjë kôbâssanà. machtigen = toestaan. made, Ôlaq. — aars-, biejêr. magazijn, goedang, toekoe. mager, korros, rôgiek, songsot. ,

'

-

,

ning, péraq. doch, tappè, nganning. = bericht. maas, mata. maat, kôlak, tjòrong. — lengte-, okkorran, kakêan. —

,

,

11.

maandstonden,

manbaar = huwbaar. mand, krântjâng, kroendjoeng. voor gekookte rijst, tjëting. voor tabaksopkoopers, broenang. platte -, ékraq. zeer kleine -, tjòpoe. om vruchten te plukken, kërôsô. je

Sôra.

,

SQP°>ÎFÎ>P‘PÊQ.IJZÀ

malsch, poea. mama, ëmboeq. man, lakè, orèng lakè. — en vrouw, lakè bienê.

Sapar. Môlot.

phëliek. maaneclips,

-

maleisch, mëladjoe, tjara mëladjoe. malen, kgilieng, kgilies. sasar. mijmeren,

-

Riadjë.

10.

kgöbàj, kgäràp. makkelijk, kgâmpang. makker = kameraad, maat. mal, ëmal, tjontô, tjèta-an. = dom, gek. maken,

-

van klapperbladen, këtèpè. manen, nâkgi. van een paard, koemphâ. = maanlicht. maneschijn mangga, pao. manhaftig = moedig. manier, tjara.

-

manila, rôkò manilla. mank = kreupel. mannelijk, lëlakè, marra lakè. manwijf, wanthoe. mare

=

bericht.

markt, passar. martelen = mishandelen. martevaan, kgëntong. masker, toppèng. maskeren, noppèng. maskeeren, ‚verbergen, ngaling, njor— kâp. masseeren, mêtjët. mat, têkër, lantàj. van kokosbladeren, kiethàng.

-

,

,

kwartier, tangkàl bâlloe. maan, pornama. laatste kwartier,tangkàl salèkor. dagen na volle maan, panglong. opkomst, mëtô boelän. maand, boelän. eerste

, volle

-

à

-

,

maan, boelân. , ’t eerste licht, tangkâl.

mahomedaan, orèng slam. mais, tjàkoeng. 100 sts, koentjongan. mak, lôla.

,

maaltijd, kakannan, thâ-ârran. — van een fabriek, baktô kgilieng.

-

MAT.

100

geldstuk,

ringgit.

MAT. mat = vermoeid. mate, in mindere -, taq pattè banj aq,

lò-or.

matig = gematigd. matigen, ngorangi, laon matras, kassor.

-

kgàrâp. medebrengen,ngèbâ,mpëkta,

nj ambi,

ôlè—ôlè.

mededeelen, noe—oem. , zeggen, tottor. mededeelzaam = goedgeefsch. mededingen, à rëpoe, rëpoeàn. mededoen, nòrò, nòrò boentè, mêlô,

-

këpêlô, ngampong. , samendoen, matong. mededoogen = medelijden. mede-echtgenoot, tweede vrouw, madoe, bienê ngôdë. medegaan, nòrò, ngèrèng. medegeven, mëtôrô. medelijden, êman, nèssër, kanèssërën. medenemen, njambi, tambi aki.

-

nòrò

. . . .

ngèrèt. medicijn = geneesmiddel. meegaand = gedwee, gehoorzaam, gezeggelijk. meel, tëpong. meenen, ngrassa, kêrakêra. meening = denkbeeld. meer, water, ranô. , meerder, lëbi, pòlè. en meer, sadjën, sadjönè. meerdere, orèng akgoeng, 1Ôra. meerderheid, sè banjaq. meergemeld, laq (ampon) i sëpoet, i sëpoet i atas. meermalen, sëkoet, banjaq kalè.

-

meesmuilen

meest, banjaq thiebi, - thieri. meestal, meestentijds, patjöt, kapra. meester = baas. , leer-, goeroe, mèstër. meetstok = maatstok. meeuw, tëlëkô, pöngôj. meid, baboe.

-

aki.

matroos, matros, ponthoe. mauwen, ngêjong, ngaong. mazelen, sakè tampëk. mede, mêlô, nòrò, këpêlô. , benevens, sambi, sarëng. , tevens, gia, sakalè. nòrò à lakô, nòrò à mede-arbeiden,

medeplichtig, medesleepen,

MESTSTOF.

101

= mopperen.

— ,

keuken-‚ kokki.

meineed, sompa thakantha. meisje, anaq bienê, tjëpieng, pôtrè. mejuffrouw, nonna. melaatschheid, à pôrôan, tëtël. melden = kennisgeven. melig, körpoe. , niet -, nglèngkèng. melk, aèng sossô. melken, mèrèt. melkkoe, sappê pèrètan, - kampor. meloen, sëmangka bëlânthâ. men, orèng, orèngorèng,

-

kantjakantja. men zegt, òtjaq-ën orèng‚tjaq èpon orèng. mengen, njamboer, kgörok, salôè,

ngòtjëk. , zich ongevraagd ergens in -, tjalmaq. mengsel, tjamboeràn, adoean. menie, tjèt méra, mêni. menig = veel. menigmaal = dikwijls.

-

mennen, nëkoe apos, ngôsir. mensch, orèng. menschdom, mënoesja, ômat. merel, (soort van -), këpòthäng. merg, in beenderen, somsom.

-

atê, kgâpoes. , in planten, merk, tôra, ëtjap, sabien, antjier. - , spoor, lampat, lôlos. merkbaar, trang, këtara. merken, nôraè, ngëtjap. — , bemerken, ngrassa, ngënalè. merrie, tjörön bienê. mes, lattieng, tôdi, piräng. voor pinangnoten, katjip. mest, phoetok, tjëlattong. meststof = oliekoeken.

-

MET.

, landmeten,

met minder

een

kop,

dan de

njêngkal.

meter, el, èlo. metgezel, phörëng, ponthoe. metselaar, tòkang bàtô. metselen, massang phöta, njètrap. metselkalk, 1010. metselsteen, phöta. meubelen = huisraad. mevrouw, njonnja. middag, pëthoek. middel, krêna, akkal. — ,

lijf,

tenga. i tenga. middelvinger, tontjoe tenga. middernacht, tenga malëm. mier, bilës, bilies.

-

-

, midden,

witte mier, raprap. vliegende mier, tëtjölöng. — , roode mier, ngaranga. zwarte -, lèngnjèng. zeer kleine -, bílës pòthàk, kapâr, - apôj, - mardhö. = afkeer. mij, mijn, zie Spraakkunst. , ‚

-

|nu

-

mijden, njingkë, singkgàè. mijl, 20 minuten gaans, ëpal. mijnheer, toean, non. mikken =_ aanleggen. mild = goedgeefseh. millioen, satos laksa. milt, phörö. min, voedster, baboe njossô. — , te min, korang, taq tjôkop. — = bemind. minachten = berispen, verachten. minachtend

njambibi.

de

lippen

optrekken,



minzaam, rôkon, bëtjè, saè. mis, loppot, sala. misbruiken, sala pëngngangkoej. misdaad, salanà.

-

= ondeugd. misdoen, vergissen, sala, klêrô, talip lap, tachèlap. misgeboorte, këlaboeân. misgunnen = jaloersch. mishandelen, kaningadjë. mishebben = misdoen.

miskennen, taq ngakô, taq angkën. miskraam = misgeboorte. misleiden, lètjik, ngapossèn. mislukken, boeroeng, loppot, taq tôtti. mismaakt, sala töttinà, tatiessa. bij de geboorte, larè.

-

misnoegen, thoeka. misschien, amè, mënabi.

misselijk, bëkngëmbëk. missen = mislukken. kan niet-‚taq këningnjä,taq

-

’t

-

waren,

rontoq. , droge waren, helft, môrè.

-

,

-

, droge

minder, korang. minder vol, loeang, taq pattè possaq. minderen, ngorangi. in prijs, tôron atji. minnaar, minnares, bökal.

kènging poenten. missieve, sôrat. misslag, kës_ala-an, kaloppottan. mist, arboen. misverstaan, sala ngêdieng. mits, sòkor, assal. mitsdien = daarom. mitsgaders, sarta, sambi, pòlè. modder, tjëlot. modderig, lëtoek, këtja. mode, tjara. model, tjontô, pökal. moed ‚= moedig. —moede, lëssô, anglô, kass'ô, beu, poessën. moeder, ’mboeq. — bij dieren, korpienà.

-



met, kelabân, sambi, phörëng, mossô, sarëng. meteen, sakalè, missanmissan. meten, lengte -‚ ngôkor. — ‚ natte en droge waren, ngôlak. — ‚ droge waren, zonder kop, maras.

-

MOEDIG.

102

moedig,

böngal,

pöntër.

lindi.

MOEDWILLIG. moedwillig, i tengët. moei

morgen middag, lakoena pëthoek. avond, lakoena malëm. , over-, sëdoeamalëm. licht, daglicht, siang, — stond, para siang, pòtè têmor,

-

=

tante. moeielijk, êboe, sara, angèl. moeite, sossa, kaêboean. meer, van een schroef, Òlèran. moeras, rabá.

moerbalk, lampàng. moerbalkstijl, sësaka. moeskruid = groente.

moesson = getijde, seizoen. moet, spoor, lampat, lôlos. moeten, maksa. = missen, ’t kan niet -. mogelijk, ôlè, ngëning, kènging, amè, mënabi. mogen, i bàkgi, i parrèng aki.

-

-

=

mogelijk. mohamedaan, orèng slam.

moker, palô. mokken = mopperen. mol = aardhond. molen,

kgiliengan,

muf, apëk.

kgiliesan.

-

tjënêla.

muizenval, pëtat, mu], ëntoet.

pënjakè

tjatjar. mondvol, sa-ompaq-an. monster, staaltje, tjontô. mooi, bàkoes, rattien, léboer, longsèr. sëntik. , netjes afgewerkt, moor, orèng kôdjà. moord, orèng i pattè-è. moorden, mattè-èn. moordenaar, orèng a mattè-èn moot, èrèssan.

tjëphàk.

munt, pêssè, obäng. = mopperen. murmureeren = beurs. murw muscus, titiessa tangkgöloeng.

-

muskaatnoot, pahala. muskiet, rëngè. muts, karpoes, sopplok,

gôlô,

songkò. . . . .

mopperen, ngoqngoq, tjërêmê. , zachtjes -, grëndëm. morgen, ’s morgens, kgi lakgoe. ‚ de volgende dag, lakoena.

-

mug, rëngè. muil, pantoffel, = bek.

muilband, broengsô. muilbanden, broegsôè. muis, têkos. muiteling, brandàl.

kapang.

mom = masker.

-

tôron adjâm. morren = mopperen. morsen, ngëmprô, glàwiran. morsig, këthö, kottor. mortel _= metselkalk. mortier, vijzel, lësong. mos, lômot. moskee, mësègit‚ mësdjit. mossel, tëpâlan, kërang. mot, ngëtngët. motregenen, rèssè, Òtjän arpoe. motregenen, a rèssè. mottig, tjërômô, tjërôkong. mouw, lëngënà klampi. komprangan. ‚ wijde mouwen, -‘ ‚ met knoopen,tannang kantjing.

-

molentje, wind-, intëran. mollig, ’mpoeq, mënthëk. molm, in hout, enz., boeqboeq

mommelen, ngaol. mond, tjôloq. mond- en klauwzeer,

MUZIKANT.

10 3

muur, tèmbocq. muzelman, orèng slam. muziek, Europeesch, moesik. , inlandseh, tapoeân, angklong, sërônèn, pantjâk. muzikant, moesikan, miakgâ.

-

NAMELIJK.

Na, sa-ëlaq-nà, sa-amponnà, sapong korrà, i boedinà, i bingkèngà. , op één na, korang samikkgi,

-



-

korang sètong. , op jou na, karrè bâq-ën. dit, pas,latjoe, marènà,marèjëria, mare panèka. u, sampéan thiengin. het feest, oboessà slamatan. nieuivjaar, lobârà tëlassan. drie dagen, sa tëlô malëm, arê aki.

tëlô

naad, naaisel, pëntjàè-an. naaf, ëmol. naaidoos, böthöna pëntjäè-an. naaien, a tjâè. naaigaren, bënang, bôla. naaikatoen, labäj. naainaald, tjâroem. naakt, bângkang, glänong. katon. , ontbloot,

-

naald, ‘ tjâroem. naam, jama. — , voor ’t huwelijk, jamana dàk gieng. , bijnaam, tjoeloek. naapen, nêròj. naar, ka. = bedroefd. naarmate, bërëmaq tjölönà, mabi mabi.

-

naardien, sëbâb, sarêna. naarstig, tjakang. —

= ijver, vlijt.

naburig = naast. nabuur, tëtangkgë. nacht, malëm. nachtlamp = lamp. nachtmerrie, apsëap,

i tompaq

apsëap. nachtuil, ëploek. nachtwacht, këmit, patrol. nadat = na. nadeel, rôgi, tôna, tjoengkang. nadeelig, in ’t gebruik, trapas. ‚ in de gevolgen, tjòkoek. nademaal, sëbàb, pôlana. nadenken, mèkèr, nèmpâng. nader, dichterbij, sëmaq-an, para-an.

-

naderen, njantër. naderhand = na. nadoen = nabootsen.

nadrukkelijk, phöngët, kras, sangët. nagaan, onderzoeken, mriksa, njas

-

sak, Ôros.

, achter-, njossol, nottotti. nageboorte, tëmônè, trêtan. nagel, kôkò.

-

, spijker,

pakô.

= bout, kruidnagel.

nagemaakt, nageslacht

têrôan.

=

graad

van bloedver

wantschap. naijver, tampoeroean. najagen, nabâng, mëthâk, ngôjoq. nakomen, èntar di boedi, napa di boedi. — ‚ een bevel, nòrò printa.

naast, dichtbij, sëmaq, para. — , op zij, i èrèng, sëladjë. naastbestaande, phölö. naast elkander, tjötjör. nabauwen, lata.

nalaten, vergeten, lôpaq. — , achterlaten, tjetjèr. nalatenschap, sangkollan. nalatig, këlôpaq-an, lëmos,

nabij, para, sëmaq.

nalezen, ngassak. namaals = daarna. namaken, nêròj.

nabijheid, onmiddellijke -, iêtie-ën. nabootsen, nêròj, anti aki. — , de gebaren van een tandaq, tângtàng.

korang

pratin.

namelijk, ieja jeria, ’ngki nèkô, ingki panèka.

NEVENS.

VEAMIDDAG. namiddag,

1 ure, singlèr. 2, 3 uur, lôhor. 4‘ uur, assar tingki. 5 uur, assar maboq.

6

uur, tjompët arê.

nap, tjanting, phötok. napraten = nabauwen, naricht = bericht. nasaal,

nabootsen.

biengsëng.

naschrijven = afschrijven. nasleep, pangèrèngan, rèpot. nat, botja, Ôdi. — , doornat, koppô, lokkos. , erg begieten, paq lëpos. natie = geslacht. nattig = nat, vochtig.

-

-

natuur = aard, inborst. natuurlijk, tamtô, lërës. nauw, sëksëk, tjoppè.

-

, gespannen, de kleeren, kampët.

nauwelijks, para tadë,

-

loppot.



aangekomen ..... , dötëng pas ..... nauwgezet, ngëstètè, apik. nauwkeurig, ngëstètè, apik. nauwsluitend, de kleeren, ringkot. navel, bôtjël. navelstreng, tontonnan. navolgen, opvolgen, tòrò. , volgen, nòrò, ngèrèng. , achterna komen, njossol, nòròi boedi, nòrò boentè. navragen, à tanja, mriksa, à sarè kë

-

trangan. naijverig = jaloersoh. nazien = onderzoeken. _

nazitten = najagen. neder, naar beneden, kà bâbë. nederdalen, tôron, ningkgë. en weer opstijgen, njêlëp. nederig = gedwee. nederknielen, à tëkong. nederlaag, kala, kaboen. nederland, nëkgörë bëlànthâ. nederlander, orèng bëlànthä. nederlandsch, tjara bëlânthâ.

-

nederleggen, zetten, njabbë. nederliggen, têdoeng.

nederwaarts, ka bâbë, tôron. neef, pënakkan, anaq trêtan. neen, njà, ’ntën, poenten. neep = knijpen. neer, op en neer, ngélassat. neerkomen = nederdalen.



— , vallende -, a këloetoer,kgröphös. neerslaan, een plant door den regen, tioek, tëmët. neersmijten, pânting, tielphös. een vogel, ningkgë. neerstrijken, neet, tëlor kottô.

negen, sanga. de half, sanga tenga. derlei, sangang rôpa, bërna sanga. negenmaal, sangang kalè. negentien, sanga bëlâs. negentig, sangang pôlô. tjëlâng, neger, afrikaan, bëlànthà lanon.‘ ‚ neiging, tërô, sôka, toedjàn, karëp.

-

nek, tjëpling. nemen, ngala, montoet.

-

rakô,

djoempoe, '

in eens, ranggëm. volle hand, tjamak. , op zich -, sangkoep. nergens, tadë, taq è tëmoe, bröta tadë, sôboeng. nest, léboen.

-

, zeer veel ,

een

-

voor kippen, pëtarangan. net, netjes, apik, mèngis.

-

tjâlà. vogel-, tjörieng, talkop.

, visch—,

— ,

netel, brandnetel,mampës, këmathoe. neteldoek, dërias. netelig = moeielijk. netenkam, sërit. netto, bërsè. neuriën, ngrëngrëng, à rëpê. neus, êlong. neusdoek, stannang. neusgat, lobangà êlong. neusklank, biengsëng. neusloos, sorngang. nevel, nevelaehtig, arboen. nevens = benevens, met.

NICHT. nicht, pënakan.

nok, boeboeng. , snik = snikken. nokbalk, tôlang boeboeng.

-

niemendal, tadë sakalè, sôboeng. nier, biengsèlan. niet, taq, tadë, adà. doen! tja! atjà! latjà! — , om -, përtjôma. nietig = gering. , ongeldig, katok, taq kratoe. nietmetal, niets, tadë sakalè, tadë

angkà, nômër. nood = gebrek, gevaar. nooddruft, pëngôdian. noodeloos, përtjôma, taq ossa, tadë nommer,

-

-

pënapapënapa. nietsbeduidend, tadë

kgoenanà, ngasèp. noodig, noodwendig, parlô. noodigen, ngôlëmè, ngatjàk. noodzakelijk, parlô, taq këning ’njà, taq kènging poenten. noodzaken, maksa. nooit, njâ, salantjàng Ômor njâ

kgoenanà, pér

tjôma. niettegenstaande, maskè, töttia... niettemin = evenwel. nieuw, anjar. nieuweling, orèng anjar, kantja nieuwe maan, tangkàl. nieuwerwetsch, tjara anjar. nieuwjaar, tëlassan. nieuws = bericht, nieuwerwetsch.

-

(poenten). noord, dödjë. , ten noorden, i dödjönà. — de dödje, ka ‚ naar ’t noorden, dödje, kà djërödje, ngatëp dödjë. noordoost, têmor dödjë. noordwest, bàrrë dödjë. nopen = noodzaken. norsch, pëngis, sëngol.

—.

-

-

aan, boengaran. , van nieuwsgierig, tërô tao (onning) kappi. niezen, assim.

nijd = 'aigunst. nijdig = boos, kwaad. nijgen, tartip. nijpen = knijpen. nijptang, tjatot, sôpit. noch = niet, ook niet. nochtans = evenwel. noemen, jama aki, sëpoet. nog, kgi, lakgi.

-



noteeren, tjatët. notemuskaat = muskaatnoot. notitie, tjatëtan. nu, sëtia, sëtontô, sëmangkèn. — eerst, phoeroe sëtia, mangkèn. en dan, sëkoet, kadötëng,

-

Ochtend = morgen. oefenen = leeren. oester, têrëm. oever, pingkier, pësèsèr.

kôangkô. , heden, arê tia,-tontô,-mangkèn. P marèna? marè èpon? ! marra, arra, ajoe ra, nàthë, tôrè,

dabëk. nut, kgoena. nutteloos = noodeloos. nuttig, bàdë kgoenanà, a kgoena. nuttigen, ngakan, ngênom, thà-àr.

tontô, nanthoek mangkèn. pòlè, sakalian

-

-

meer, korang, pôlè. niet, bëloen, kgi taq ôlè. nooit, kgi taq è tëmoe. — toe, napa sëtia, napa së ‚ tot maals,

OFFEREN.

106

aki.

}

of, ôtabë, apa, ënapè, pënapa. offer, korpan, kêka. offeren, à korpan, à kêka, à tjaos korpan.

OFSCHOON. ofschoon = desniettemin, hetzij. oksel, klintjëpan. olie, mienjaq. — , aard-, mienjaq tana, mienjaq lantong, mienjaq gas.

omkantelen, kgliepëk, kliempàng. omkappen = omhakken. omkeeren, phöliek, paq korrong. = omdraaien. omkijken, nôlè.

-

, lijnolie, mienjaq tjèt. oliekan, böthönà mienjaq, tjêlop pakkan. ‚ oliekoeken, meststof, tjaphoek, pliek

, niet -, njôkëng, ngènjong. omkleeden, poengkos, phuutphuut. omkleedsel, poengkossan. omkomen, mattè i tjölön, plâj.

phiek. oliekoop, dökgâng mienjaq. oliepers, lampè-an. olie persen, nglampè. olieton, ëtang mienjaq. , klein soort, para, sapara.

omkoopen, ngôpaè. omkrabben, koewêr. omkrullen, mëlëkô, à kërsô. omlaag = beneden, neder. omleggen = omkeeren, omdraaien. van messen, enz., lèlèp.

-

-

olifant, gâtjà. om, rondom, lingling, ngëlèling. ‚ ter zake van, sëbab, perkara.

omloop, linglingan._ omloopen, môpëng. omploegen = ploegen, beploegen. omringen, ngëpong, kalang. omroeper, pamënti. omroeren, kgöloei, ngôtjëk, ngoejëk,

-

bijna, para. vergiffenis vragen, mintaq am— pon, njÒ-on sëpôra. den dokter zenden, ngònè-èn doktër. , omweg, lëbi tjào, lëbi tampën, ,

-

ngrôwët. omschudden, ngontjang. omsingelen = omringen. omslaan, rôpoe, tëbàli. , een blad door regen, tioek. , als een sjaal, saong. omslachtig, lantjâng, sara. omslag, poengkos, boentëlan.

môpëng. omarmen, kgëloe, tërkëp‚ mèrangkô. ombinden, liqliq, tjë-è. ombuigen = buigen. omdat, sëbab, pôlanà, amarkgà. omdraaien, mottël, mossing, pêlër. — = afwenden, (zich) omwenden. omduwen, tjoengkgë aki. omelet, thàthàr. omgaan, verkeeren, à sarmô. — , een omweg nemen, môpëng. met bezweringen, a ratjà. omgooien, rôpoe aki, koedjoer aki, tjoengkgë aki.

-

-

-

een

boom, enz., mokèr.

, den grond, à landoe, ngërdjoek.

omheen, lingling. omheinen = afheinen.

omheining = afheining. omhelzen = omarmen. omhoog, i atas, lômok. omhoogbeuren, tjoema aki.

ngatting,



njingkap,

boor -, èngkol. moeite, sossa, rèpot. omspoelen, ngoraè. omstandig, lantjàng. omstandigheid, perkara. omstorten, rôpoe, koedjoer, nomplëk. omstreeks = bijna. omstrengelen, poelët, tëpoelët. omtrent = bijna, jegens, aangaande. omvallen, rôpoe. — = omkantelen. omvatten, ngampël, mrangkô. omvouwen, a tëkô. omweg = omloopen. omwenden, zich -, mongkor. = wenden. omwentelen, lingling, môtër. —

-

-

omhakken,

N.

omhoogkijken, dëngaq, langaq.

-

l

OMWENTELE

107

-

‚ ,

OMWENTELEN.

= omkantelen. omwentelen omwerpen, paq rôpoe, tjoengkgë aki. omwinden = ombinden, omkleeden. , ’t lichaam met touw, njrimpong. omwippen, djoemblâng. omwoelen = omkleeden.

-

‚ de aarde, toekgâr. omzichtig = voorzichtig. omzien, nôlè.

-

, een

-,

sëkgëtjë,

sëlambâq-ën.

onaangenaam,taqléboer,taqnjaman, sôëng. van smaak (water), njamnjam. onaangezien, maskè, töttià.

-

onaanzienlijk=klein,gering,gemeen. onaardig, tambëng, nakkal. onachtzaam,korangpèkèrà,tambàng. onbedekt, katon, bângkang.

-

= zichtbaar.

onbedorven van karakter, sôtji. onbedriegelijk, trang, këtara. onbeduidend benzelachtig. onbehouwen = lomp, ongemanierd. , van hout, boengkol. onbeleefd = lomp. onbeplant, braak, wàndoeng. onbestendig = wispelturig.

-

onbetrokken, de lucht, trang. onbevaarbaar, ningkè. = dom. onbevattelijk = onbedorven, onbevlekt schoon, zuiver. onbewolkt, sènap. onbewoond, kottong. onbezonnen, korang mèkèr, taq rôka roan. onbruikbaar, taq ngëning i angkoej,

taq padjoe, katok. onbuigzaam, kgrâ, kgöli. = halsstarrig. onder, i bâbë.

-

-

van, i tenga. sarta. , gedurende, pompong, , minder dan, i bâbë, tôrò-ënà. iets leggen, nglamàè, ngantjiel. van ’t gesternte, , tjompët, ,

te midden

sorop.

ONDERSCHEID.

„108

onder water, njêlëm. — , ten brengen, mattè-è. — i tjètjè, lamaq-ën. onderaan, ‚ de aarde, i dölëm tana.

-

-

elkander, phörëng, kompol. anderen = namelijk. onderarm, lëngën, tannang. onderbaas, mandoer, kënit. onderdaan, apti, kàolë. = dienaar.

-

onderdanig = gedwee. onderdoen, nglamàè. , verliezen, kala, kaboen. onderdrukken, kgangkgoe, i kabòtji-i. = hinderen.

-

ondereen = gemengd. ondereinde, ontjoer. ondergaan = ondervinden, zinken.

vergaan,

-

van ’t gesternte, tjompët, sôrop. ondergang, rossak, tompës. ondergeschikt, i bâbönà, tôrò-ënà. ondergraven, kgoerâng. onderhandelen, ngrëmpok. onderhevig aan ...., tao, ngëning‚ kènging. onderhoorig = ondergeschikt. onderhoud = bepraten, ambacht. onderhouden, ngôboe. — , in orde houden, djögö, rabàtie,

-

nglatieni.

, beneden houden, paq njêlëm. onderkleed, klampi rangkëpan,

-

rampêan. mönthöng. onderkruipen, onderlaag, lamaq, thàssar. — ‚ onderlegger, kgöloer, langkgön. onderling = onder alkander. onderloopen, ondermijnen ondernemen,

klampôjan. = ondergraven.

tjatjak, ngôti, tjàtjàl. onderpand = pand. onderregent, pati. - onderricht, pëngatjâran. onderrichten, ngatjâri, tôtorri. onderscheid, laèn, bànêan, piethë, katjèq.

ONDERSTE. onderste, sè i bàbë sakalè, sè i bàbë

thiebi,

---

thieri.

- boven, kësongsang, onderstellen, kêrakêra. - = gesteld.

tëbâli.

--

-

bökallan,

kgàntong

kabíen. ondertussehen = desniettemin. ondervinden, à rasse, nëmoe. ondervragen, tanja, priksa. onderweg, i tjölön. onderwerp, perkara, kgoenëm. onderwerpen, kala, kaboen, pasra.

onderwijs = onderricht. onderwijzer = leeraar, meester. onderzoek, priksa-an, tarapan. onderzoeken = navragen. ondeugd, dorsila. nakkal, ondeugend, rapët,

ondiep, ningkè. ondoorwaadbaar,

dölëm tiloe, dölëm

rangrang.

thiengin. onecht, taq pëndër, taq 1ërës, palso. oneenig = twisten. oneens, taq tjottok, sôkër. oneffen, rèkong. oneven, kantjiel.

onfatsoenlijk = lomp, ongemanierd. ‘ongaar, mataq, pliepör. — , van rijst, njèlèp. ongaarne, taq pattè sôka, pôron. ongedeerd = gaaf.

--

ongeduldig,

këphoeroe. ongehoorzaam,

korang sapâr,

nakkel, langka,

-

- de tanden, sôlè. - , onrecht, sala, klêrô. ongeloovig, korang përtjadjâ. - = wantrouwen. ,

ongeloovige, kapier. ongeluk, ongelukkig, tjëlaka, plâj, kalèr, sangsara, tëbâs. ongelukkige dag, na-as. ongemakkelijk, sëti, kërëng, kënthëk.

-

= moeilijk.

ongemanierd = lomp. ongerust, sossa atê, takoq. ongeschonden = gaaf. ongespikkeld, boeloes. ongestadig‚ taq karôan, obaq-obaq, taq pakoen, taq pantjët. ongesteld, bäràng. — ,’ in den buik, sëmbëng. = ziek. ’_ ongetwijfeld = zeker. ongeval = ongeluk. ongeveer = bijna.

-

tambëng,

kaparat. ondicht, korang

ongeduld,

ongelijk, taq rata, rèkong. van grootte, taq pade radje, ting ki sëladjë, tangting, talting. in lengte, lantjäng pendhë. , niet overal gelijk, blëntëng.

-

ondersteunen, nôlong, tôlongi. onderstutten = schoren. onderteekenen, parrèng thanthâ tan asta. nang, thanthâ tannang, onderteekening, asta.

ondertrouw,

ONMATIG.

109

taq

nòrò printa. ongehuwd, kgàdjâng, nangkâdjâng. - blijven, sangkal. ongekleed, kgi taq thànthàn.

ongevoegelijk, korang patot. ongezeggelijk = stout. onhandig, lôla, tjarkatjèr. onheil, bezoeking, bàlât.

-

= ongeluk.

onheilspellend, na-as. onkosten, ôpa, blântjâ. onkruid, romboe.

onkundig, lôla, poethoe. onlangs, bilan. onlekker, ongesteld, bàràng. in den buik, sëmbëng. — in den maag, nglinjër. = ziek.

-

onmacht, weinig macht, kènè kôbàs sanà. , niet krachtig, taq këlar, taq kô wat, taq kabobbë.

-

= bezwijmen.

onmatig

=

gulzig.

1

ONMERKBAAR.

ONTVLIEDEN.

110

onmerkbaar, taq ngënalè, taq këtara, tadë kassaq-ën, taq katon. onmiddellijk, sëtia gia, sëmangkèn tjoekgën. onmogelijk, taq këning, taq i bâkgi, taq i parrèng aki. onnoodig = noodeloos.

ontevreden, sakè, atê, pëkël. ontfermen, kanèssërè. ontfutselen, ngottil. ontgelden, këtëmpôan. ontginnen, a rabâs. onthaal = feest. onthoofden, ngëtok lè-èr.

onnoozel, lôla, këpêlakkën. onoprecht, pöntjôling, sôlit. onpasselijk = misselijk, pijnlijk, on lekker.

onthouden, èngaq. , zich -, taq ëndhö, taq pôron,

onregelmatig,



tjëlamong,

-

tjëlamok,

tjëlêmong. , ’t haar met trapjes, poetas. ‚ op en neer, njëritot.

onrijp = ongaar. onrust = ongerust. onrustig = ongerust.

-

-

, van den slaap, kliesëng,

mëtëm

taq toedjân. ‚

niet geven, larang, taq i bâkgi,

taq i parrèng aki. ontijdig, bë10en tèmpôna. ontkennen, mongkir. ontkiemen, tomboe, mërkgi. ontkleeden, boekaq pëngangkoej. ontkomen, lôpot, mienggât.. ontladen, poengkar, mëtôron. ontlasten, mëtôron.

mëlaq. ons, zie Spraakkunst. onschuldig, sôtji, tadë onschuld, salanà. onsmakelijk, tadë rassanà, taq nja

ontlasting = afgaan. ontleden, boekaq. ontluiken, ngëmpäng, mëkar, tomboe. ontmoedigd, kènè atê, takoq. ontmoeten, nëmoe, manggi.

man, korang lëmaq. onstandvastig, obaq-obaq. onsterk, korang kôkô, — kgöli. ‚ vergaan, alpoq, boetjoq. onstuimig, angèn radjë. , van de zee, ombaq radjë. ontberen, korang, kékorangan. ontbering, këkorangan, 1aèp. ontbieden, ollok, katôwèn, nimpàli.

ontnemen, ngala, rëpoe-ân. = stelen. tadë tjölönà. ontoegankelijk,

-

ontbijten, njëkgë. ontbloot = bloot, naakt. ontbolsteren, ngombi. , nottô. , paddi ontbreken = ontberen. , er ontbreekt veel aan, kgi tangè, taq döma.

-

-

ontdekken, nëmoe, manggi. — =‚ ontdoen. ontdoen, boekaq, moeang, ôtaq. ontduiken, singkgàè. onteeren, birâng aki. ontegenzeggelijk, tamtô, taq kènging poenten.

-

ontoereikend, korang, nangkgoeng. ontpakken, boekaq. ontploffen, lëtoeq, mëlêtèt. ontplooien, zich openen, mëkar. ontredderd, rëmok. ontroerd, takrëtjët. ontrouw, taq lôlô.

ontrukken, njëntàl, rampas. ontslaan, nglëpas, paq amboe. ontslag, lëpas. ontslapen = sterven. ontsnappen = ontkomen. ‘ ontsporen,

kökgör.

ontstaan, tötti, assal. ontsteken = aansteken. ontsteld = ontroerd. onttrekken = afhouden. ontvangen, nampa, nërêr_na, ontvlammen = vlammen. ontvlieden = ontkomen.

ôlè.

ONTVOEREN. ontvoeren, ngèbä boeroe. ontvouwen = openen. ontvreemden = stelen. ontwaken, ngêdieng, miarsa.

tjontô. ontwijfelbaar = zeker. ontwijken, njingkgë, singkgàè. ontwricht, rôkgë. ontzag, takoq. = eerbied. bänè ontzaggelijk, taq kêrakêra, ontwerp,

-

bânè. ontzegelen, boekaq ëtjap. ontzeggen = verbieden. ontzetten = bevrijden, ontslaan, ontroerd. ontzien = ontzag, eerbied. , sparen, ngêmannè, thöman.

-

onveranderlijk, taq këning (kènging) —

i obaq, tôlos. = standvastig.

onverbrekelijk = sterk. onverdeeld = gansch. onverderfelijk, taq këning rossak, — boetjoq. 'onverdiend, bàè, përtjôma, taq 1Ôpot, biesaos. onverdraagzaam,

onvergelijkelijk,

kërëng.

i têm pàng, taq nëmoe lambônà. onvergezeld, kà thiebi, kà thieri, taq ngèbâ phörëng. onverhoeds, ngrëtjët. onverholen, sè pëndër, sè lërës. onverklaarbaar, taq karôan, korang

taq këning

trang. onverkoopbaar, taq padjoe. onversaagd = moedig. onverschillig, taq përdoeli, nèkat. = moedig. onverschrokken‘ onverstaanbaar, taq karôan, korang

tjëta. korang pèkèrà, korang pintër. onverwachts = onverhoeds. onverwijld = onmiddellijk. onverzettelijk = eigenzinnig. onverstandig,

OOIT.

111

kgi sôkër. onverzoenlijk, taq këlëm rôkon, taq onverzoend,

pôron à sarmô. onvoldoend = ontoereikend. = ontoereikend. onvolkomen onvoldragen, korang ômorrà. onvolledig, korang, loeang. onvoordeelig, trapas.

onvoorwaardelijk, taq këning njâ, taq kènging

poenten.

onvoorzichtig, korang atèatè. onvoorziens = onverhoeds. onvriendelijk = stuursoh. onvruchtbaar, van den grond, kôros. , van schepselen, tjoebëng. = bedriegen. onwaar, onwaarheid kloethoek. onweder, onwel = koortsig, pijnlijk, ziek.

-

onwelriekend, bötjëng, onwetend = dom.

bëngës.

onwil, onwillig, taq tôrò òtjaq, taq tjëlma, langka. onwillens, taq i tengët. onzeker, taq tamtô, taq karôan. onzichtbaar, taq ngënalè, taq katon. , zich — maken, ngabâng, klimbâ. onzuiver = vuil, gemengd. ooit = fruit.

-

oog, mata, sôtja. poelâk, ‚ groote oogen, kêtjër. , halfgesloten, oogappel, bàè-ën mata.

-

-

oogenblik,

morka.

sëkgëtjë.

oogenblikkelijk = onmiddellijk. oogenschìjnlijk, rôbànà, kêrakêra. oogharen, wimpers, boeloe kètjä. ooglid, bâloekottan.

= doel. oogslapers, bilë-ën. oogsten, rijst, anji. , koffie, mais, môlong. , tabak, suikerriet, nëbâng. oogwater, medic., praq mata, tam phâ mata. — = traan. ‚ oogmerk

-

oogwenk = oogenblik. ooit, sakalian, tao, sëmani,

onning.

OOK. ook, gia, iejà, sambi, mêlô, tjoekgà, tjoekgën, ingki. nog, pòlè, sarta. oom, jongere broer, koetè. , oudere broer, obä.

pade,

-

-

1Ôpok.

pëmèkèran,

-

oordeelen, nèmpàng, — = vonnissen.

mèkèr,

kêra.

oorhanger = oorring. oorlog, prang. oorlogen, prangè.

oorring, antingantíng. — kraboe, , oorkrab, oorsmeer, tjôrô. oorsprong, assal, ôlô.

sëntar.

oorspronkelijk, anjar. oorveeg, tampèling, tapok, tampër, sëplëk. oorverdoovend, plimpingën. oorzaak, sëbâb, môla, amarkgà. oosten, têmor. , ten oosten, i têmornà. , naar ’t -, kàtêmor, dë-,ngatëp-. oostmoesson, nêmor, katêkâ.

-

ootmoedig = gedwee, gezeggelijk. op, i atas, i. , ten einde, tadë, tompës, tadë karrè. — en neer, libàlian, ngëlassat. — en al, ongkgë tôron. — , uit den slaap, mantjëng, tjökgö. , geen restant, tèkgâr, adà. , uitgeput, môkoek, apës. ! ajoe, marra ra, madjoe. opbeuren, ngondjoe, tj0engtjoeng,

-

tjoema aki. opblazen, njërop, njëpoel. opborrelen, nassër. opbreken, poengkar. = vertrekken, verhuizen, afreizen.

-

opbrengen, voortbrengen, kloear,ôlè. , belasting -, madjâr patjëk. boven brengen, ongkgë , naar aki. van spijzen, böta. opbrengst, kloearrà, ôlènà.

-

oor, kôping. , uitstaande 00ren,kôpinglappiek. , hangende hondenooren, kôping oord = plaats. oordeel, pënèmpàngan, rëmpokkan. = vonnis.

OPGEZET.

ií2 ‘

-

badjàràn. winst, phöthê.

, betaling, ,

, aan de priesters, pêtra. opbruisen, ngërôsô. opdammen, mënthoeng. opdat, maq, amè, sôpadjâ, manthër,

mokgâ-à. opdelven = opgraven. opdisschen, böta, rampatti. opdragen = gelasten, opbrengen. opdringen = dwingen. opdrogen, assat. open, tëboekaq.

-

, ruim, lëkgö. — , de oogen, mëlaq. — en dicht, kêmôan,

kêmot.

openen, boekaq, mëtjat. , van bloemen, mëkar, mlôtok. , een dam, toeâs, tërbâ.

-

opening, lobang, tjölön. opeten, alles -_ ‚ paq abi. = eten. opgaan, ongkgë, naè. van ’t gesternte, mëtò.

-

opgaren, môlong, tjèlèngè. opgave, tjatëttan, sëtat. opgebruiken, paq tadë, paq abi. i tompoq. opgehoopt, tompoekàn, — vol, taq kaboewaq. opgeruimd, pérak, lotjô. i tata, bërsè, , schoongemaakt,

-

pratin, ringkës. opgetogen, toelat, pérak. opgeven, ngatting, tjoema aki. — , laten varen, ngòtjol, tienaq aki, boeroeng aki, amboe, nôtop. aki , een werk, à sòrò, toetoe këlakôan. , bloed , ngottaq dörö. opgezet, mëlëmpoeng, lirboet. , gezwollen, klintjëran, krintjëlën.

-

-

-

-

OPGEZET. opgezet, de keel, bâok. opgraven, njëtoek. ophalen, ngëntas, ongkgë aki. ophanden, para. ophangen = hangen. opheffen = oplichten. ophelderen, trang aki,pëngartê , van ’t weder, tötti trang. ophelpen, tôlong mantjëng. ophoogen, ngôrok, njarpoe. ophouden, stilhouden, amboe.

‘-



=

hinderen,

aki.

stelpen.

tjantoe, mathât. opklaren = ophelderen. komen,

dötëng,

mëtô,

mëtàl, kompol. , ’t gesternte, mëtô. ‚

gewassen, tomboe, tërbi, mërk

gi, njolpoe. , van een ziekte, bâr°as. , door regen neergeslagen plant,

tjëngar. opkrassen, ontoer, njingkgë. opkoopen, nëpàs. opkroppen‚ ampët. oplaten, een vlieger, ngòtjol lajân gan, ngôthë -. opleggen, beleggen, nglappis, napël. opletten, oplettend, èngaq, atêatê. ngëstètè. oplichten, ngatting, njongka. — , met een spaak, ngondiel, tjongÄ

-

kat.

=

opbeuren, bedriegen. oploopen, overkomen, mërè. oplossen, smelten, ngantjar.

-

,

verklaren, trang aki. schikken, nompoq,

opmaken,

-

= opeten. opmerken = opletten. opmeten = meten. —

’-

tata.

met de hand, tingting. = oplichten, beoordeelen. , geld, ngientjëm, ôtang, njan

opnemen,

thàk

pèssê.

opnieuw, pòlè. opnoemen, sëpoet, ollok.

opontbieden = roepen. opontbod, ollokkan, tiempâlân. oppassen = opletten. ‚ als bediende,djögö, nòrò,nôkoe. oppassend, betjè (saè) lakônà. oppasser, oppas, djinëman. opperbest, bëtjè sakalè, saè ongkoe. opperhoofd, lôra, tëtinti, këpala, pangadde, pangradjë. oppervlakte, i atassà, i lébârà. oprapen, ngala, djoempoe, mèlè. oprecht, pëndër, lërës, tjoetjoer. opredderen, ngringkës. oprichten, mantjëng aki, matëk. , zich -, tjökgö, mantjëng.

-

opium,

opkomen,

OPSTEKEN.

113

-

oprispen, à dërëp. oproepen = roepen. oproer, brândàlan. oproerling, bràndâl. oprollen, ngoeloeng. opruien, njòtjô. opruimen, tata, ngringkës. ngotkot, njinkgë , wegruimen, aki, paq njèssè. opscheppen, njèndoe. opschik, löndjölön, pradà. opschorten, de kleeren, mingkis. ’ — = uitstellen. opschrift, alamat.

-

opschrijven, nôlis, tjattët. opschuiven, irsit, piak,angsët,lantjöt. opslikken = slikken. opsluiten, nottop, njossi, ngantjèng, krangkèng. opsnuiven, sërngok, à sërgoe. opsporen = zoeken. opspringen, nglontjaq, nglontjoe. — als een vloo, à lëtè. opstaan, tjökgö, mantjëng. opstaand,van haar‚nj ëget,nj ërënggët. als een mes in den grond, natjëk. lë opstaande, overeind, mantjëng,

-

tjëng. opstandeling, brândâl. opstapelen = stapelen. opsteken = aansteken. —

, in de hoogte, ongkgë

aki.

OPSTEKEN.

opsteken, in de scheede,massoq aki. ‚ bij zich steken, njambi, ngèbà, njangô. , een parapluie, enz., boekaq. opstellen, nôlis, ngangki. , opzetten, massang, matëk.

-

-

opstijgen, ongkgë, moklômok. — , te paard, nompaq, nètè. opstoken, ’t vuur, njòrong apôj. njotjô, a joejoe. , aanhitsen, opstoppen, nôpô, njampë. = bedijken. opstopper = oorveeg. opstrijken, geld, enz., ngaot. = nemen, halen.

-

optellen, kgoengkgoeng. optillen, lichten, tatting. mingkis. ,- de kleeren, optocht, araq-ân. optrekken, de wenkbrauwen, = gaan, reis.

-

pieröt.

optuigen, thànthàn. opvangen, wat weggeloopen is, tjan

-

tâk.

wat toegeworpen wordt, njang— kgë. opvaren, een rivier, tjëmët. opvatten = nemen, aflichten. ngartè, trêma. , verstaan, à lakô pollè. werk, ’t ‚ —, verkeerd -, sala ngartè. ,

-

opvegen = vegen. opveilen, nglélang.‘ opvisschen = ophalen. opvliegen, opstuiven, takrëtjët. — van vogels, ngappër. opvoeden, ngôboe, ngatjâr. opvolgen, nòrò printa.

opvouwen, nglëmpit. opvreten = vreten. opvullen, èssê aki, paq possaq. opwaarts = opstijgen. opwachten, opwarmen, opwekken opwekkend opwellen,

ngambâ, ngathäng. panassè, paq angaq. = aandrijven, wekken. = aanzettend. njompër.

OVER.

114

opwerken, opwinden, opwippen,

naar boven, ngondjoe. môtër. ‘

djoemblâng, . kliempâng. opzadelen = zadelen.

mëntal,

opzamelen = inzamelen,verzamelen. opzettelijk, i tengët, sàtjë. opzetten = aandoen; gebruiken, op

richten, opstoken. ‚ opzien, opkijken, dëngaq, langaq. , tegen iets -, takoq. , verwonderd -, mënga. opziener, opziender, mandoer, lôra. op zijn, wakker, tjökgö, ampon boen gô, la‘q ngêdieng, ampon miarsa. — = moede, vermoeid. opzitten = zitten.

-

-

— ‚ te paard, nompaq (nètè) tjörön. opzoeken, njarè, njossol. opzuigen = zuigen. opzwellen = gezwollen, opgezet. orde, attorran. , in orde, bërsè, tëpaq, kënaq, ringkës, lërës. ordeloos, korang bërsè, korang tata, rëssëm, taq karôan.

-

order, printa. orkaan, (angèn) salabong. os, sappê bântÒ-ân. oud, toewa, sépô. kôna. , voormalig,

-

, niet versch, ladjoe. oudbakken, ladjoe. ouderdom, ômor.

ouderloos, anaq kò-ong. ouders, orèng toewa, ëmaq emboeq. lambâ, ouderwetsch, tjara ladjoe, kôna. ouds, van-, lambâ môla, patjöt. oudste kind in een huisgezin, sriang. oudtijds = oud, van ouds. ovaal, lontjong. oven, tômang. over, te veel, lëbi, kabanjaq-ën, lang

-



-

-

’ kong. oud, talébat toewa. , naar de andere zijde, sabrâng.

OVER. over, voorbij, laq, lébàt. iets stappen, lingkaq.

-

‚liggen,

, hangen,

-

njëlingkaq. nompang, njangsang, mëntang,

kgântong. , tegenover, tëpatëpan. , nog eens, pôlè. den tijd, ngasèp. = aangaande, van, wegens, ge durende. ‚

.

bröta, kadiemaq kadiemaq. overblijfsel, karrèna, lëbienà, koer koerà, boetèr, kantonnan. overblijven‚karrè, lëbi,tjètjèr,kanton. overal,

-

, overnachten,

ngênëp. overbodig, taq parlô, taq ossa. overbrengen, ngèbä, atër aki. -‚ , naar de andere zijde, njabràng

aki. —

‚ verhalen,

=

ngalê.

klappen, klikken. overbruggen, massang kglâtäk. overdaad, kalëbian, këbanjaq-ën. overdenken = denken. overdoen = overgeven, opkoopen. voor geld, nëpâs aki. overdragen (met velen), ngossong. — , een zaak, pasra aki, sèrèn. overdreven, talébât, kalangkong, kë —

-

phöngè’tën, kësangëtën. overdwars = dwars. overeenkomen, à tjântji. ‚ samendoen, ngompâl. overeenkomst, tjântjiàn, sëmadjan,

-

kontjrat.

= als. overeenkomstig overeenstemmen, tjottjok. overeind, mantjëng, tjëktjëk. overgeslagen, loppot, tëlangkap. overgeven, braken, ngottaq. — , overreiken, tjoeloe aki. , een zaak, pasra, sèrèn aki. overhaastig, këphoeroe. overhalen, ngatjâk. overhandigen, nampa aki. overhellen, mèrèng, toedjoeng, 0n doeng, njôkël, riet.

-

OVE RSTVEÌKEN.

115

overhoop, rëssëm. — = ordeloos. overhouden = overblijven. overig = overblijfsel. laèn panèka. overigens,pòlè‚laènjëria, overkant, sabrâng. overkoken, ngloeaq. — , bijna —, ngolbëk. overkomen, oploopen, këning, mërè. ongeluk, kaler, tëbâs. , een overladen, bërà bërà aki. overlang, laq (ampon) abiet, bilan, lambâ.

-

overlangs, mòtjoer. overlast = hinderen. overlaten = overblijven, overdragen. overleden = dood. overleg, akkal, krêna. overleggen, ngrëmpok. = bepraten. overleveren=overgeven overlijden = dood.

-

overloopen,

-

vloeien, nompa,

njlëpier.

zaak).

(een

ambier, ‘



, naar een ander,boeroe,mienggât. overluid, kadjë. overmorgen, sëdoeamalërn. overnachten, ngênëp, njêpëng. overnemen, nërêma, anmpa, pasra aki. — ,

op zich nemen, sangkoep, nang kgoeng. overrijden, nërak. overrijp, lëbâs. overrompelen, ngrëpoet. overschieten = overblijven. overschot = overblijfsel. = afschrijven. overschrijven overslaan, lébâti‚ tjètjèr, loppot,

1angkap, njëlontat. overspel, à mêtra. overspringen, lontjaq. — = overslaan.

overstappen, lingkaq. overstek, ontjallan. oversteken, njabràng. — , dak, enz., ngontjal.

OVERSTROOMING.

overstrooming, bandjier. overtollig, 1ëbi, këbanjaq-ën. overtreden, nglangkar. overtreffen,banj aq kiloe,nglangkongi. overtrek, sarongan, kôdoeng, ôrong. overtuigd, trang, laq (ampon) ngartê. overtuigen, trang aki, ngartê aki. door iets -, këning. overvallen, këgëpok. overvaren = oversteken. overvloeien, van water over akkers,

overvloedig, môdë, lëpoer. overvoerd, oververzadigd, bëlëng kètëngën. overvol = opgehoopt vol. overwegen, nèmpâng pòlè. — = bedenken. —overwicht, lëbienà, poentjoel. overwinnen, mënang. overzenden, ngèrèm.

overzijde = overkant. overzoet, manis tiloe, njëpnjëp overzout, sëthë tiloe, atjin — . oxyde, roest, taè.

nglampôj, klampôjan. overvloed, kasôkian, ngërênjëp. overvlocde,

ten

—-‚

Ì

_. 1116 ‚‚

-

.

pòlè, sarta.

P. pakken = inpakken. , kleven, tjëkaq, njèlkèt, mëtmët.

Pa = papa.

-

paadje, potpot. paaien, tjoq ngòtjoq. paal, tjangkë, sësaka, tiang. -’- , bij waterwerken, enz., pantjong, tongkà. merkpaal, tongkoe. paar, sapassang, doeâ, këmpâr. tangkëp. ‚ aaneensluitend,

— ,

— ,

-

_

paard, tjörön. = hengst, merrie. paardedek, sabrak, slêmot. paardenknecht, tôkang tjörön. paardenstal, këtokgan. paardetuig, praboetà tjörön. paarlemoer, kôlè—ën kêma, gibâng. paars, boengoe. pacht, patjëk. pachten, matjëki, njêwà. pad, tjölön, tèmpoek, lôrong. , voetpad, potpot. padde, kata, kata tiengthöng.

-

doer, enz., enz.

-

— , dakpan, gëntèng. pand, pandgoed, kgâtiân. pantjër. , onderpand,

-

paddenstoel = champignon. pak, poengkossan, boentëlan.

pakhuis, goedang. këpala

goedang,

-

palmwijn, là-ang. pan, aarden —, tjobiek, pënaj, tjörön gan, tjëmpöran. , ijzeren -, bâtjàn.

= kikvorsch.

pakhuismeester, mantrè.

nëkoe, njangkëtit,

kgoempël. paknaald, tjäroem radjë. pakpaard, tjörön krôpâk. pakschuit, prao. pal, spaak, palang, kantjiel, tanggëm. staan, taq ‚kgoeli. paleis, kraton. paling, ôling. paljas, tjonlòtjon. palm, handpalm, tëlapaq tannang. ‘boomen, njior, arèn, pênang, kor ma, tà-al, sading, pòtjô, këdoe

-

-

vasthouden,

tjiliet,

, i

pandjeshuis = bank van leening. tôkang gëntèng. pannenbakker, panter, matjan toltol. pantoffel, tjênëla.

PAP.

peilen = looden. peinzen = bedenken. pekel, aèng boedjâ. pelgrim, kadji, hadji. pellen, ngombi, ngorping, ngorpas. pen, houten —, enz., kantjèng, patok, sëmat, phieting, patol. — en gat, pôros. — om gaten te maken, tjôrëk, tjòkil. — , schrijfpen, ëpèn, kalam. pennemes, penmès. pens, proq. peper, sà—ang. , spaansche -, tjappi.

pap, tatjien. papa, ëmaq. papaja, kattis. papegaai, lôri. papier, tëlobàng. — en bewijsje, pèpil, prëtjaq, kètèr. pappen, napël, moppô. parapluie, padjong. parasol, padjong. pardon = vergeving. parel, montiara. op ’t oog, tëlik. paren, njarê ladjön. , trouwen, kabien. parfum, mienjaq rÒ-om,

PIJNLIJK.

117

-

-

-

peperhuisje, tjontong. perfect,pëndër sakalè, lërës ongkoe. permanent, pakoen, sëmani. permissie, njò-on permissie, mintaq mahap. pers, pèpètän, pèpèsan. persen, mèpèt, mèpès. , olie ‚ nglampè. , uitpersen, mërës. van een barende, ngoewaq.



alëk. tattat, boekong, manoq piethèt. partij = aanhang, bende, feest. , ‚een gedeelte, bâgiân.

parkiet,

-

partijdig, njëladjë. pas, schrede, tingkaq.. maken, rapatti.

-

-

, reispas, ëpas, sôrat tjölön. , zoo even, phoeroe, kgëlâ. — , te pas komen, keningi angkoej. , van pas, sëtëng. geven, patot. , kleine passen maken, ngrëtjëk. passagier, orèng nompang. passeeren, lébat.

-

-

persenning, tërpal. persoon, orèng.

-

persoonlijk, thiebi, thieri. pet, songkoq, sopplok. petroleum, mienjaq gas. peulvruchten, katjang, Òtô, kratò, kômak, pëngok, arta, kara, ké thëli, koethi, enz.

passement, pasmèn. passen, ergens in -, loelô. , van een woord, pëndër, lërës. , beproeven, ngôti, tjàtjäl, ngathoe. — , voegen, patot. passer, tjongkô. pastoor, pandita. paternoster, tasbi.

-

peuteren, ngôrô, ngôrëk. photograaf, tòkang gâmpâr. piek, tompäk. piekstok, lanthian. piepjong, kgi ngôdë sakalè, talébät

-

ngôdë. pier, worm, tjatjing. ‚ laadhoofd, tanggà.

-

patrijs, adjàm-adjârnan. patroon,

-

pijl, pana.

baas, lôra.

, model, tjontò. patrouille, patrol. matrol. patrouilleeren,

pauseeren,amboe kiloe,lèrè thiengèn. pauw, mërak. pees, ôraq, ôtot.

‚pijn, sakè. pijnigen

folteren,

mishandelen.

pijnlijk, ngrônjô, pëlës, njèlô. , de spieren, bienjël, roeat.

-

— , l

-

,

zeer doen, piendëng, piendjoel. malas. de voetzolen,

PIJNLIJK. pijnlijk,

inwendig, sonthëp. pijp, tabaks-, pipa. — , ijzeren —, boeloe. —

-

talang, pantjorran. blaaspijp, toeloop.

‚ goot, ,

= amfioenpijp. pijpkaneel = kaneel.

pikdonker, pëtëng langkëp. pikken, tjòtjò, njolpè, pëtjô. _

pikoel,

mêkol.

pil, tjàmô ëpil. pilaar, stijl, pêlar, tjangkë, sësaka,

-

soekôrabë. ‚ merkpaal,

pin = pen.

‚ jonge

tongkoe.

koe, ëmpè, patjëng. maèn mata.

songsot. piramidaal, lontjong, tompëng,

kintjop. pis, këmè. pisang, këthöng. pisblaas = blaas.

-

plaats, kënëngan, moengkiengan. plaatsbekleeder, bakkèl. plaatsen, njabbë, moengkieng. ‘ opzetten. à ködjë,

kgangkgoe, njala, njottjot. plak, vliegen-, këpaq. plakken, vastplakken=aanplakken. , kleven = pakken. plagen,

plan -,

= overleg. teekening, tjontô.

plank, pappan, plant,

tanëman,

sêrap. poengka,

-

-

, saamgepakt,

mëtmët,

piltang.

‚ de neus,

= bedrijven. plein, tanêan, alonalon. pleister, kalk, plèstèr, 1010. voor wonden, tamphà. pleisteren, mlèstèr, nglapoer. , rusten, amboe, lèrè. pleizier, pleizierig, rammé, léboer. ‘ plek = plaats. plicht, wadjib, sè pëndër, sè lërës.

-

athàt, prënata. plichtverzuim, sala. plint, plèpètân.

plichtpleging,

pissen, ngëmè, à këmè. — in bed, ngompol. pistool, pèstol. pit, van vruchten, pëlok, bâè-ën, bikgi, klëntëng, maki, bëton. van een lamp, sompoe, böloen. = merg. plaat = beeld.

=

-

-

pinkoogen, pipsch, kôros,

-

plant, ter voortplanting, piepiet, bëlta, binis, ontjrëng, sèraj. à tatjoe, planten,namën,mantjà, njètèr. plantgat, tjôklaq. plasregen, ôtjân tërës. plassen, in ’t water, maèn i aèng. ‚ met de voeten, ngètjak. plat, këping, pèpaq. , ondiep, ningkè. , vlak, rata. piersëk, poetëng. plegen, gewoon zijn, tôman, patjöt, athâtà.

pinang, pênang. — , jonge vrucht, prottjot. pink, tèkëntèkan.

-

POEDER.

118

po-on.

ploeg, nangkgölë, reel. ploegen, droge velden, nangkgölë. ‚ natte velden, à saka.

-

— ‚ eens gepleegd, rëmpàng. ploegkouter = kouter. plomp, kassar.

-

= lomp. plooi, lëmpit. plooien, nglëmpit. plotseling = eensklaps. pluim, op den hoed, enz., sôngong. pluimen, boeloenà manoq. pluizen, van boomwol, plossër, pôsël. boomkatoen, , van kêphë. plukken, mëtik, môtik. pluksel, ramboe. plunderen, rampâs,krâtjàk, piekgâl. plus, poentjoel. poeder, boeboeq. poeder de riz, bëthö.

-

-

POEL. poel, moeras, rabâ. poepen, a taè, kapadàng. poetsen, bërsè-è, oessap, ngësot, ngossot. poezelig, ’mpoeq, ménthëk. poffen, pangkgàng, kroesso‚k. pogen = beproeven. pokdalig, tjërômô, tjërokkong.

pokken, tjattjar.

-

, water-,

rottèng. paté, parang. pokstof, piepiet tjattjar. polijsten, ngërènap aki. , aardbei-,

politie, pòlisi, djinëman. politoeren, plítoer, pôlas. pollepel, èroes, tjanting. . pols, lëngën. slag = kloppen van het hart. polsen, mantjing, massang kokki. pomp, pompa, kompa. pompelmoes, tjëroek matjan. pompoen, laboe.

-

pond,

èpon. kattè. , 11/4 Amsterdamsch, pont, tampängan, sassak. poort = deur. poot, sôkô. — , hoef, kòkot.

-

-

=

plant. pootig, kêlar, kôwat, kgöli. pootstok, tatjoe, tolpattol. pop, ahaq-anaq-an, orèngorèngan,

nonna-nonna-an. porren = wekken. porselein, bëlieng. , groente, rèsêrêan. portie, bàgiàn, toe-oeman.

-

portier van een koets, enz., labang. portret, gâmpâr. post, brieven-, epos. — , stijl, sësaka, pangpang. = bediening. postbode, pësôratan. postkoetsier, kôsir ëpos. pot, koetji, pëlting, böthö, kantjoe,

-

tampal. poten, namen,

à

tatjoe, mantjâ.

PRUIM.

119 {

potlood, potlot, pollot. potsenmaker, tjonlòtjon. potten = sparen. pottenbakker tôkang kantjoc. praaien = roepen. praatziek, tjërêmê, a bikbik. praten, ngòtjaq, a pönta.

-

, huilerig, ngërènjè. prauw, prao. precies = juist. predikant, pandita. prediker, inlandsch, tip lôra. preferent, angoq. prei, babâng. prent, gämpár. prepareeren, thânthâni. present, persen. , er zijn, bâdë. pressen, maksa, a printa. pret, prettig == pleizier. priem, tjòtjoq. priester, pëngôlô, motien.

-

— ,

onder-, katip.

prijs, waarde, atji. — bepalen, ngatji-i. prijzen, ngalëm. prikkelen, kgötël, pëti. prikkelend, van smaak,

pëtës.

prikken, njòtoq. — , de huid, tjongkè. priktol, kèkêan. prins, pôtra, péngêran, anaq prinses, pòtrê, anaq ratô. probeeren = beproeven. proeven, ngrassaj, tjiptjip. profeet, rasoel, nabi. pronken, êthier.

ratô.

-

van een pauw, ngêgël. prooi, rampàsan. prop, sompët. proppen, met spijs, thoelâng. propvol, taq kaboeaq, possaq, ngê mëng, méronjoeng. protesteeren, a labân. provisie, kakannan, mènomman. provisiekamer, sëpèn, goedang. pruim tabak, papaq-an.

PRUIMEN.

-, mapaq. mopperen. publicatie, onthängonthâng. puik, pêlêan, bëtjè thiebi, saè thieri. puin, poengkarran. puist, boetoen, tëlëpô.

pruimen, tabak pruttelen

-

RECHT.

120

=

aangezichts-, tjërabà. pul, koetji. punt, stip, toltol, lêmêlè. ,



punt, uiteinde, kontjoq, pattoe, pon

tja, tjantik. puntig, tatjëm, lontjong. purper = paars. put, sômor. puts, timbà. putten, nimbà. putwater, aèng sômor. puur = louter, schoon,

zuiver.

R. Raad, rëmpokkan. raadplegen, ngrëmpok, tanja. raadsel, tëphàkan. raadselachtig, pëtëng, korang trang. raadzaam = goed. raaf, dhöngdhöng. raak, këning, tjapoq. raam = venster. raap, lobaq. raar = vreemd. —

‚ zeldzaam, rangrang. rabarber, klembaq. rad, rodâ.

-

= fluks, gauw. radeloos, taq êtëp, tadë

IJ

sè i arëp.

gissen, kêra, tëphàk. — = raadplegen. radijs, lobaq. rafelen, kgripies, bëloesboes. raden,

rag, bàngsabâng. rak, ërak, parapara. raken = aangaande, raak. , komen aan-, toektoek. flauw gevallen, , geraakt,

-

tësrapat.

rand, pingkier. rang, waardigheid,

pangkgöbàjan,

pantjënëngan. rangorde, atorran.

rangschikken,ngator,nata, ngatj oem. rank, tenger, kôros, kènè. , takje, rantjaq.

-

rans, tëngè. ranselen = slaan. rantsoen; tjadongan. rap = fluks. gauw.

rapen = oprapen. rapier, pëthâng. rapport, rëpot. rapporteeren, ngrëpot, mator. ras = geslacht. , gemengd ras, përanakän. -‚ = behendig, vlug. rasp, parot. raspen, marot. raspenmaker, (inlandsche), panthi

-

koeng. rat, tèkos.

rattenkruìd, bâràngan. rattenval

=

muizenval.

rakker, orèng nakkal. ram, mbi lakè.

rauw, mataq. ravijn, tjoeràng.

ramenas, lobaq. rammelaar, kglientiengan. rammelen, glôdakkàn, ngôtêk. ramp, tjëlaka, plâj. rampspoedig = ongelukkig.

razen, geraas maken kiekier, ingër. razend, dol, kgielë, ngamok. recht, niet krom, lòros, tanjëng,

latjier. — ,

wet, ôkomman,

pëngadillan.

RECHT. in orde, pëndër, lërës. tros trang. = rechtbank gerecht. rechtdoor, tros, laris, latjier, tanjëng. rechter, akim, djaksa. recht,

-

, onbewimpeld,

-

‚ rechts, kangan. rechthoek, sêkô. rechtmatig = billijk.

-

rechtzaak, perkara. reddeloos, taq ngëning i tôlong.

-

regentijd, nimphörë. regentschap, kaboepatèn. regenwater, aèng òtjân. reiger, tjangak. reiken = aanreiken.

-

,

— ,

rechtop, tjëktjëk. van bladeren, marsong. rechts, kangan. ôkomman, rechtspraak, pôtossan. rechtstreeks, tros, pötjot. rechtuit = rechtdoor. adil. rechtvaardig,

redden, nôlong, ngrëpoet. redderen, ringkës, atjoem. redding, përtôlongan. rede, redeneering, pönta,

RIEM.

121

kunnen bereiken, van

voorraad,

tjôkop. reikhalzen, verlangen,

krong. këphoeroe. rein = schoon. reinigen = schoonmaken. reis, reizen, a tjölön. , goede reis! njangônè slamat! reisgeld, sangô. reisgenoot = kameraad. reisvaardig, marè, sëdiea.

-

, gehaast,

-

rek, sampirran,

sampajan. këning i ôlor. rekenen = berekenen. rekening, sôrat ôtang. rekbaar,

ngotjaq,

kgoeneman. , verstand, akkal. vallen, ngêrok. , in de

-

redelijk, sëtëng. reden, oorzaak, sëbàb, pôlanà. redetwisten, kiekier, pönta-an. ree, roede = ankerplaats. — , jong hert, kêthàng. reeds, laq, ampon. reeks, bâris, tjötjör, pirian, keleran,

latjoer.

rekken, ngôlor,

ngëntat. van slaperigheid, à kalia. relaas, tjërêta. remmen, tanggëm. remplagant, bakèl.

-

rennen, tjongklang. rente, boedoeàn. respect = eerbied. respecteeren = eerbewijzen. rest, restant = overschot. resten = overblijven. resultaat, töttina, pôtossà.

reep, èratan, èrèssan. regeeren = beheerschen. regel, orde, atorran. , wet, printa. ‚ gewoonte, patjöt, athât. regelen, ngator.

, geur, bao. reukeloos, tadë ba0nà.

regelidg, atorran. regelmatig, pakoen,

reutelen, ngëlërkër. reuzel, kgëmok bâbi.

-

-



njëngnjang.

gelijk, rata.

regen, regenen, òtjan. regenachtig, ondëm, rëndëng, rêdoe, à dëkdëk. regenboog, andhöng. regenscherm, padjong. regent, sampéan thölëm.

noekgë.

mëndàng,

reuk, zintuig, pënjiorn.

-

reukoffer, ngopâr mienjan. reus, titan, phoeta, landàowër.

rheumatiek, rib, rossô. richten,

intjô.

rechtzetten,

masôtëk.

richtig, pëndër, lërës.’

rieken, bao. riem, roeispaan,

-

,

gordel,

dädjong.

sappoe,

pëngkong.

RIET.

rijstbiok, rontjângan, lësong.

lalang, katjang. rotting, méntjàlien. suikerriet, tëpoe.

riet, dekriet,

-

,

,

bamboe, pring. in de wildernis, klökgös, rietfluitje, tòpêan drömian.

rijstemeel,

,

lalang.

rif, karang. rij = reeks.

-

tot waterpassing, lantarân. rijden, nompaq, nètè.

rijgen = aanrijgen. rijglijf, kôtang. rijk, niet arm, sôki.

-

, land,

,

mornang.

rijpaard, tjörön tompaq-au. rijs, van bamboe, tjarang. sapô lèntè. rijslaag bij waterwerken, aramaram. rijst, pas geplant, pantjà, kgökgö. , in den halm, paddi. ‚ gekookt, nassè. rijsbezem,

-



-

-



-

gedroogd, tjangkaroq. oogsten, anji. zuiveren onder ’t oogsten, ngòlot. opbossen, ontilli, à glâdjoeng. la-as. , ongestampt, bërâs. gestampt, ‚ , gekookt

stampen, ngorsô, nottò. gestampt, këntjongan. , ééns , wit stampen, tjërô. , gekookt, doch onfrisch, alôj. , plottan. , kleverige , zaai- , binis, ôrètan. ‚ 50 bossen paddi, sa-amët. ‚ 25 bossen paddi, sa-oewâ.

-

‚ 5 bossen paddi, sa-kompot. , een handvol paddi, sa-agëm.

rijstaanplant, pantjà, paddi kgökgö. rijst planten, nat, mantjâ. ‚ droog, njètèr 1a-as, à tatjoe.

-

bërâs.

-

rijstpot, voor ’t water, kata. , voor de rijst, sòploekan,raboe nan. , deksel van de sôploekan,

-

langkaq.

nëkgörë.

van een wond,

tëpong

rijstmandje, tjëting. rijstmesje, nji-anji. , ’t plankje, panpapan. tjòratjoq. , ’t handvatje, rijstpap, tatjien.

rijstschuur, lompoeng.

rijkdom, kasôkian. rijkelijk = overvloed, overvloedig. rijksdaalder, ringgit. rijmen, plëkgirân, parêkan. rijp, massaq, toewa.

-

ROEMER.

122

rijststamper, këntong. rijststroo, drömian, rôman. ’rijstveld, droog, tëkgöl. , nat, sabbà.

-

rijstvogeltje, gëltèq. rijtuig, 4 wielig, karètta. 2 wielig, bendi, , ëpèr, krètèk.

-

== stijgen. gisten, mërôpoek. , van kleedingstukken,

brik,

rijzen — ,

-

anglos,

pingkis.

rijzig, tingki. rillen = beven, huivering. rimpel, kêroq. ring, sëloq. ringgoot, këlèlèngan. ringvinger, tontjoe manis,

- sëloq.

rinsch, pakaq. rist, rinting. ritselen,

sèkrèsèkân.

rivier, groote

-

-

-

, songaj.

tjôra. riviervisch, tjoekoq songaj. rochelen, à krak. = reutelen. ,

kleine

,

-

roede, om te slaan,

-

tjâlien. , om uit

tongkët,

te kloppen, këplek. roeien, à dâdjong. roekeloos, böngal kiloe, nèkat. roem, pêngalëm. roemen, ngalém. roemer, kglâs radjë.

mën ‘

ROEPEN. roepen,

ollok, katôwèn,

- = schreeuwen. roer, kêmôdi. - ‘= blaaspijp.

nimpàli.

roeren = bewegen, omroeren. roerloos, taq kgoeli. roes, mahoeq. roest, taè. roesten, i kakan taè. roet, lètëng. rog, tjoekoq parè. rol, cylinder, sëlinder, kgieliengan. , lijnwaad, enz., sakgëpoek. kussen, kgoelieng. — om te pletten, bâtô pèpèssan.

-

rollaag, rôlaq. rollen, wegrollen, —

-

kgoeloer.

‚ oprollen, kgoeloeng. , afrollen, boekaq, ngôlor.

— als stoute kinderen, a kloessër. rolsteen, bâtô pèpèssan. rommeling in den buik, môlësmôlës. romp, pâloengan. rond, boentër. — , alleen aan de kanten, pèngol. , overal, bröta. , in ’t

-

-

ronde, patrol. rondgaan, matrol, ngëlingling. rondkijken, ngabàs, pliengas. rondloopen, scharrelen, a djâdjàng, gladjâr, à lèlèr, nglèntjèr. , losloopen van dieren, amphör,

-

, een omweg nemen, môpëng.

rondom, lingling, bröta. rondreizen, itthër, lëlabàng. —

=

rondom.

rondsel, rodà. rondtasten, à kràop. ronduit, tros trang, bëktjaq. in de modder, ngim rondwentelen, por.

ronked, ngërok, ‘

rood,

-

roofvogel = kiekendief. rook, ôkos. rooken, — van

ngôkos. visch, enz., ngôkos,

pangkgâng. tabak, ngênom rôkoq. , opium, mathât, ngôtoet. rookerig, sangit, amëng. roos, këmpâng mabar. op ’t hoofd, sàlësaq. roosteren, mangkgâng. in een blad, maès. — ,

-

-

op den weg, miekgàl. huis, ngètjoq, maling. , op zee, mâtjâk. roover, piekgâlan, maling, pâtjàk. rooven,

-

,

in

een

ropij, rôpia. roskam, këroq. roskammen, ngëroq. rot, têkos.

-

boetjoq, boessô. van eieren, sampoeroekän. , aangestoken, tëpoq, alpoq, kèpaq. rots, karang, bàtô kgoenong. rotsgrond, tana bâtô, paras. , bedorven, ,

-

rotting, mëntjâlien. rouw = droefheid. rozenkrans = paternoster. rozenolie, mienjaq mabar. ruchtbaar, laq ngêdieng, ampon mêrëng.

rug, boekiek.

lomphör. —

RUIKEN.

123

njërëngok.

méra.

in ’t gelaat, mindör. roodeloop, kapadângan dörö. roof = buit, korst.



van een mes, tondieng. , benedenrug, broekoek. , bovenrug, ponnok. , handen op den rug, a dingdang,

njangkëlit. , achter

den rug, voorbij, lébat,

këpongkor. ruggegraat, kërtoeng. ruggelings = achterover.

rontok. _ ruif, pëmakannan. ruig, kassap, rangas, rimbies. ruien,

ruigte

tot versperring,

ruiken, tjiom.

roempoe.

RUIKER.

N

ruiker, patjângan. ruilen, môrop. ruim, uitgestrekt, lébàr, lëkgö. — ‚ wijd uiteen, rangrang, mëntjar.

-

-

‚ slap, ,

los, këndoer.

wijd, lorkgà.

=

overvloedig.

ruimte, lëkgönà,

lébârà.



, onder tafel, enz., proema. ‘ ruin, tjörön këphieri.

ruïne = bouwval.

ruischen, van water = klateren. ‚ van wind, ngëtoeroes.

-

ruit, kottaq. , glas, katja. rukken = afrukken. rukwind, kalingboesboes. rumoer luidruchtig.

-

Sabel, pëthâng. — , korte , tjadök. sage, toenging. saga, sakoe. sagopalm, aren.

-

-

vrucht, kalangkaling. salade, sladà, sawie. salaris = betaling. saldo, karrênà, kantonnan. salpeter, santhâbâ. saluut, slamat. saamgepakt, mëtrnët, piltang. samen, phörëng, rampaq, sarëng. samenbinden=aaneenbinden,bossen. samenbrengen, longpôlong, paq njè tong. samendoen = compagnon, mengen, mededoen. samendrukken, tjètjè, ngëpël. samenilansen, tjietët. samengesteld, rangkep, rampè, tala an. samenknijpen,

ngëpél.

SAP.

124

runderstal, kanthâng sappê. rundvleesch, tjoekoq sappê. rups, Ôlaq boeloe, kgötël. rust, vrede, = gerust, stil.

-

-

-

komen, ngaijng. amboe, tôdjoe. — , slaap, têdoeng, ngêthë, sarèn. rustbank = bank. rustbed = bed. rusteloos, tadë amboenà, taq nëngë mòsè. nëng, kgoelikgoelian, rusten, amboe, lèrè. ,

tot

, uitrusten,

-

, stil zijn, nëngënëng. rustig = gerust. ruw, kassar, grëgë. van huid, kröthö, krôtô.

-

— ,

ruzie,

hobbelig,

rèkong.

tòkarran, kiekieran.

samenkomen = bijeenkomen. samenloop, këpôlongan. samenrapen, mêlè, atjoem, ngassak,

ngotkot.

samenroepen = samenbrengen. samenrollen, kgoeloeng. , met de vingers, pôsël. samenscholen = samenkomen. samenspraak, rëmpokkan, kgoenë man, tjandonnan. samenstellen = maken, opzetten. ngangki tjërêta. , een verhaal, samentrekken = bijeendoen. tjietët. , scheef, gekreukeld, , een wond, kêrô, kêrëm.

-

-

samentrekkend, pakaq. samenvoegen samenbrengen. samenwonen, monthoek, bëngkô long. samenzwering,

nakal,

--

pô—

rëmpokkan orèng dorsila.

sandaal, trompa. sap, aèng, kôwa,

këtaq.

SAPPIG. sappig, banjaq aèngà. , niet -, kantjap. sarren = plagen. satan = duivel. saus, kòwa, karê.

125

-



sausen, tabak —, lapoe. schaaf, passa. schaafsel, passa-an, tatâl. schaal, schil, kôlê. , etens-, bâssi, talam.

-

— ‚ weegschaal, tèmpângan. schaamte, tôdoes, biràng. schaamteloos, tadë tôdoessà. schaap, ’mbi. schaapskooi, kanthàng ’mbi.

kompollan orèng. knipschaar, kgoenting. voor pinangnoten, katjip.

schaar,

-

, ,

, van een kreeft, kampè. = gedrang. schaars, rangrang, larang. — , van eten, 1aèp. schade, rôgi, tôna, tjoengkang. ôrokki, schadeloosstellen, gàntè, njèmboe. schaden, rôgi aki, tôna aki, marossak. schaduw, nawëng, aoep. djàngbâdjâng. , afschaduwing, schaften, ngakan, thâ-âr. ‚ ’s morgens, njëkgë. schakel, këlàng. schaken, wegvoeren, ngèbà boeroe. schamel = arm. schamen, zich -, = schaamte. schamper = stuursch. schandelijk = afschuw.

-

-

schans, benting. schapenwol, boeloenà ’mbi. scharen, van veel menschen,à thöröp. scharnier, èngsèl. scharrelen, waggelen, tësrèndieng, njëlèting, mëlossing. —

=

rondloopen. schaterlach, ngëlakak. schatplichtig, këning patjëk, këning

kgrâpàk. schatrijk, sôki sakalè.

*SCHERP. = begrooten,

schatten schaven, massa. — , ’t vel, njèlpi.

aanslaan.

schavielen, ratrat. schedel = hersenpan. scheede,sarongan,brângkà,sëlòpoeng. , buitenwerk, pënthoek. scheef, mèrèng, njêrang, pêrot, pèr sot, singkèr. scheel, linglang, boelâr, philiok. scheen, bëtis. scheenbeen, tôlang adoe. scheermes, lattieng tjôkor. scheiden, missa, paq laèn, pôrak. van echtgenooten, têlak. schel = bast, bel.

-

-

van geluid, ranjing, tënê. schelden, missô, à pissôan. schelen, katjèq, piethë. schellen = bellen. —

schelm, phöngsat. schelp, kêrang, kêma. schemeren, rêbëng. , slechte oogen, ramon. schenden, rossak aki.

-

schenkblad, talam, bakki. schenkel, sampil. schenken, njèlin, nottaq. — = geven. schenking, pëmbrienà, pëparrèngënà. schenkketel, tjèrèt. scheplepel = nap, lepel, pollepel. schepnet, sontiet, pëtjak. scheppen, putten, nimbâ, ngêbor.

-

-

, opscheppen,

njèndoe.

, met de hand, , voortbrengen,

tjao. tötti aki, kgöbâj.

schepsel = mensch. scheren, tjôkor. scherf, belieng, tanblikar. scherm, tabieng, pakgër. , schutsel, sampirran, dëngngan

-

dëng. ,

zonne-, regen-‚ padjoeng.

schermen, ôtjoeng. — , onder ’t loopen, scherp, tatjëm, êtie.

a

limbâj.

SCHERP. scherp, in woorden, pëngis. van smaak, pëtës, kgötël. van reuk, sërang. anjol. , den mond als fluitende, scherpen, kgangsè, tatjëmi. scherprechter = beul. scherpzinnig = bekwaam, begaafd. scherts, schertsen, a ködjë. schers, tjontô. schetsen = verhalen.

-

scheur, in lijnwaad, enz., tarpies, soewak, tjarpit, pëthö. — , barst, plëtèkan, bëlà, döbier. — , in den grond van droogte, rëkgë. scheuren, tjôrè, pëthö aki, dëldël. , kapot maken, à‘ raqraq, à bieq

-

bieq. schicht = pijl, bliksem. schichtig, takoq. ‚ van paarden, kësit. — , van hoornvee, köböl. schier = bijna. schieten, met vuurwerk, ningkër. — , met pijl en boog, mana. schiften, mêlê. van vochten, nglongkor. schijf, een stuk, èrèssan, paspassan,

-

lêning.

schijn, glans, trang, ngërènap. , blijk, pëngara, thakantha. = gedaante.

-

=

kêrakêrà,

rôbânà,

sëmô.

gelijken.

= lichten, gelijken. schikkelijk, sëtëng. schikken, ngator, ngatjoem, nata, njètrap. , zich naar, nòrò, trêma. schil = bast. schijnen

-

-

schild, taming. schilder, tòkang ëtjèt. schilderen, verven, ngëtjèt. — op lijnwaad, phötik. als schildwacht, djögö, ngëmit. schilderij, gàmpâr.

-

— ,

pënjoe.

land-, katimpaq.

schilfer, bëlët. . schilferen, sitsit. schillen, ngombi, ngòlèt, ngorpas. schim, geestversehijnsel, dönô,

djrangkong, tientöttien. schimmel,

uitslag, amboeng. paard, tjörön tàboek. schimmelen, ngamboeng. schimpen = schelden. schip, kapal, prao. schipbreuk, kapal rëmok, njèlëm. schipper, tjoerakgân, kaptèn. schitteren, mantjòrong, mëlong.

-

,

een

-

-

,

blinken, mantjëlik, lènjèr,

lik

-mëlik. schobbejak, orèng nakkal. schoen, kassot.

-

schielijk = gauw.

-

schildpad,

, rem, tanggëm. schoenmaker, tòkang kassot. schoffel, sorkot.

-

schijnbaar,

SCHOONZUSTER.

126

schofttijd, laot. schokken, kgoeli, ngrontak, lontjôan.

-

= schrikken.

-

ngatji. scholier, anaq sekôla, schommel, ondjân. schommelen, ngondjân. schoof, glàdjoeng, sò-on. school, sëkôla. schoolmeester, goeroe. schoon, bërsè këmët. ,\ fraai, bàkoes. , ofschoon, maskè. , van een vrouw, rattien. , van een man, bàkoes.

-

‚ van water, tjëning, arnjang. schoonbroeder, êpar. schoondochter, mantô. bërsè aki, këmëti, schoonmaken,

kgëmkgëm, pëspës. = opruimen. schoonmoeder, martôwa. schoonschijnend, rôbànà bëtjè, schoonvader, martôwa. schoonzoon, mantô.

-

schoonzuster,

êpar.

— saè.

SCHOOR.

SCHUWEN.

127

schoot, tôwak, tontjàng. schoorsteen, kôkossan. schoorvoetend, takoq. schoot, rêbë.

schrik, schrikken, takrëtjët, ngëtjiet. schrikachtig = schichtig. schrikbarend, sakalè, tjè katok, phörë.

nemen, à. rêbë. , op den schop, spade, sèkrop, sërèpèng. = schommel.

schroef, sëkroep, ollèran. schroefdraaier, èngkol. schroeien, potton, à krè. schroeven, ngôlir.

.......

schoppen, ngatjar, tartjä. - van beesten, vooruit, njèpak. - van beesten, achteruit, ngëtè,_ schor, prat. schoren, nowâk,

nontjàng.

kalingmangka, kalaq. schorpioen, schors = bast. schorsen, amboe aki. schort, voorschoot, sampor. schorten, de kleeren, mingkis, njingkap.

schot = scherm. schotel, pèrèng, bâssi. schoteltje, pèrèng tjangkir,

tat

takkan. schouder, bâo, kiepàng. , hoog van schouders, boenèk. schouderblad, blikat. schouders ophalen, kërdjoe.. schraag, tjöngka. — = schoor, pilaar.

-

schraal = mager, weinig. schragen = schoren, ondersteunen. schram, lôka, bëlët. schrander = bekwaam. schransen = eten. schrapen, ngòrè, ngëriq. — , raspen, marot. , de keel, tërarn. schrede = pas. schreeuwen, njôrak, à tjëring. , in d’adem, ngëntaq.

-

=

gillen. schreien, nangis, njërêbi. , krijten, biernjè. schrift, tôlissan, tjattëtan.

-

schrijlings, njèklak. schrijnend, ’t gevoel, pëti. schrijven, nôlis. ’ schrijver, inlandsche, tjoertôlis.

schrokken, phötoek. schrokkig, döka, phölös. schroomvallig, tôdoes, biràng. schub, sèsè. schuchter = schroomvallig. schudden, kgoeli, ngontjang, onthëk, ronthë.

-

van vet, van dikte, dërgidër. ’t hoofd, à kêpék. schuier = borstel. schuif, sòrokkan, sëlorrokkân. schuifdeur, labang sëlorrok. schuifelen als slangen, ngëlossor. schuilen, ngêtëk, njorkâp, aoep. schuim, kapoq. _schuimbekken, ngapoek. schuimen, ngapoq, ngolboeq. — , schuim afnemen, njêrok. schuin = scheef. schuit, sampan, sëkòtji. schuiven, njòrong, njòrok. anglot, ngëlossot. , afschuiven, — , in elkander -, ngrampit. = amfioen schuiven.

-

schuld, Ôtang. sala, këlòpottân. , misdaad, schuldenaar, sè andi ôtang. schuldig = schuld.

-

schulp = schelp. schuren, ngoss_ot.

schurft, kôrèng. schurk, phöngsat. schutsel = scherm.

schutting = afheining. schutsluis, labang, klabangan. schuur, goedang. voor paddi, lompoeng. schuw = sohichtig. schuwen, takoq—èn.

-

SECRETARIS.

in stukken -, lëssà aki, maros sak, matompës. slaap, slapen, têdoeng, sarèn. — krienkgieng. ‚ verdooving, — van ’t hoofd, pèlèngan. slaapkamer, kammar têdoeng. slaapplaats = ledekant. — ,

secretaris, sèkëtaris. sedert, môla. sein, tanthâ, tôra. seizoen, ossom.

sekreet = gemak. sekse, prôbé. sekuur, tamtô, ngêstètè. selderij, sladdri. selterswater, aèng bëlänthâ. servet, sërbèt, oesap. sidderen = beven. siddering



= huivering.

sieraad, pradà, plèssêr, lôdjôlô. sigaar, rôkoq. böthönà rôkoq, paq sigarenkoker, tèpaq. simpel, lôla, kapèlakkën. sinaasappel, tjëroek manis.

-

njëplëk,

nëphoek, ngërpak, njëlòpok. , op hoofd, mond, napok, poppô, tampër, ngëploek, nangkil, njal këm, pèngor. met de vuist, koetjô, antërn, njin tëm, mëkëm, têmpak, mëkoeng, mërkëm. , met een

gevecht, prang. van een zweep, sampoengan. ,

knip, talkop. têrës,

bânèbânè

siong.

— ,

sjokken, schokken, djiekdjiek, lon tjôan, ngrontak. sjorren, nalè—è, môkët. sjouwen, lakô mélarat, mêkol. skelet = romp.

-

-

slak, huisjes-, boeting.

-



— ,

slagtand,

sêrè.

doos, sëlëpè, mènangan. spog, thoepâng. ’ sits, djita. sjaal, pintjoeng. sjees, bendi. sjerp, sëlimpang, òthét.

-

-

ôtjân.



slaaf, toenor. slaan, môkol, tampèling. , met de vlakke hand,

slaapverwekkend, pangsêrëp. slab, ottô. slabbakken, tëlèdoer, lëmoes. slachten, njampli. slachter, djàgâl. slag = oorveeg. , ongeluk, tjëlaka, kaler.

slagen, tötti, ôlè. slagregen, ôtjàn

sinds = sedert. singel, buikriem, ampën.

sirih,

SLEEPNET.

128

knods, pëntong. een van dier, ngëtè, njèpak. ‚ , op slaginstrumenten, napoe. , doodslaan, pattè-è. ‚ geloof slaan, përtjadja.

naakte, ormang. slaken, ngòtjolli. slang, Ôlar. slangswijs, mëlëngkër. slank, tingki, kôros, ramping. slaolie, mienjaq sladâ. slap, këndoer, lètjaq, lordoe. slapeloos‚ taq ngèthë têdoeng. slapen, têdoeng, sarèn. — ‚ dicht bij elkander, nimpaq. — , ploepoe. ‚ vast slaperig, këtondoe. — van natuur, lëplëp. slapjes, laonlaon, laonan. slapte, in zaken, taq pattè padjoe. slecht, van karakter, tjoebâ, dorsila.

-

— van smaak, bà-àng. slechten, rata aki, njëlakë. , afbreken, poengkar, rombaq. slechts, bâè, tjôma, anning, péraq, biesaos. slede, pangèrètan, sarattan.

-

sloepen, ngèrèt, njarat. den grond met water, tëtër. sleepnet, krakat.

-

SLENTEREN.

SNAAR.

129

slepen,

sluik, ’t haar, latjier. sluiks, ter-, tjoqngètjoq.

sleutel,

sluimeren, doengtêdoengan, lêjër. sluis, labang aèng, klabangan. sluitboom, palang. sluiten, nottop, êntëp, njossè, ngan

slenteren, nglèntjèr, nglomprô. ngëlèlèt, plierèt, nèlèt. van een kleed, ngèwèr. sleuf, lëlarèn. sleur, tôman, athàt.

-

sossè, kontji. sehroef-‚ èngkol. sleutelring, këlangà sossè. slib, bâlët. slibberig, slijkerig, letoek,

-

tjing, palang.

,

pienjê,

— , de

këtja,

pëtjër.

slijmerig, lintat. slijpen = scherpen. slijten, dun worden,nëradang,sèkèng. , verkoopen, padjoe, tjoeâl.

-

, verdwijnen,

élang, ‘

slik, slijk, tjëlot. slikken, nglôdoe, ngloenô. sliknat = doornat, slim, pintër. = erg, moeilijk, doorzicht. slinger, werp-, simbàn. van een uurwerk, kgëndoel. slingeren, kgoelikgoeli, njëlètot, njê liejot.

-

‘-

, heen en weer, giendàlgiendoel.

, met den slinger, njimbàn. , met de armen, a limbâj.

=

waggelen.

slinken, kimpës, ngirtës. slinks = bedriegen. slippen, loslos, lottjot, ngottjol. slobberen, ngëtjrot. — van vogels, njottjor. sloep = schuit. slof, lui, lëmos, tëlédoer.

-

=

pantoffel.

slok, tjëkoq-an, djèlgoekàn. sloop, sarong böntal, Ôrong. sloopen = afbreken. sloot, soksok, lëlarèn. slordig, rëssëm, tjëphà. slorpen = slobberen. slot, sossè. — , einde, pottossan, sloven, lakô mëlarat. sluier, kôdoeng.

oogen — , mëtëm. , in de armen , ngëpkëp. , passen, tjottjok, loelô. , niet precies , ngangkang. , den mond vast—, kêkëp. sluw = slim. smaak, rassa.

-

-

-

-

, mode, tjara. smaakvol, bàkoes sakalè, léboer. smachten, krong, këphoeroe. smaden, tôdoes aki, birâng aki.

smakelijk, lëmaq. smaken, ngrassa. smakken, werpen, tielphös, pânting. met den mond, ngêtjap. smal, tjoppè, rôpëk. '— , niet breed, kènè, rôpit. smart = pijn, droefheid, kommer. smarten = bedroefd. smeden, panthi. smederij, pan‘thiàn. smeeken, mintaq, njò-on, kgoengôk

-

goeng. smeer, mienjaq, pëlëm. smelten, ngantjar. , vet, boter, enz., ngëlèlè. smeren == besmeren. smerig = vuil, onrein, verward. smeulen, ngôkos, ngëloskos. smid, tòkang panthi. smidse = smederij. smijten, moeang, ontal. = smakken. , neersmijten

-

-



smaken, à_rôkoq. smokkelen, sëkongkël, ngaling. smoren, iemand -, njëkël, nongkëm. , iets -‚ njorkâp, njêröp. smout = smeer.

-

bëkassan.

smullen, ngakan snaar, kabà.

njaman, phötoek. ‘J

-

wuukuuv

gelijk

,

ngèrès. tampaq aki;

— paddi, anji. tabak, suikerriet, ’ nëbàng. gras, ngarê. ’t haar, ngêtok, kgoenting‘. kleeren, njèkot. ‚ uitsnijden, ngòkir. afsnijden, ngëraq, ngëtok.

kerven,massat‚njiksik,singsing. in tweeën, njêbâ. ,‘lubben, ngëphieri, à bàntoq. snijder, tôkang tjàè. snikken, sèkgoenën, sërngoet. ‚ ,

snip, përkèq. snippers, kgoentingan, lassèlassan. snoeien, rongrong, nokkô. snoepen, tjëlamottan. snoer = band. snoeven, sompàr, gëthök. snood = slecht. snorken, njërëngok, sërngok. snot, ossëng, krak. snotteren, schreien, nangis. , van een paard, drëkëm.

-

snuffelen,

njassak.

snuif, sërgoe. snuit van een varken, tjottjot. „- ‚van een olifant, têlalè. snuiten,

de neus, moeang

ossëng.

’t à

’t

,

- -,

-

gelaat, njërèngè. — . sommigen, bädë sè = altemet. soms, somtijds soort, rôpa, bërna, matjëm. ‚- zeer klein van — krèpè. soppen, njangrëp. sorteeren, mêlè, nampê. ondiel. spaak, handvan een wiel, rôdji.

-





aan moeten,

-

spaan, tatàl. spaarpot, tjè]èngan. spaarzaam, përimpën. spade, sërèpèng. spalken, gebroken arm,

-

enz.,

njè

ronting. stutten,

njalping.

span, sapassang. met de hand, kèlan. — wijsvinger en duim, tjangkang. spannen, massang, kaè. — strak maken, tanjëng aki. — gespannen, sëksék, sërët.

-



= trekken, aanspannen. këntja, sêpat. kerkgâtji.

spantouw, spanzaag,

njèlèngè. sparen,‘,njimpën, spartelen, kgloepoek. spatel, tjottik, sottil. spatten, ngontjaq, mlëtiq. specerij, plappa. specht, bëlëtoq. speeksel, êbër. speen, pëntil. speetje, saté. —

tjèp. —

soldeersel, patrè. soldeeren, matrè-è. som = bedrag. somber, pëtëng, ondëm.

,

— ,

soebatten = smeeken. soep, ësop. soepbord, pèrèng kômô. soezen, këtondoe, lêjër. soja, kètjap. soldaat, soldadoe, sordadoe.

,

— ,

ngëraq. stuk afnemen, paspas. aan roepen, ngêrat, ròtji. in onverschillige stukken, pën een

eten,taq mëlak, taq döka.

Ë1l'l’l'l.

,

,

=



-





sërgoe.

,

snijden,

snuiven, sober in

,

snappen, vatten, mingkot, mêkgë. — , praten, à bikbik. snauwen, njëntak. snavel, tjottjoq. snede, stuk, tôkël, èrrèssan. snedig = slim, waardig. snel = gauw. snerpend = schrijnend. snibbig, péngis, mòrèng.

l

-

biola. snaar, viool-, talè rëpât, — aan vliegers, soewangan. snakken = smachten.

_

SPEETJE.

130

î

SNAAB.

____j

SPEK. spek, tjoekoq babi. spel, _ pëmaènan. speld, pëniti. spelen, maèn.

-

op een instrument,

napoe, monjê .

-

spotten, tjòngotjò. spouwen = splijten. spraak, Òtjaq, kgoenëman. , de stem, swarâ.

spenen, njappê, missa. spichtig, kôros, spiegel, katja. spier, ôraq, ôtot. spierwit, pôtè mòlos,

Srii‚

-

,

Spie,

-

spraakzaam, lotjô, ngrëpëng. sprakeloos = verbaasd, verbijsterd. — , stom = doofstom. spreeuw, tjàlàk. sprei, sëprei, slêmot.

patii

spion, matamata.

spijker, pakô. spijkeren, makô. spijs = eten. en drank, ’t voorgezette,

-

ram

pattan. spijskast, lamari makan. spijt, kasta.

spikkel = gevlekt. spil, as, intjër.

beläbä. _. , vergiftige, bëlàbâ taon. spinazie, ternja, phöjëm. spinnen, ngantè. spinneweb, sabâng. spinsbek, sôwassa. spion, matarnata. spin,

-

spit = braadspit. spits = puntig.

-

-

,

piramidaal, kintjop. mëtjòtjong.

, vooruitsteken,

spitsboef, phöngsat, maling. spitten, ‚à landoe, njërèping, kgalê. splijten, mbëlà, njêbâ, ngèrat, njêki,

pôrak. splinter, doeri. onder den nagel, kësorsôrën. splintertangetje, angkgoe. splitsen = scheiden, deelen.

-

spoedig = gauw. spoelen afspoelen. ‚ , den mond, këmor, ngëmngëm. spog, tjôpa. spoed,

-

spons, sëpon, këmpâ‘ng karang. . spook = schim. spoor, afdruk, lampat, lôlos. tjâloe. , hanespoor, spoorwagen, karetta asëp. sport, kgiekgienà anthâ.

-

aki. , maèn kërto. ‚ kaart spelonk, grot, kgoewâ.

-

STAAN.

131

spreiden, ampar. spreken, ngotjaq, à pönta. ‚ door den neus, biengsëng. over iemand, tôras.

-

.

sprenkelen, njamsam. spriet van een insect, songot. springen, lontjaq, lontjoeq. — ‚ uiteen- , lëtoeq, mëlètèt.

-

,

van splinters,

ngaltoq.

= huppelen, knappen. sprinkhaan, bâlàng. sproeten, lôrik, krôtô. sprokkelen,

ngassak.

sprokkelhout, rapa. spruit, kind, anaq, boedoe.

-

van bamboe, rëpoeng. van rotting, omboe. spruw, orboeng, nornor. spugen, à tjôpa. spuit, sëmprot, pompa. spuiten, njëmprot, mompa. spuwen, à tjôpa. _ spuwpot, kwispedoor, pëtjôpa-an. st! stil! nërlgënëngl tjâ ngëringër! staaf, lontjoer. staak, antjier, tjangkë. pantjëran. , boonenstaak,

-

staal, bâtjâ. = monster.

-

staan, mantjëng. , op de teenen, ngitting. kënëngi’, nongkô. ‚ ergens op

-

-,i

STAAN ._

132

staan, stilhouden, amboe, lèrè. , sta! amboe! ënéng! , op vallen -, para rôpoe. — , er op -,’tmoet,mastè aki,maksa. ‚ nu hier, dan daar, njaldödoet. ’ op ’t hoofd, thoengsit. staande = gedurende, overeind. — houden, ngathâng. tjëktjëk. , loodrecht, staaridevoets = onmiddellijk. staart, boentoq. , van een chinees, kontjir. karrênà, koer staartje,overschot,

-

-

-

koerrà. ’staartveeren van een haan, lantjôran. staat, gesteldheid, kalakôan. — ‚ rijk, nêkgörë. stad, kotta. staf, tongkët. , gevolg, pangèrèngan. staken ‘= ophouden. stal, kgëtokgân, kanthâng. stallen, nglëpoe aki ka kgëtokgân, kanthàng. ’ stalletje, kraam, bäroeng, passar. stalbezem, sapò lintè.

-

---

staljongen, tòkang tjôrôn. stam, boomstam, poengka. rabët. , klimopstam, = afkomst.

-

stamelen, loqlaq. stampblok = rijstblok. stampen, nomboq, nottô. — , suiker, paddi, nottô. , rijst, ngorsô. , onder den voet, nêthë, gëgërtjä. stamper = rijststamper. stampvoeten, këdroekkëdroek. stand = rang, titel. standaard, inlandsche lamp, atjoek. standvastig, pakoen, langkgëng, ’ tëptëp. stang, rijstang, kënthöli‚ , staaf, lontjoer. stank, stinken, bào, bötjëng, bângër, amis, boedoe, lassieng, bàroej, bässëng.

-

-

‚STEK’EN. stap = schrede, pas. stapel, tompoqan, tompoekân. stapelen, nompoq, njôson. stappen, a tingkaq, têngkgë. over iets heen, à lingkaq. staren, manthëng, mantëliek. statig, gantëng. stationneeren van paarden, enz.,

-



njëroenthà. steeds

= altijd.

steek = steken. onder water, sëmônan. steel, van een mes, enz., kgâkgàng. van een landoe, tâoeran. steen, berg-, rivier-, bâtô. , koraal-, bàtô karang.

-

,

metsel-, phöta.

rol-,

bâtô pèpèssan. keursteen, bâtô pèngôdjian. steenachtig, van aarde, paras. steenbakken, ngopâr phöta. steenkool, arëng bëlänthà. steenoven, linggâ. steenpuist, tëlëpô, pôrô sèki. steiger, sëtèlëng, anthà. in zee, tanggà, broekân.

-

, ,

-

steigeren, mantjëng. steil, toertjët. ‚ van haar, njëgët, djerienggis. = loodrecht. stek, stekje, tôros, rantjaq. stekel, doeri. stekelvarken, landàq. steken, njolpè, njôbëk, nompäk.

-

— , —

-

-

prikken, tjongkè.

van een insect, njêngaq. van pijn, pëti, njoqnjoq. , tusschen — , njëlpët. , bij zich -, ngèbâ, njambi. de ooren, njomprèng. , achter , tjôlè. , in de oogen , in de keel blijven steken, eten,

-



-

plëtën, tjëlëkën. steken, een , in de keel blijven been, graat, boetélën. de tanden blijven -, , tusschen ’ sëlëkêtën.

STEKEN. steken,

-

iets

in

’t

-,

vlechtwerk

tjamboet. , in den mond

-

-, ngompaq. graven, njërèpèng, nglëmpak. stelen, ngètjoq, maling, ngôtil. stellage, stelling = steiger. stellen = leggen, plaatsen, opzetten. stellig, mastè, tamtô, tanggoe, taq këning njâ, taq kènging poenten. .stelpen, nampë, amboe aki, nôlaq, ampët aki. stem, swarâ. ,

stemmen,

muziekinstrument,

à

kgàmpäng. mêlè, tarap; , verkiezen, stempel, ëtjap. stempelen, ngëtjap. stenen = kreunen. steng = staak. stengel = steel, stek.

-

ster, bientang. sterk, krachtig, kôwat, këlar, kgöli, kabobbë. , van smaak, pëtës. , van hout, kgöli. , van touw, enz., kôkô, kôwat. , van tabak, ampek. van een wond, pè'ti, , bijtend,

-

njottjô, njoqnjoq. , van aftreksel, toewa. ‚ van reuk, sêrang, landës. , bestand tegen ...... , bèta, tangar. sterken, kôwat aki, paq sëkën. sterven, mattè, ampon tadë, i pon toet bëkassan, sêthë. steun, pënjanderan, tanggëm, sësël, pënakën, têloktok. steunen = leunen, ondersteunen.

stutten. stevig, sëkën, kgöli, kòkô. stichten = bouwen, maken, oprich ten. stiefbroeder, trêtan këbäloen. stiefkind = zoon, dochter, anaq këbâloen. stiefmoeder, ëmboeq këbàloen. stiefvader, ëmaq këbàloen.

-

STOET‘.

1313 _

stiefzuster, trêtan këbàloen. stier, sappê pëlêran. — , wilde -, bànting. _ ‚ stierkalf, djâgier. stijf, tanjëng, kgrâ, sëkën, tjèngkang. , de nekspieren, gie-ëng. — aanhalen, sèngsët, sëkëni, sërëti. stijf, van vloeistoffen, këtjëng, ‘lëket, ‘ ‚’ lêkô, têdoeng.

-

stijfhoofdig, pëngis. stijfsel, tatjien.

.—

stijfbeugel, këthingkë. stijgen, naè, ongkgë, lômok. stijl, pilaar, tjangkgë, sësaka, pang pang, pêlar, tjàroe. ‘ , manier, tjara. stijven = stijf, gevolgd door „aki“.

-

— met stijfsel, tatjieni. stikdonker, pëtëng langkëp. stikken, nongkëm. — met de naald, njëtiq, njongkèt. stikvol, possaq, taq kaboewaq. stil, zwijgend, ënëng, diëm. liggen, taq kgoelikgoeli. , na luidruchtigheid, òrëm. = gerust, bedaren. ‚ gestild, i amboe aki, i sêrëp.

-

gestelpt, i tampë, i ampët. geen aftrek, taqpadjoe. , eenzaam, sôboeng. stilhouden = ophouden. stillen, ënëng aki, larang, njêrëp. = stelpen. stilletjes, laonan. ‚

-

,

-

, ter sluiks, tjòngètjoq.. stilstaan = ophouden. stilstand, amboenà, laot. stilzwijgend, diëm, kêkëp. stinken = stank.

stinkrat, tjoelieng. stip, toltol. stipt, ngëstètè. stoeien, a ködjë, a keket. stoel, korsê. stoelgang = afgaan. stoep, thëk-onthëkan. stoet = staf, gevolg.



storm,

-

stokkerig, boengin.

-

-

stokstijf, kgrà. stellen, ngêntël, ngëtjëng. stolp, sëtôlëp. stom, boei, taq ngëning òtjaq. = dom.

phöröt. .

stout,nakkal, tambëng, tombrô, plën gër, langka. stouwen, nata. stoven, njëtoop,

-

stommelen, dëdëp. stomp, tompol, taq êtie. tongkà, pat0k. ‚ overblijfsel, , van lichaamsdeelen, tokkë],

koetoek,

ngòlop,

ngòlëk. straal, sònar.

-

-

van water, nantjël. straat, lôrong, tèmpoek. straf, ôkomman, siksa, bâlët.

kôkol, kottol. stompen = slaan met de vuist. stond, pompong, baktô, nalèka.

-

= gestreng.

ngôkom, njiksa. strak = stijf. aanzien = staren.

stookplaats, tômang, dapor. stoom, asëp. stoomboot, kapal asëp, apôj.

straffen,

'

straks, laon, kiloe, mangkèn. - later, kêdi, dökgi. - zoo even, phoeroe, kgëlä. stram, kgrâ. - van gewrichten, kgrá, njèloq, ,

stoomfluit, sërboeng. apôj

,

-

,

asëp,



lorri. stoornis, ara]. = hinderen. stooten, tegen iets, ta-antor, tëkènt0s, kgötoek. , tegen iets puntigs, tëtjaktjak,

-

, den voet

angèn radjë,

= orkaan.

storten, uitstorten, nottaq, nomplëk. laten vallen, nompa, tjètjèr. — van een paard, ngrongsëm. stortregen, òtjân tërës. stotteren = hakkelen.

stokoud, van menschen, rônô. , van dieren, talébât toewa.

tëtjoktjok.

,

.

pëntong. , wandel- , tongkët.

- , draag- , pêkollan. stoken, kgöbâj apôj. - = opstoken.

-

nèssè. een kleedingstuk, iets ergens in —, njëlpët. een gat, enz., nôpô, njëlëp.

= opstoppen, stelpen, ophouden. stopverf, démpol. storen, kgangkgoe, ngêrok, tjalmaq. — = hinderen.

kadjoe,

stoomketel, kètèl. karetta stoomwagen,

,

ì‚‚

-

een



-

-

in

-

, tëtandoeng.

‚ met de horens,

njôtoek,

bang. = aandouwen. , duwen = aanbonzen.

njam—



gieëng. strand, pësèsèr. stranden, kandâng. streek, list, akkal tjoebâ.

-

= plaats. streelen, ossap. streep, kgàrisan. = gevlekt. strekken, dienen tot, kakgöbàj. rekken, natjë, këntat.

-

,

stok,

prop. kleed, tèssè-an. rijst, drömian. van stoppels, stoppen, met een kurk, njompët. met stopverf, dëmpol.

-

tjërêta.

=

stop

,

onderwerp, perkara, stofíen = vegen. stoffer = veger. stotregen, rissè, arpoe. ,

À

-

í

stof, aboe, arphës. je in ’t oog, tjërëpën. , poeder, boeboeq. — , doek, laboen. , grondstof, pökal, thàssar.

STREKKEN.

,

13

7

”k

STOF.

STRE’KKEN. strekken, toereikend, tj ôkop. = stollen, stremmen

mëndâng, belemmeren.

streng, kërëng, kras. strengelen, mintël, inglapâng, streven = beproeven. striem, mëlindäng, phöloer. strijd, prang. strijden, à labân, à prang.

l i Î ‘

poelët.

zijn, tjarok. , handgemeen strijkelings, ngisik, njëtieng. strijken, inwrijven, ngësot, ngossot. — , met strijkijzer, njëtrêka.

-

, met de hand glad

,

bierbier,

ngëroes. , dalen, tòron aki. strijkstok van een viool, pangossoq. strijkijzer, sëtrêka. strik, voor vogels, tanën.

-

knoop, sangkrä. ,

poekël,

stug, pêngis. stuip, sabàn. — , doodelijke —, sabän sëkalor. . . stuit, montëng. stuiten, tegenhouden, ngathàng,

-

-

afstooten.

-

ploengkor. = kapot. stuks, aantal, = stulp =’—î hut.

-



tjatja.

sturen, zenden, ngèrèm. — , iemand — = afzenden.‘ stut, tôwak, tontjâng.

njintët,

strikt, pëndërénà, lèrëssënà. stroef, sërët, lêa. , norSch = stuursch. stronk, tongkâ, patok. stront = drek. stroo, drömian, rôman. strooien, naboer, nampëk.

nôlaq. = stooten,

stuiven, ngëphoek, ngarphës. stuiver, ënam doewiet, lêma sèn. , V2 — , sadiebër. stuk, een , samikkgi, satôkël, sa

-

-

SUSSEN.

135

Î

— , deurpost, pangpang. stutten, nôwak, nontjàng. — , spalken, njalping; stuurboord, i kangan. stuurman, striman, tjoermôdi. stuursch, pêngis, sëngol, sëngit. stuwen, nompoq, nata. _ suf, mamong, possang. suiker, kgoelà.

-

,

riet—,

kgoelâ

Javaansche

passir. —, ‚kgoelâ

stroom, kgieli, , sántër. ‚ sterke strook = baan.

suikerriet, tëpoe.

stroomen, a kgieli. ‚ van regen, -òtjân tërës. stroop, tètès.

oogsten, nëbàng. aan bossen binden, suikerwerk, manissan,

-

-

-

strop,

-

tampar,

= strik.

gländiân.

struikelen, tëtandoeng.

=

aanbonzen,

stooten.

struikroover, orèng piekgâl. struisvogel,

manoq

përi.

_

kèrè

an.

-

-

_

ngòlongi. agrëm,

_

kgoclâli. ‚ = ruischen. in de ooren, phierphier, tjoewër. sukkelen, in ’t werk, taq tao, taq suizen

strot, kroengan. strottenhoofd, pëntil. struif = omelet. struik, -_-gewas, ôrÔ-ôrò.

-

,



-

onning.

.

-

ziekelijk, krieng,

-

,

tjawëng. sul, orèng lôla, poetho_e. _ sultan, soeltan, sôsônan. sussen = stillen.

-

in slaap

-

,

paq têdoeng.

TAAL.

TELEGRAAF.

136

T. ’

Taai, van vleesch, enz., lêà. , van hout, kgöli, kòmël, tiar.

-

taak, tëbàssan, taal, phösa. tabak, pökô.

-

,

bàgiàn.

teen, kriekgienà sôkô. - , twijg, rantjaq.

Javaansehe,pökô kènè,mërkètè.

tabaksloods,

goedang pökô. tabakspruim, papaq-an. tabakszak, paqlòpaq, paqtèpaq. tachtig, bàlloeng pôlô. tafel, médjà.

tafellaken, tapélaq, tak, rantjaq. takel, tankèrian. talisman, djimât.

teeder van vol, rônjè. teef, pattè bienê. teeken, tanthà, tôra, lampat. = merk. teekenen, ngâmpàr, nôlis. = onderteekenen.

teer, ëtèr. tegelijk, veel

-

sassap.

tam, tottot, këtèkàn. tamarinde, atjëm. tamboerijn, tërbâng, bërdà.

-

'

-

tjanthàk.

tjè

paq, kgitëp. , slechte tanden, nolkgë. , op elkander klemmen, ningkëm.

tandeloos, ngolngol. tandpijn, sakè kgiekgie. tandvleesch, kossê. tandworm, kgili. tang, sopit, tjâpit, tjâtot. tante, ôdë, matjödi. tappelings = gudsen. tappen, njêlin, ngëtjor. taps, kintjop. tas, stapel, tompoq-an. tasch, böthö, kantong. tastbaar = duidelijk. tasten = betasten. taxeeren = begrooten, aanslaan. te, in, op, i, e. teeder, lètjap, lëmës, alos, tèpès.

rôboekàn.

tegen, i, e. aan, nalpè, njandër. — = omstreeks, dichtbij. tegenbevel, laèn printa. tegendeel, in-, bànè, laèn sakalè. tegengaan, nglarang, langlang. ‚ tegemoet, ngambà. tegenhouden, nôlaq, ngathàng,

tamelijk, sëtëng.

-

— ,

,

-

talloos, êboean,taq nëmoe banjaq-ën. talmen = sukkelen. talrijk = veel.

tand, kgiekgi. -en wisselen, pongka. , met de tanden vasthouden,

-

tongkölan. — , te zamen, rampaq. tegelijkertijd = meteen. , een

tegenkomen, nemoe, panggi. tegenloopen, mislukken, palang, më larat. tegenover, tëpatëpan. = Over, de andere zijde.

-

tegenpartij, mossô, pënglabàn. tegenspoed,kësossa-an,këmëlarattan. tegensporrelen, pangkô. = spartelen. tegenspreken, à. labân.

-

tegenstaan, poessën, kënjang. tegenstand = tegenpartij. tegenstrijdig = tegendeel. tegenvallen = tegenloopen. tegenwoordig, sëtia, sëtontô, _sëmang— kèn. , er zijn, bâdë.

-

tegenzijde, sëladjé. tegenzin = tegenstaan. tehuis, thuis, i bëngkô. tekort, korang, tangè. telegraaf, kantor kabâ.

TELEGRAM.

TOCHT.

137

telegram, sôrat kabâ. telen, ngôboe. telgang, athiàn. telkens, éapën kalè.

terugvragen, mintaq i bàli aki. terugzien = omkijken.

tellen, ngètong, bilâng. teleurgesteld, tëkëtal atê. temet = altemet.

tets, mèpël. teug = dronk. teugel, apos, ëlès. tevens = ook.

temen, ngòtjaq sangkiet. temmen, atjàri, tottot aki. tempel, tjanthi. — = moskee. temperen, laon aki. = bedaren. tenger = teeder, slank.

-

tent, tarop.

-

, kraam, bâroeng, passar. tenware, tenzij, tjë‚ Ôti, mong, ming, ngamong. tepel, pëntil. terdege, 0ngkoe, ongkoean, tërës,

phöngët.

= aantoonen. ngatjàri.

terechtwijzen terechtzetten, teren, ngëtêr. tergen = plagen. tering,këmatos, sampier ôrè,rnëlëpës. terloops, sëkgëtjë. termijn, baktô, tjantjiân. terstond = aanstonds, onmiddellijk. terug, terugkeeren, bâli.

-

-

naar huis, môlê, pléman. njorrot. , achteruit, van een betaling, sossoq-ën. van een ziekte, këpôlêan, , môlat.

terugbrengen, bàli aki, ngèbà bàli. ’ teruggaan = terug. teruggeven, bâli aki, sossoq. terughouden, taq i bàkgi, taq i par rèng aki. terugjagen, ngantjan, tontoeng, akgë. terugkomen,

bâli, môlê, pléman. terugstooten, tjoengkgë aki, ontoer aki, nòlaq. terugtrekken, zich -, ontoer, njorrot, njingkgë7

njimpang.

baktô.

terwijl, pompong,

-

, daar,

mangka.

'

tevergeefs, përtjôma. tevreden, përna, mapan. thans = nu. thee, ëtè. theebladen, daon ëtè. theepot, morrong, kaptjao. theewater, withàng ëtè. tien, sapôlô. tiendehalf, sapôlô tenga. tienmaal, sapôlô kalè. tiental, satjiena. tieren, razen, kiekier. ‘ — = gedijen. . tijd, tijdstip, baktô, kala, nalèka, . tijdelijk, bakil.

tijdgebrek,

rèpot,

bàdë parlônà.

tijdig, sëtëng. tijding = bericht. — tijdstip = tijd. tijger, matjan, goegoer. tikken, toktok, tiktik. — = kloppen. til, duiven-, pëtjoetoen. tilbury, bendi. tillen = lichten, oplichten. timmerman, tôkang kadjoe. tin, têma pôtè. tint = kleur. tip, pontja. titan, phoeta. titel = adres.

-



.

van een persoon, pangkgöbäjan._ ‚ tobbe, étang, ëtong. tobben = sukkelen. toch = evenwel. , ja toch, ongkoean. ‚ dan, ra! ëna! pëna!

-

tocht,

-

ka-angènan.

=——reis.



TOCHTGENOOT. tochtgenoot =- kameraad. toe = dicht, tot. nathë, tôrè. ! ajoe, marra, toebehooren, tôrÒ-ënà. = bezitten. toebereiden, njëdia, ngòla. = bakken, koken. toegenegen, a sarmô, nèssër.

-



-

.

tolk, tjoerphösa.

= bijdoen.

toegift, sassap, èmboenà. toehooren = luisteren. toejuichen, sôrak.

toekomen, lang met iets -, ngèmê. toekomend, pakgi, lakgoe. toelachen, mèssëm. toelaten = toegeven. toeleg, pengara, tengët. toeloop, rôboekân, ngrôboek. toen = tijd, tijdstip. toenemen, njèmboe, môboe, sadjën. toepasselijk, patot, pëndër, tëpaq, lerës. toer, beurt, kgilieran. ‚ valsch haar, sôpak. toereiken, tjoeloe aki, ator aki, tam pa aki.

-

toereikend, mëndàng, tjôkop. toerekenen, tompô aki, katëmpôan. toeroepen = aanroepen. toerollen, oprollen, kgoeloeng. toeschijnen, kêrakêra, masè. toespeling, sëmônan.1 kgöngan, tjoekoq, sampël, lalap. toespreken, njapa, ngarôarô. toestaan = toegeven. toestel, pëkakas, praboet. toestemmen = beamen. toetsen = keuren, beproeven. toetssteen = keursteen. toespijs,

kalërëssan. toeval, kapëndëran, toeven, à dantè, ngantos, amboe. toevestrouwen ——=aanbetrouwen. toevlucht = hulp. toevoegen bijdoen.

toewerpen, kôtëp aki. toezeggen = beloven. toezien, djögö, nôkoe, mriksa.. tol, belasting, bêjà, patjëk‘. , speelgoed, kèkêan. tolereeren = toestaan.

-

toegeven, inwilligen, bàkgi, parrèng, nglélanè, trêma.

-

TRAKTEMENT.

’13î l



ton, ëtong, ëtang. tondel, kêboel. tong, tjielâ. toom = bit. toon = teen. — , klank, monjênà. — , heldere , ranjing. — , nglëpëk. doffe ‚ , wijze, tjara. _ tooneel = oomédie. tooneelspeler, zanger bij de wajang,

-

-

-

thölâng. toonen, noetoe, tao. toorn, toornig

IJ

toetieng

aki,

paq

boos.

toorts, ophoer. toovenaar, tòkang sénòlap. tooveren, njënôlap. top, kontjoq.

-

! iejà laq! tôtti. toppen, mântoq, nôkô. topzwaar, bërà kà atas. toren, mênara, pangkgoeng. tornen, los , thielthiel. torsen = dragen. tortelduif, manoq pôtër. tot, i, napa, nanthoek.

-

totdat, takkër, kangsè. totaal, kgoengkgoeng, tjoemla. touw, talè, tampar, thâloeng. — , gespannen, këntja. — , door den neus van sappie

of

karbouw, tongar. —

draaien, ‚ngingkal. traag = lui, langzaam. traan, aèng mata. , visch , mienjaq tjoekoq. trachten, ngôti, njatjak, tjàtjàl, pen

-

gara. traktement

-

= betaling.

THALIE.

139

tram, trom. transpireeren,

pëlôan,

mëlô.

trant, tjara.

tuig, praboet. tuigen, thänthân, kaè. tuimelen = buitelen. tuin, këpoen, tanëman. ‚ tuinier, tôkang këpoen. \ tuin, tjottjoq. , tuiten = ruischen. in de‘ooren, phierphier, tjoewër.

trap, ladder, anthà. , stoep, thëkonthëkân. trappelen trippelen. trappen == schoppen. — in een gat, tëplietjoek, mlietjoek. trassi, àtjan. trechter, tjorrong, tjarat. treffen = raken.

-

trein, pëngèrèngan, treiteren, lanjala.

-

tulband, kleedingstuk, sorbàn. turen = staren. tusschen, i tenga. de menschen, njëlor. geraakt, tënòrò. gestoken, i sëlpët aki.

araq-an.

-

-

== hinderen, plagen. trekbeest, sappê, êbien, karpoej. trekkebekken, mamama, tjòtjoq-an.

-

trekken, natjà, nariq. , uit de scheede, ngônos..

de wangen steken, ngëmil. tusschenbeide, tëngkadötëng. — = altemet. tusschenkomen, scheiden, missa. tusschenleggen, lëmpit aki.

-

-

, als thee, enz., ngathoeni. trekpot = theepot. treuren, sossa atê. = weenen, schreien.

-

tusschenraken, tusschenruimte,

treurwilg, (Jav.), tjëmpaka moeldjâ. trillen, ngrontak.

rongrongan, tusschenvoegen, tusschenvoegsel,

trippelen, ngëlèning. troebel, boetëk, këthô. troffel, sèndoe, tjètok. trom, tamboer. van de gamelan, kënthâng. trommel, tlommër, trommël. trommen, namboer. trommer, tôkang tamboer.

twaalf,

trompet, slomprèt. trompetten, njlomprèt. patok.

troosten, màsapàr, nglèpor, ngaring. tros, kleine vruchten, sakètjâng. , kokosnoten, pisang, satondoen. , van andere zaken, sakërëng. trots, trotsch, kòtjaq. trouw = goed. trouweloos = ontrouw. trouwen = huwen.

-

. _

nòrò,

njëla. longkang, proema, longlongan. njëlpët,‘ njësël. sësël.

doebëlâs‘.

twee, doeâ. tweedracht = twist. tweegevecht, ôtjoeng. tweeling(e), këmpär, rakit. tweemaal, doeâ kalè. tweeslachtig, wanthoe.

-

tronk, stronk, tongkà, troost = hulp.

__TWISTZIEK. trouwens = doch, maar. tucht, pëngàtjârán. tuchtigen, ngatjâr, siksa.

tralie, rôtji.



tweespalt = twist. tweetal, sapassang, kadoeâ satangkëp. twijfelen = aarzelen.



ladjë,

twijfelachtig,korang trang,taqtamtò. twijg, rantjaq. twintig, doepôlô. twist, tokkarran. - , tusschen dieren, tjarokkan. twisten, tokkar, tjarok, poeàng. twistziek, kënthék, tërô tokkar.

U.

7

140

UITKOMEN.

U.

, 1 — uitgaan,

uil, pëloek, thöries.

-

a tjölön, kloear. van vuur, licht, matte. , geledigd, kottong, tadë. , gedaan, laq, ampon, oboes, ‚

-

lobâr, pottos. uitbarsten, lëtoeq, mëlètèt. uitbesteden, tjoeâl, à tërëp. uitbetalen = betalen. uitblazen, vuur of licht, mattè-è. uitblusschen = blusschen. uitbotten, uitkomen, tomboe, tërbi. uitbraken = braken. uitbreiden, lébär aki, njèmboe. uitbreken,

een vlam,

— , een gevangene, — = afbreken.

rëpàng. boeroe.

uitbroeden, nëtés. uitdagen, ngatjàk, njompàr, tantang. uitdeelen = verdeelen. uitdiepen, dölëm aki, ngòras. uitdijen, mëlëmpoeng, mëkar. uitdooven = uitblazen.

uitdrukken, persen, mërés, ngatjën,

-

mêlòtot.

‚ te kennen geven, ngartê aki. uitduiden, trang aki, toetoe aki. uiteengaan, poedjâran, piak. uiteenloopend, bânèan, 1aèn sakalè. — = niet akkoord, minder juist.

uiteenvallen, tastas. uiteinde = top, einde. uiten, kloear aki, ngòtjaq. uitentreuren, tadë amboenà. — = aanhoudend.

-

pèssê.

-

-

tjadong aki. rantsoenen uitgezonderd = behalve. uitgieten = gieten. ledigen, kottongi, ngassër. uitglijden, tëplètjar, tëplètjok, të latjar. priessèt, uitgraven = graven. uithalen, kloear aki.

-



-

met de hand, tjathoe. opdelven, njëtoek. van een voertuig, enz., mingkier,

njinglaq, njimpang.

uitheemsch = buitenlandsch. uithouden, bèta, tangar. uitjouwen = schelden. uitkiezen = kiezen. liklik. uitkijken, zoeken, à

amarkgâ. , uitgegaan,

uitgebreid, lébàr, lëkgö. uitgehold, kalontongan. uitgelaten, toelat, pérak. uitgemaakt, laq, ampon, pottos. uitgenomen = behalve. uitgeput, môkoek, kasso, apës. van te weinig slaap, pôdjoek. uitgesleten, sèkèng. lébàrà, radjönà. uitgestrektheid, uitgeven, geld, madjär, kloear aki

à

mëtàl i. sëbâb, pôlanà,

,

van, dâri,

, uithoolde,

,

— ,



këpër.

-

= opletten. uitkleeden = ontkleeden. uitkloppen, ngépoet. uitkomen, toekomen, mëndàng,

tjò

kop. eieren, nëtës. verschijnen, kloear, ngatëp. vrouwelijke borsten, mingkil.

,

kapel,

,





-

uit, buiten, kloear, i loear.

.

tjölön, kloear, mêos. van vuur, licht, mattè, njêrëp. uitgang, tjölön, labang.

,

kampor.

-

,

uier,

uiterlijk, abietà. = aanschijn. uitermate = zeer (bijwoord). uitgaat = onkosten. ii-

U, zie Spraakkunst. ui, babàng têmor. ui, knoflook, babàng pôtè.

vruchten,

‚mottjit.

UITKOMEN.

-

i tomboei.

, zweren,

— ,

-

groeien, tomboe, songki]. , bekend worden, trang. voor iets == bekennen.

uitkomst, pôtossan. . = hulp, bedrag, som. uitlachen, mlësërn, sëmplëssëman. uitlander, orèng mantja. uitleggen, verklaren, trang aki,

-

-

ngartè aki. , breeder maken,

-

lëkgöè. ,

lébär

ÌEUTVALLEN.

‚141

uitkomen, pisang, nongkol.‘

aki,

wijder maken, lorkgâè, këndoer

aki.

uitschudden, een vat, enz., nottaq. een kleed, ngëpës, ngërpaj. uitslag=afloop, puistig, schim mel.

-

uitsluiten, taq mâkgi nòrò,

- - mêlô,



laèn, bànêan. uitsluitend, tadë laèn, dëris bàè, sa‘ panèka biesaos, mëlôlô. uitspannen, paarden, enz., boekaq, ottaq. , een vel, enz., pëntang. uitspansel, lange. uitspoelen, ngôraè, njassa, ngôras. ‚ den mond, këmor, ngëmngëm. uitspraak, stem, swarâ.

-

uitloopen, kloear, nglèntjèr. , van planten, n1ërkgi, térbi,‘ ’ tomboe. = lekken. uitloven = beloven.

uitspraak, òtjaq-ën, iemands kgoenëman. — , vonnis, Ôkomman, pottossan. uitspreiden, ampar, koewêr. , vingers of teenen, nirbäk.

uitluchten, tjëmor, ngèsès. uitmuntend, bëtjè (saè) sakalè,

uitspruiten ten.

-

-

nglangkongi.

uitnoodigen,ngatjâk,ngollëmè, ngon tjàng. uitoefenen

=

doen, werken.

uitpakken, boekaq. uitpersen = persen, uitdrukken. uitpeuteren, tjongkè. uitpluizen, uit elkander halen, boel boel, phoetphoet.

uitpuilen, montoel, mërôwak, phoe rock. uitputten, 1ëssô aki, môkoek aki. , alles nemen, paq abi, kottongi. uitrafelen, njërongsëng.

-

==

rafelen.

uitrekenen = berekenen. uitrekken, zich , à kalia.

-

-

, langer

maken,

këntat.

uitgroeien, poengkaling. uitroepen, mënti‚ ngêra. uitrusten = ophouden.

-

van ’t noodige voorzien,njangô. uitscheiden = ophouden. uitschelden = schelden. uitschot, rambieng, pokpokkan. ,

,

-

= uitloopen van plan



uitspuwen, plôa, ngloppok. uitstaan, Ôdi mêlarat. bèta. ‚ verdragen, uitstallen, à thâsar, mamassar. uitsteken boven iets, ngatjoel, ngon

-

tjal.

uitstekend = uitmuntend. uitstel, tèmpô, lèlè. uitstellen, bri tèmpô, njorrot aki, à lèlè. uitstrekken, armen, ngatjëng. , ’t lichaam, têdoeng. , alleen de beenen, ngontjoer. van elkander, nirbâk. , vingers

-

-

, de vingers

knappen,

ngarkang.

uittrekken, planten, enz., thöboe, ngatjoe. këntat. , verlengen, — , de kris, ngônos. — , kleederen, boekaq. — ‚ de tanden, tjopploq, tjòplok. uittreksel, afschrift, tôronan. uitvallen, van haar, rontoq. — van tanden, njolpak. = gebeuren.

-

-



W

.

__U‚ITYPGFN:

uitwijken, njinglaq, njingkgë, ming kier, njimpang. van houtwerk, ngangkang.

-

-

uitvinden, ontmoeten, nëmoe, mang— gi, këtjapoq. uitvliegen, ngappër.

uitvlucht, akkal. ngèrèm, tjölön aki. bevel, à tôrò printa. , niets -, ngangkoer, njëlingsing. = werken, doen.

uitvoeren,

-

-

,

een

lantjàng. uitvoerlìjk, taq pattè mëlarat, kgàm uitvoerig,

pang, ngëning. uitvorsehen, tanjatanja, njommil. uitvreten door roest, ngakkan. uitwas, gezwel, gondong. —

=

uitslag. uitwasemen, mëlô. uitwasschen, njassa. uitwendig, i loearënà. uitwerking, heilzame —



-

, hoop,

péngarëpan.

uitzien, à dantè. = aanschijn, uitkijken. uitzijgen, njaring. uitzijn, tadë, sôboeng, à tjölön. uitzingen = volharden.

-

uitzoeken, mêlè, nampê. uitzonderen, paq laèn, missa,

paq

uur, ëtjam. uurwerk = horloge, klok. uurwijzer, tjàroem. uw, zie Spraakkunst.

sabap.

vadem = vaarn. vademen, à dëpa, ngôkor. vader, ëmaq. vaderloos, tadë ëmaq-ën, sôboeng

Vaak, slaperig, kétondoe. — = dikwijls. vaal, bëtëng. . vaam, dëpa. vaandel, bandérâ, poelompoel. vaardig, gereed, sëdia, marè,

-

laq,

.

këtjaq, pöntër. kapal. salam!

vaarwel! ‘slamat!

uitwijzen = beslissen. uitwinnen = sparen. uitwisschen = uitvegen. uitzet = bruidsschat. uitzetten = gedijen. uitzicht, tjëmpàr.

njèssè. unster, dàtjíen. urine, këmè.

uitwerpen, boeang. uitwerpselen = drek.

ampon. — , bijdehand, vaars, ëmpè. vaartuig, prao,

WVÏALLEN.V

‚‚ ‚14?

uitvegen = vegen. boeang. , schrift, mattè-è, uitventen, tabâr aki, itthër.

njangônè

slamat! vaatdoek, ëlap, kaèn siekët. vacant, kottong, sôboeng. vaccine, tjongkè»an. vaccineeren, njongkè. vacht, boeloe.

-

-.

bij de geboorte, djàtim. . vadsig = lui. vak, kottaq, lokkè, longkang, rong— rongan, longlongan7 këdoe. “ val = vallen, knip. vallei, tana lëmbà. 1‘ vallen, laboe. — , in ’t water, in ’t vuur, tjapoer. , met de voeten naar boven,

-

tjoembalit, tjoempallan.

-

nrrpaq. , voorover,

,

neerkomen

op z’n plat, narpët, këtjroengop,

tësôlop.

vallen, achterover, laboe gëntang. — , op zijde, laboe mèrèng. , omvallen, rôpoe. ‚ ergens in -, tëboertjoek, tëplie

veder, boeloe. vederloos = kaal. veel, banjaq, ngrëmèt, sëtjökgët, èphä. —‘ , zooveel als, marra, kanta, kathi.

tjoek. , ergens door , iets

uit

te-

-, tëproessok.

de hoogte, kökgör.

gegeten, bërtà,kakënjangën. dikwijls, zeer, overvloed. veelal, athattà, lombra. = dikwijls. . = liever, daarentegen. veeleer — , — =



‚ van loopen leerende kinderen, tasorkàp. valsch‚ valschaardig, tjoehâ atê.

-

-

licht, sompâng. = onecht.

veeleischend, döka. veelkleurig, blëntëng. _ veellicht, amè, mënabi. . — = veel, zooveel als. veelmeer, pòlè mong ...... veelmin, pòlè mong taq .....

van, dàri, mëtäl i, tàlli. , naam, jama. — , over, mong, ming, perkara. , ‘sedert, môla. vandaag = heden.

-

vandehandsch, kangan. vangen, këning, tjanthàk,

-

veeltijds = dikwijls. veelvoudig, rangkëp, rampè. veelwijverij, à madoe. veer = veder.

mêkgé,

mingkot. = opvangen.

-

, stalen -, veerkracht = veertien, ëmaq veertig, ëmpaq

vangst, ôlènà. varen, nompaq prao, -— kapal. varken, babi. , tjèlèng. , Wild

-

-

-

— , bàngbàbâng. ‚ jong wild vast, tamtô, tollos, tëptëp, pantjèn. gebonden, sërët, sêrët. — ineen, lêà, kgöli, mëtmét, piltang.

-

vasten, à poeassa. vastentijd, boelân poeassa. vasthouden = houden. met de tanden, tjëpaq, kgitëp. vastklemmen, amplok. vastmaken, kaè, mangkër. , ’t baadje boven de heupen,

-

kgienthoe. vastslapend, ploepoe. vaststellen, mastè aki, tollos aki.

tamtô aki,

vat, ëtang. , steenen watervat, këntong. vatbaar, pintër, këtjaq. vatten = vangen, grijpen, begrijpen. vechten, tjarok, poeàng. ‚ oorlog, à prang. , laten , ngathoe aki.

-

-

-

VENKEL.

143

VALLEN.

__„_

Ë

ôlor, bàtjâ, per. sterk. bëlàs.

pôlô. veest, këntoq. veesten, ngëntoq. vegen met de bezem, njapô. , met een lap, njiekët, ngoesap. veger, sapô, pënëphë. veil, i tjoeâl. veilen, à tjoeâl, nglélang. veilig, taq kobàtèr.

-

veiling, lélangan. veinzen, thakantha, lômôlô. vel, kôlè. , een papier, veld, poemê.

-

-

sa lëmbär.

veldhoen, tratta, adjàm alas. veldmuis = aardmuis. veldslag, pëprangan. velen = dulden, toestaan. bërnabërna, velerhande, rôparôpa,

matjëmmatjëm. velg, biengkoq. vellen, mokër, nëbàng.

velling, biengkoq. venkel,

athàs.



vennoot = compagnon. venster, djandielà. venten = verkoopen. ver, tjâ0, tampën. tëpöphös, , te ver, talébàt,

verachtelljk, bôtji. verachten, taq ëndhö, sôka, bôtji-i.

verbitterd, sëti, sëngol. verbitteren, thoeàthoe, panas aki. = plagen, hinderen. verblijd, pérak, toelat. verblijdend, slamat.

-

-

lamphös. léboer veraangenamen, aki, mapan aki.

'të

verblijf, kënëngan, ponthoek. verblijven, ënëng, monthoek, amboe. verblind door iets sehitterends, sòlap,

aki, përna

-

tërô,

sabölöngën. door rook, samon. — , dwaas, gëndëng. verbloemen, lingngaling. verbluft = verbaasd. —

taq

-

verachteren, sadjönè sara, pérana. veraf, verafgelegen = ver, eenzaam. veranderen, obaq, gântè. , van plaats, ngalè, ngirsit. , van kleur, lontor, têron.

veranderlijk = wíspelturig. verantwoordelijk = aansprakelijk.‘ verantwoorden = aansprakelijk. trang aki. , ophelderen, verarmen, ‘sadjönè miskin. verbaasd, mënga, takrëtjét, tjëngang,

-

-

ronting. verbannen, i boeang. verbastering, pëndâloengan. verbeelden, zich —‚ kêra, ngrassa. verbeiden, à dantè, ngantos. verbergen, ngêbëk aki, ngaling,

-

verbieden, nglarang, langlang. verbijsterd, possang, gimëng, gipô, ’ mamong. verbijten, zich , pëkël. verbinden = binden. = beloven. ‚ zich een wond, phuutphuut. ‚ , bij elkander brengen, tjampô. verbintenis, tjäntjiàn, kontjrat.

-

-

-

verdeeld, niet eens, taq tjottjok. verdeelen, toe-oem, bàgi. verdeeling, hàgiân, toe-oeman.

ngêröp, njorkâp. , zich , ngêtëk. , bedekken, pèsèt.

-

-



-

plëngong. verband, tjântjiân, rakittan. van een wond, phuutphuutan, së

verbeteren,pëndër (lërës) aki, obaq. verbeuren, een boete, ngëning thien ‚ thà. ‚ niet krijgen, lôpot, taq mêlê.

betreed

verbond = beding. verbrand, këtônon. verbranden, ngopâr, tônô. = aanbakken. verbreiden, bërta aki, paq bröta. verbreken, loslaten, ngëmpal. = breken. verbrijzeld, lëssaq, rërnok. verbrijzelen, lëssaq aki, ngrëmok. verbruien, taq këlëm, taq pôron. verdagen = uitstellen. verdedigen, a Iabân. = afweren.

-

-



verbod, larangan. verboden, niet ongestralt haar, përiet. verbolgen = boos.

-

-

VERDOOLD.

144

\îENNOOT.

verdelgen, pattè-è, màtompës. verdenken, kêrakêra, ’ndaqwa. verder, lëbi tjâ0, - tampën, mòpëng. — , vervolgens, marènà, marè èpon. ‘ Ì l ï } i i \ \

overigens. verder! = bederf. — , kërossakàn, plàj. ‚ moreel aki, pläj aki. rossak verderven, — = bederven. lërës. verdiend, patot,pantës,pëndër,

-

verdienen, ôlè, assil. verdienste = betaling, verdonkeren, pëtëngè. verdoold, kësasâr.

belooning.

VERDORREN. verdorren,

verdord, kgârieng, nglaras. verdorven, rossak. verdraagzaam, sapàr, alim. verdraaien, sala môtër.

êlop,

verkwijnen, tötti njëlottot.

kollot,



, een schip, -rëmok, njèlëm. ‚ hout, enz., boetjô, moppok. vergaderen = bijeenkomen, sparen. vergadering, pëkpëkan, klompôan, —

kompollan. vergeefs, përtjôma tadë vergeetachtig, lôpaq-an. vergelden, bàlës, _njëraq. = erkennen.

toeng,

groedjoek. verdrinken, njèlëm. verdrogen = verdorren. verdubbelen, ngrangkëp, ngram’pè. verduidelijken, trang aki, ngartê aki. verduisteren = stelen, verdonkeren. = duister, éclips. verduistering verdunnen, tèpès aki, rongrong. van vloeistoffen, antjar aki. verdwaald, kësasâr. verdwalen, sasàr.

-

verdwijnen, élang, sêrëp. van vlekken, tëboes. — , à saktè. ‚ onzichtbaar vereelt, poepoel. vereenigen, paq njètong, pëkpëk. — , nauwer maken, rapët aki, ta

-

-

poeng. vereeniging, kompollan, pëkpëkan. vereenvoudigen, kgàmpang aki.‘ vereeren = eerbewijzen. vereffenen ‚= effenen van schuld. vereischt, mastè aki, parlô.’ vereischte, parlôna. verergeren, sadjönè phöngët, ’

sangët. — van wonden, pröna. verf, ëtjèt. verflauwen, këndoer. verflenst, êlop, ’mattêà. verfraaien, bàk0es aki, apik aki. verfrissehen, bekabëk, tjëlëp aki.

kgoenana.

-

verdriet, verdrietig = bedroefd. verdrijven, akgë, ontoer aki, ton

krêpëng.

vergaan, te niet gaan, élang, tompës, kèpaq. — ,

- ‚ woorden, ngaling, obaq. , de oogen, likmëlik. - , een lid, môtël. - , de ledematen, ngringkoe. - = verbruien, verwringen.‘ verdragen, sapàrè. - = uithouden.

vertrommelen‚

VERHOEDEN.

145



vergelijken, nèmpàng. vergen = dwingen. vergenoegd, përna, toelat, mapan. vergeten, kêloppaè, taq èngaq. vergeven, bri sëpôra, — ampon, ‚- ka broeq, vergeving,

-

maq—loeni.

sëpôra, ampon, kabroeq, maq-loem. boentè, ngèrèng. vergezellen, nòrò, vergif, ratjon, pantjëng, satèt.

-

vergiftig, manthi. vergiftigen, ngratjon, pantjëng. vergissen, klêrô, êroe, tjatjoe. ‘ = misdoen.

-

vergoeden, gântè. vergruizen, narpës. vergrijp, sala. vergrooten, njèmboe, radjë aki. ’ verguldsel, pradâ, plèssèr. vergunnen = toestaan. verhaal, tjërêta, kanthë. verhalen, à tjërêta, à pönta, tôtor. verharden, ’njëpô, kras aki. verharen, verheffen

-

ngrontok. = oplichten.

‚ de stem, njëratak. verhelen = verbergen. verhemelte = gehemelte. verheven, tingki, lôhor, akgoeng. verhinderen = belemmeren, verbie

den. verhit, òdjàng,

kapanassën. verhitten, panassè, angaq-èn. verhoeden, boeroeng aki.



’10

-W

YÊÊËÊQQÊN

verhoogen, tingki aki, ngôrok. , iets , tjoengtjoeng. verhoor, pëpriksa-an. verhooren, mriksa.

-

-

verhuizen, ngalê. verhuren, njêwä aki. verijdelen =’ verhoeden. verjaard, lébât, ngasèp.

verdrijven. verjagen verkeerd,‘ sala, klêrô, tachèlap. verkeeren, veranderen, obaq, — aki.

-

,

146 > î

-

l i i i \ l i

vrijen, bökallan.

omgaan, à sarmô, kompol. verkieslijk‚ pinthë-an, léboeran, angor, angoq. verkiezen = kiezen. ,

i i ‘

verklappen = klappen. verklaren, trang aki, ngartê aki. verkleeden, njalin. — noppèng. ‚ vermommen, verkleeid, gehecht, lòlò, trësna. verkleinen, kènè aki.

-

permissie, pamittan. = toestaan. verlokken = verleiden. ,

verloochenen, mongkir. verloofde (mannelijk en vrouwelijk),

bökaL

verloren, élang. , ’t spel, kala, kaboen. , in ’t verderf, plàj. verlossen, nôlong, nglëpas, = baren. verloten, nglôtrè aki.

-

kloear.

verloven, bökallan. vermaak, léboeran, kasôkan. vermaard = beroemd. vermakelijk, léboer. vermaken = spelen, veranderen, verbeteren.

-

verkooping, lélangan. verkorten, pendhë aki, ngëtok. verkouden, klisma. , hoesten, bätoq-an. verkrijgen = ontvangen. verkroppen, ngara. verkwikken = verfrisschen.

-

-

sè laq, sè ampon, kgëlä, képongkor, lambà, kôna. verleeren, këlôpaè. verlegd, te zoek, tasingsal. verlegen = bedeesd. verleiden, ngapossè. verlengen, napoeng, njèmboe, lan tjângè. verlept, êlop. verlicht, têraq, pathàng, sërdàng. verlichten, têraq aki, pathângè,sôlôè. , een zaak, nëmang aki. . verliefd, bràè. verlies, rôgi, tôna. verliezen, iets — , kélangan. — bij ’t spel, enz., kala, kaboen.

-

verknoeien, marossak. verkoelen = verfrisschen. verkondigen, kapâr aki, bërta aki, bröta aki, onthângonthâng. ‘ ‘ verkoop, tjoeâlan. verkoopen, tjoeäl, nglélang. , in ’t klein, njôtik.

verkwisten, moeangmoeang. verlagen, tòron aki, anthëp aki, paq maboq. verlamd, impon. verlangen, krong. , hunkeren, këtakgiân.

verleden,

verlof,

verkleumd, këtjëlëpën. verkleurd, verkleuren, lontor, tëron.

verklikken = klappen. verklikker spion. verknocht = Verkleefd.

‚„_YEBMÊËÊEN

verlangen = begeeren. verlaten, tienaq, tiengkël. , ledig, kottong, sôboeng. = eenzaam.

vermalen, kgielieng. met de tanden, ngaèl. vermanen, boeroek. vermeenen, kêrakêra. ‚ vermeerderen, njèmboe, môboe. vermeerdering, èmboenà, lëbinà. vermeesteren, mënang, ngrëpoet.

-

=

vermelden, vermengen

njëpoet. = mengen,

vermengd.

VERMENIGVULDIGEN. vermenigvuldigen vermetel, böngal. vermicelli, soe-oen.

= vermeerderen. ‘ ‘

vermijden verminderd, loeang, korang. verminderen, loeangi, korangi.

verminkt, kôkol, poetong. ,

weggerot,

krôthös.

= mismaakt.

verplicht, parlô, wadjib. verplichten, maksa. verponding = belasting. Verraad, matamata. verraden, tôtti matamata. verre, i tjàonà, i tampënà.

sëbâb, amarkgâ. = misschien. vermoedelijk vermits,

vermoeden, kêra. vermoeid, dood al, rimpëk, rimpon. , na een ziekte, rôkgoe. = moede.

-

-

= kunnen, kracht, gezak, bezitting. vermogend = machtig, rijk.

niet, korang banjaq, tangè, taq döma. , sà Ôlènà. , voor zoo , tot dus , napa sëdia, kangsè mangkèn. kësan verregaand, kaphöngëtën,

vermogen

vermolmd, môpok. vermomd, angkoej toppèng. vermoorden, mattè-èn. vermorzelen verbrijzelen. vernachten = overnachten. vernauwen, sëksëk aki, tjoppè-èn. vernederen, zich ‚— , ngassor aki. vernemen, ngêdieng bërta, - kapâr,

-

-

, een slapende,

verontschuldigen = toorn. verontwaardigd veroordeelen, ngôkom.

-



kgoethë. = vergeven.

=

verongelijken. toestaan. veroorloven

-

verroeren, kgoeli, obaq. verroest, verroesten, tëtaènën. verrot = rot.

verruilen, mòrop. verrukt, talébat pérak, kapènak. verbaasd, verbijsterd. versch, anjar, sëkër. verschaald, tjêloq. verschaffen = bezorgen.

vernuft, ngartè-au, këtjaq-an, kapin tëran. vernuftig, ngartè, pintër, këtjaq.

verschalken, verschansing, verscheiden verscheuren, verschieten, verschijnen,

ge

verongelijken, salaè, kgöbàj sala. = verdrinken. verongelukken — van vaartuigen, rëmok. verontrust = verschrikt, schrikken. verontrusten, takoq-èn,kgöbàj sossa.

-

zich -, tëpliehëng, tësliô. verrekijker, kèkër, sëmprong. verrichten = doen, werken.

, naar iets, tanja, priksa. vernield, rossak, lëssaq, rëmok. vernielen, rossak aki. vernieuwen, anjar aki, gàntè, obaq.

onderstellen,

, op — na

gëtën. verrekken,

mêrèng.

veronderstellen steld.

ij

veroorzaken, kgöbàj, tôtti aki. verordenen, regelen, ngator. — , bevelen, à printa. veroveren, mënang. verpachten, patjëki. verpanden, kgàti aki. verplaatsen, ngalê, ngirsit. verplegen, rabâti, nglatieni, à raksa. verpletterd, lëssaq, tompës, rëmok.

= mijden.

-

VERSCHOT.

147



tjòngottjô,

’mpiethë. benting. = velerhande.

njëpiet, tjôrè. lontor, têron. ngatëp, a tjabies.

verschikken = opschuiven. verschil, katjèq. , in kleur, njêlinthë. — = onderscheid.

-

verschillend, laèn, bânêan. verschoonen = vergeven. verschot, blântjâ, Ôtang, pantjër.

148

VERSCHRIKKELIJK. verschrikkelijk = verregaand. . verschrikken = schrikken. verschrikt, verontrust, êrô. verschroeien door de zon, kartang. = aanbakken.

-

versehrompeld, mëlkot, kilpës. verschuilen, ngêtëk, njorkâp. verschuiven = opschuiven. verschuldigd, Ôtang.

-

= verplicht.

verslinden, opvreten, pënjël. = vreten. versmachten, tjè tërônà .....

-

versmaden = afwijzen. versmelten = smelten. versnapering, tjàtjàn. versnipperen = verscheuren. verspannen, gântè. versperren, nôpô. versperring, i toppô. — door ruigte, përoempoen. verspieder, matamata. verspreid, mëntjarmëntjar, bröta,

katjarkatjèr. bröta aki, bërta aki. , wolken, enz., mësar. = zaaien.

verspreiden,

êtëp.

verstand = vernuft.

laq

(ampon)

paras. verstellen, nampâl. versterken, kôwat aki.

tôpô,

tôpën.

de neus van verkoudheid,



pëng. verstoren = verontrusten. , böngal. verstouten, zich verstrooid = verspreid. — van gedachten, possang,

pëng

-

poeng

pâng, njangranjang. verstrooien, poepàr aki, pilpal. verstuiken = verrekken, zich — . versuft = verbijsterd. bakil aki. vertegenwoordigen, = gemachtigde. vertegenwoordiger vertellen, zich -, sala ètong,- bilàng. — = verhalen. vertelling, tjërêta, tottorran. verteren = verkwisten. opmaken, abi. spoedig verteerd, trapas. vertoeven, à dantè, amboe, njaphë. vertoonen, toetoc aki, toetieng aki, — , — ,



paq tao. vertoornen, manassè atê, thoeàthoe. vertragen, laon aki, amboe. vertrek = kamer, afreizen. vertroosten = troosten. vertrouwd = aanbetrouwen. vertrouwen = gelooven. vervaard, takoq, taq böngal. vervallen, bouwvallig, rossak,toewa, ladjoe.

verstandeloos, kgielë. verstandig = bekwaam. versteend,

kgrà. vochten, këtjëng, têdoeng. van zaden, enz., ladjoe. lijnwaad, enz., alpoq. = halsstarrig.

verstokt verstomd = verbijsterd. verstoord = boos. verstooten = afwijzen. — , een vrouw, tëlak. verstoppen, dicht maken, nôpô. == verschuilen, verbergen. —

-

verspreken, sala Òtjaq. verstaan, ngêdieng, ngartê, verstaanbaar, trang, tjëta.

-

verstopt,

verslag = rapport. ‚verslapen, tëpöphös, takêtas. verslappen, këndoeri. versleten, rambieng, sèkèng, lassëm. verslikken, zich , tasërnaq. verergeren. verslimmeren =_



verstijfd, — , van verstikt, , van

-

versieren, mamatjäng. versjouwen, ngalê. verslaafd, këtakgiän. verslaan, mënang, nompës.



VERVELEN.

zwak worden, lètjaq, rêboek. taq padjoe. vervalschen, tjamboer, obaq. vervangen = aflossen. —

tötti bàtô,

-



, niet meer geldig,

vervelen, poessën.

VERVELEND. vervelend, tjoebët, phörë. vervellen, njalin kôlê, kollot,sënôlot. verveloos, élang ëtjèttà, boerëng. ’ verven, ngëtjèt. mëtél. , lijnwaad , tjêloep, verver, tôkang ëtjèt. vervliegen van geur, élang baonà. vervoeren, ngossong, ngalê, ngèbâ, moeaq, mêkol. vervolg, tjoeng boedian.

-

-

vervolgen = najagen. vervolgens = na, na dit. vervullen = nakomen.

-

met de voeten ergens in, tës

rimpët.

verwarmen = verhitten. verwarren, sala, klêrô, tjamboer. — met de voeten ergens in —, njrim pët. verwedden verweeren,

= wedden. rossak i òtjàn. verwekken = veroorzaken. verwelken = flets, verflenst. bri slamat. verwelkomen, = verdedigen. verweren, zich verwerpen = afwijzen. verwerven = ontvangen, bezorgen. verwezenlijken, paq tötti, tötti aki.

-

lebarè, lorkgâè, këndoeri, radjë-èn. verwijderd = ver, eenzaam. verwijderen, njingkgë aki, paq njèssè. , ontoer, môlê, pléman. , zich verwijden,

-

-

= scheid-en. verwijt, pissôan. verwijten = schelden. —

verwilderd, romboe.

van

landerijen,

alas,

verwisselen, mòrop, gántè, njalin. , slang van vel, ‘sënôlot. verwisseling, ruilen, pòlêan. verwittigen, tao aki, onning aki, bërta aki, tottor. verwoed = woedend. verwoest, sossak, tompës. verwoest, bedorven, proesa. verwoesten, rossak aki, tompës aki.

-

-

verwaand, kòtjaq. = vergeten. verwaarloozen verwachten = hopen. — , iemand — , à dantè, ngantos. verwant = bloedverwant. verward, réssëm, katjarkàtjèr, sal— saèl, nglarkar, djëroemboeng. van gedachten = verstrooid. — ,

VERZUREN.

149



verwijzen, sòrò tanja, -— priksa, mrik sanè, toetoe aki. verwilderd, van beesten, kësit.

êlës. , vertrappen, verwond = gewond. verwonden, nglôkaè, tatô. verwonderd = verbaasd.

= wurgen. verwrikken, kgoeli, obaq. verworgen

verwringen, môlër, môlës, motel, palè, ngolbi. verzachten, njaman aki, nëmang verzadigd, tôboek, kënjang. , over— , bërtâ, këtoboekën,

-

.

-

këkënjangën. verzaken, mongkir. verzamelen, longpôlong,

ngotkot,paq

njètong. mëkpék. , van menschen, verzanden, bëti à tompoq.

-

verzegelen, ngëtjap. verzekeren, tamtô aki, njangkoep. verzeld van, phörëng, sarëng. verzenden = zenden. verzengd, potton, angos. = versohroeien.

-

verzetten= verplaatsen, verwijderen. — , zich , à labän, phoeti. verzinken, njèlëm, karèm. verzinnen, ngòtjaq thakantha. verzoek, përmintaq—an, pënjò-on. verzoeken, mintaq, njÒ-on, montoet. — , vleiend — , koengôkgoeng. verzoend, a sarmô pòlè.

-

verzorgen = verplegen. verzot, tërô sakalè, sôka, brâè,tèngèl. verzuim, sala, lòpa. verzuimd, këloppaèn, taq èngaq. verzuren, tötti tjêloq.

VERZUURD.

tjêloq. verzwakken, lètjaqè, lëmësi. , zwakker worden, sadjönè lètjaq. verzwaren, bërà ‘aki, tjètjè. = bijvoegen. verzwelgen = ‘vreten. verzwering ‘= zweer. verzuurd,

-

-

verzwijgen,

nëngënëng,

-

= geheim. vest, rompi, kôtang.

ngaling.

vestigen=bouwen,opzetten,wonen. op, èngaq. , het oog vet, pëlëm. ‚ dik van omvang, lompô. vettig, kilpaq. veulen, pëloe. vezel = bastvezels. vier, ëmpaq. vieren, een touw, ngôlor, këndoeri. — , feest , njlamati, à kardjà,

-

-

-

ngangkëp. vierendeel, saprapàt. vierendeelen, toeoem vierkant, mësaki.

ëmpaq.

viertal, émpaq mikkgi, sakabân. vies, bòtji.

-

-

vinnig, pëngis. viool, biola, rëpàt. visch, tjoekoq.

-

-

, tjoekoq pëthö. ’ , zee-, tjoekoq tassè. tjoekoq songaj. , \rivier-, vischiuik, boeboe, sossop. visehgraat, tôlangà tjoekoq. vischhaak, pantjing.

-

, gezouten

visehkorf, kèrèng, kërnéng. vischnet, tjàlâ. visschen, mantjing, madjàng,mëtjak, à tjoetjoer, njakër, njontiet, môkong. vischverkoopen, mingkgoeng. vischverkooper, orèng, pingkgoeng. vischvijver, tampë. vitten, tjërêmè, tjërimpè. vlag, bandérâ, ompoel. vlaggen, massang bandérà.’ vlak, rata. — ,

ondiep, ningkè.

sën,

-

njangling. kôla. ‘

-

wijs-, tontjoe pënoetíeng.

-

-

-

= gevlekt, vlakkerig. vlekkeloos, sòtjè, môlos. vlerk, vleugel, klimbang. vlieden, boeroe.



mintël, ’

vlechtwerk, bindwerk, êka-an. vledermuis, pëphoeroe, tjôthoet. , groote , kloeang. vleesch, rauw, däkgieng. — , gekookt, gebraden, tjoekoq. , gedroogd, thiengthieng. , gebraden gepluisd, abon. vleien, ngalëm. = hopen. , zich vlek, klad, këthö.

-

‚vinden, nëmoe. vinger, kriekgie, tontjoe. , duim, pôlënpôlan. — ,

vingerglas, kôpoekàn. vingerhoed, tjintjin.

njôpak, ngôkël.

waterbak,

vijzel, lësong. villen, ngôlèt. vin, kiepës, kiepies.

— ,

-

-

mapar,

‘— ,

blörieng. , sproetig, krôtô. vlammen, rëpâng. vlecht, haar- , sôpak. vlechten, ngangki, klapàng,

vijf en twintig, sëkgômè. vijftien, lêma bëlas. vijftig, sêkët. vijg, ara. vijl, kèkèr. , houtvijl, patar. vijlen, ngèkèr, matar. — , de tanden, vijver, tampë. ‚ gemetselde

middel-, tontjoe tenga. ring-, tontjoe manis. pink, tèkëntèkan.

vinger,

vlakkerig, panoe, lôrik, pëlëk, lanas

vijand, mossô.‘ , satrô. ‚ persoonlijke vijandig, sòkër, taq a sarmô. vijf, lêma.

-

VLIEDEN.

150



VLIEG. vlieg, lalaq.

-

,

klein soort, rëkgoe.

vliegen, ngappér. vlieger, lajängan.

.

vlijt, vlijtig, tjakang, pötjëng, pöntër, tjôtjëng. vlinder = kapel. vloed, santër, tërës. , hoog water, aèng radjë. bandjier. , overstrooming,

-

vloeibaar, antjar, ngëlèlè. vloeien, kgieli, mantjoer. — , als papier, prëspës. vloer, thâssar.

-

-

in ’t klimmen, lëpê. = fluks.

‘ vocht, aèng, këtaq. bàssa. ôdi, vochtig, bottja, , nattig, bëtjër,’ tëmës.

-

voleinden = volbrengen. volgeling, panèkabàn. volgen, nòrò, nòrò boentè, ngèrèng. volgens = gelijk. volgzaam = goed, gedwee, ge ;

zeggelijk. volhandig = druk, drukte. bèta, tangar, tjëngëng, volharden,



volk, orèngorèng, orèng kènè, orèng



mëtëthëng. .

= bedompt. vod, rambieng, goembàl. voeden, pakanè, tjarboek. voedsel, kakanan, tëthë-an. voedster, min, baboe njossô.



voedsterling,





anaq njossô.

zich — , nòrò. voelen = gevoelen, tasten. voelhoorn, songot. voeren = vervoeren. , voederen, pakanè, tjarboek. ,

-

, een , een

kind, thoeläng. rijtuig, ngôsir.

voering, rangkëpan, lamèn. voerman, kôsir, sè nëkoe ëlès. voertuig = vaartuig, tilbury, wagen. voet, sôkô, pëtjaq, maat, kakêan.

-





te -voet‚gaan‚

Ì î ‘

à

tjölön.

pender_

(lêrës) sakalè,

volkrijk, rammè. = gedrang.

-

volledig, kënaq, tjôkop, possaq. volmacht = gemachtigde. volop, taq korang, banjaq, tjôkop. volstrekt, taq këning njâ, taq kèn ging poenten.

‚ ‘ , ‘

kar, ,

kakè.

doemè, ômat. volkomen, môlos.

voegen:betamelijk,passen,lasschen.

-

voetangel, pëtat. voeten over elkander, njangkëlit. voetpad, potpot. voetspoor, lampattà sòkô. voetzoeker, mërtjon. voetzool, tëlëpakkan. vogel, manoq. vogelkooi, korrong. vogellijm, lètjang. vogelnest, léboen. vogelverschrikker, pëtakoq-am vol, possaq. volbloed, pëndër‚ thòthò, lërës. . volbrengen, mare aki, p0_ttos voldaan = afbetalen, tevreden. voldoende = genoeg, toereikend.

-

vloo, tëlètè. . vlot = fluks. , drijvend, kambâng. ‘ — , houtvlot, kgietik. vlucht van vogels, manoq banjaq. vluchten, boeroe, mienggât. vlug, kësaq, brëkaq, sëlëk, santaq. -

VONNISSEN.

151

Ì 1

voltallig = volledig. voltooien = volbrengen. voluit, kappi, sëdödjë. volwassen, tingki, këntjë. vomeeren, ngottaq. vond, vondst, têmoean. vondeling, anaq nëmoe,

-

panggi.

vonk‚tôlatô.

vonnis, òkomman, dillan. vonnissen,

ngòkom.

pôtossan,

penga

VOOGD.

152

voogd, wâli. voor, voorop, vooruit, i addë. , om, sëbâb, amarkgà. , duur van tijd, òlè. , vóór, sabëloenà. , tot, kakgöbàj, i ka kgöbàj.

VOQBSPOEDIG.

voorkeur, angor, pinthë-an, piethönà. — , de geven, mèlè, angoq._ voorkomen, moa, rôbà. ‚ ’t komt mij voor, këra sèngko, boelë, kaole, a rassa sèngko, boelè, kaole.

-

-

-

— = aangaande, VGI‘I‘6, VOI'G. vooraan, i addë. vooraf, kiloe sabéloen, thiengèn. ’ vooral, sè parlô.... vooralsnog, kgi, lakgi. vooravond, tjompët arè, phöri. voorbarig, këphoeroe. voorbedacht, i tengët. voorbeeld, tjontô. , ter opheldering, tjontô, ôpama. kanta, kathi, , bij — , marra,

-

saôpama. voorbereiden, njëdia aki, a tjabies. voorbij, lébät, oboes, kapongkor. voorbijgaan, lébàt. = overslaan. voordat, sabëloenà, kgi taq.... voordeel, ontong, kgoena. voordezen, lambä, kôna. voordoen, wijzen, toetoe aki.

-

eerder komen, napa (nanthoek) ka addë.

,

— ,

beletten, nglarang, saran_g. voorvallen, tötti, ôlè. , verschijnen, ngatëp. — ‚ er zijn, bädë. , schijnen, rôbànà. ‚ voorkomend, sôka tëtôlong. voorlang, laq (ampon) abiet, lambâ môla.

-

voorlezen, matja. voorlo'opig, kiloe, tiloe, thiengèn. voormalig, lambâ, kôna. voormiddag, kgi lakoe, abân._ voornaam, akgoeng, radjë. , _ vóórnaam, (madoer.) jama dàkgi_eng. voornemen, karëp, nêat. voornoemd, sè kgëlà, sè i sëpoet. kêrakêra, tjögönà. vooronderstellen, vooroordeel, maêtoe, korang për‘

— ,

voorhangen, ngandëngi. voordragen, tao aki, ngonning

tjadjâ. aki,

ngatôri, à tjaos. vooreergisteren, katëlô-malëmënà. vooreerst, kéloean, sapërkarai voorgaan, tjölön i addënà, kà addë. voorganger = opperhoofd. voorgebergte, tantjoeng. voorgeven, thakantha Òtjaq-ën. voorgevoel, pëngrassa. voorhamer, palô. voorhanden, bàdë. voorhangsel, andëng. voorheen, lambâ, kôna. voorhof, tanêan. voorhoofd, dâè. voorin, (nglëpoe) i addë. vooringenomen, ten voordeele, léboer. , ten nadeele, bòtji. voorkennis, met , laq (ampon) trang kà .....

-

-

,

voorop, i addë. voorouders, lëlôhor. voorover, napang, nalpang. — liggen, têdoeng napang. — vallen, këtjroengop,tjoengkëling. voorraad, kgi bàdë, kgi banjaq. voorrang willen hebben, njomboeng. voorrecht, ontong, slamat. voorschieten, ngientjëm, ôtan_g. voorschijn, te komen, te brengen, kloear, kloear aki, paq,tap.

-

-

voorschot,piontj ëman, Ôtang,pantj ër. voorschoot, sampor.

voorschrift, printa, tjontô. voorschrijven, sôrô, à printa. voorshands = voorloopig. voorslaan, ngatjâk, ngrëmpok. voorspoed, ontong, slamat, bërkat. voorspoedig, slamat, njaman. in ’t groeien, tjoerphoe._

-

VOORSTE. voorste, i addë thiebi,

- - thieri.

voorzorg, pèrantè. voos, stokkerig, kgàboes, boengin. vorderen, eischen, nàkgi. tros, pötjot. , vooruitgaan, vore, voor, kgoerâ. voren, te — , këloean, kgëlà.

voorstel, rëmpokkan. voorstellen = voorslaan. voort, straks, këdi‚ dökgi, sëkgëtjë. — ‚ vooruit, madjoe. — , reeds weg, laq ontoer, ampon à ‚tjölön. voortaan,marènà,i boedi, i bingkèng, tjoeng boedian. voortbrengen, kloear, mëtô, rimbi. voortdrijven, akgë, kgierieng. ‘

-

vork, tjottoq. gedaante, rôbà. voor gebak, enz., tjètaq-an. , model, tjontô, pintô. vormen, njètaq. vorst, ratô. vorm, — ,

-

voortdurend, pakoen, tëptëp. voortgaan, madjoe, ’pötëk, pötjot. voortplanten, ngakan, nôlar. voortreffelijk, bëtjè thiebi, thieri,

-

, nok, boeboeng. vorstelijk, ngratônè.

-

vos, kgöröngan. , kloeang. , vliegende vouw, lëm‘pittan. vouwen, nglëmpit. vraag, përtanja-an. vraat, orèng rakos. vracht boewaq—ën, ossoq-ën.

-

nglangkongi. voorts, pò1è, apa pò1è, pènapa pò1è, marèna, marè èpon, sarta. kloear, tomboe. voortspruiten, voortvarend, lëkas, këpàt, këntjêng. = fluks, gauw. voortvluchtig, mienggàt, boeroe.

-

de armen,

=

-

gliendieng. vragen, tanja. , verzoeken, mintaq, njò-on. vrede, salam, rôkon, à sarmô. vreemd, rangrang, taq karôan. vreemdeling, orèng mantja, orèng ‘ laèn nëkgörë. vrees, vreezen, takoq. vreesachtig, takoq-au. vrek, orèng tjërè, — tjôkëng. vrekkig = gierig. vreten, van dieren, ngakan, krômos. — ‚ van mensehen, phötoek. vreugd, rammè, léboer. vriend, sarmô.

-

ngattjëng.

spits.

vooruitzicht, pëngarëpan. voorval, perkara. voorvallen, tôtti, këlakon. voorwaar, ongkoean, sënjata. voorwaarde, tjàntjiàn, angkër. , onder geen , taq sangasaj. voorwaardelijk, bâdë tjàntjienà,

-

-

bädë angkërà.

voorwaarts! madjoe! voorwenden, thakantha,

lampi,

vriendelijk, rôkon.

ngèlas.

voorzeker = stellig.

vriendschap, kasarmôan. vrij, taq i paksa, karëp thiebi, karëp

(spijs en drank), rampat. voorzichtig, ngatêatê, sèngaq! voorzien, vooruitzien, ngabâs. , van iets , ngèrèm. ‚ uitrusten, njangônè. , verzorgen, raksa,‘ rabàtie, voorzetten,

-

-

-

nglatieni.

-

, draag- , pèkol,panollan. vrachtkar, tjikar, sarattan, pêgon,

vooruit = voorop. vooruitdringen, njomboeng. vooruitsteken, mëtjòtjong. — , de buik, mëltoes, nalatang.

-

VRIJBRIEF.

153

thieri. ,

— ,

-

taq kènging. , tamelijk, sëténg. vrijbrief, ëpas, sôrat, permissi.

-



ontslagen, i lëpas, i Òtjol. van iets , lôpot, taq këning,

vrijdag, arê tjoema-at. vrijen, bökallan. vrijer, vrijster, bökal. vrijgevig = goedgeelsch.

vruchteloos,

vrijheid, verlof, përmissie, matrap. vrijkoopen, nëpoes. vrijlaten, ngòtjol, nglëpas. vrijloopen, lòpot. vrijmoedig, vrijpostig‚ böngalan. vrijspreken, lòpot aki ôkomman.

vrijuit, tros trang, bëktjaq. vrijwaren, lòpot aki. thieri, vrijwillig, karëpà thiebi,

-

këlëm,

‘ ‘ , Ê ! 1

pôron.

vroedvrouw, thoekon. vroeg, kgi lakgoe. vroegtijdig,

paq lakgoei.

l

vroolijk, pérak, toelat, lotjô. vrouw, orèng bienê. vrouwenrok, inlandsche, sampir. vrucht,- boewâ. — , pas uitkomend, pötjit. vruchtbaar, lëphë, mërti, kèlèp.

-

,

van grond,

WAARNEMEN.

154

*YRIJDAG.

ardoeng.

, \

‘ \ ‘ \ \

përtjôma.

-

vruchtgebruik, in , kgathoeàn. vruchtzetten, môtjit. vuig, sëlôrô, ròtjô. = verachtelijk, lui. vuil, kottor, këthö, tjëlètattan. — , ’tlichaam,kôlon,poeràs,rëkëng.

-

’t aangezicht, thömos. van eieren, sëmpoeroekàn. met woorden, sëlôrô, ròtjô. vuilnis, sarpa, romboe, sarka,rà-aq. , ,

vuist, përkém. ‚ vullen, ngèssè, possaq-èn. vuns = bedompt. vuren, ngòtjol, ningkër. vurig, panas atê.

. ‚

vuur, apôj. vuur aanmaken,

nongò, njôlët. vuurberg, kgoenong apôj. vuursteen, batô apôj. vuurvlieg, nangkonnang. vuurwapen, tingkër, béthiel, sènap pan.

vuurwerk, mërtjon, këmpang

apôj.

W. waadbaar, ondiep, ningkè. waaghals, orèng böngal kiloe. waaien, angin. , bewaaien, ngëpoeti, ngëpës. , blazen, njërop. ‘ waaier, këpaj. waakzaam, djögö, ngatêatê. waan, kêra, trêma.

-

waanwijs, pintër thiebi,

-

thieri.

waar,

-

koopwaar, phöröng. ongkoe, pëndër, lërés, tamtô, kasèngkiän. ? këmaq? kôiemaq? kadiemaq? , stellig,

waarborg, tangkgoengan. waarborgen, nangkgoeng, waarde, atjinà, rëgâ. waardeeren, naksèr.

sangkoep.

; _ j j ‘ ‚i l ì

. waardig, patot, pantës, ôlè. waardigheid, pangkgöbâjan, pantjë nëngan. waardoor, sëbâb, kërna. waarheen? dëmaq-à? këmaq-à? ka

këmaq_à? waarheid, kapëndëran, — = waar, stellig.

kalërësan. ‘

waarlijk, ongkoean, saongkoenà, san jattanà. waarmerk, tòra, ëtjap. waarmerken, tôraè, ngëtjap. waarna, pas, latjoe, marènà, èpon. waarnemen, nagaan, mriksa. — , een beroep, bakillè.

_- =

opletten.

marè



WAAROM.

waarom? arapà?

155

sëbâb apa?

dërë

markgânà?

wandluis, kglöta.

waarschijnlijk,

wanen, kêrakêra. wang, pêpê. de ‚, tusschen

waarzeggen,

ngëmil. wangunstig, tampoeroean. wanhoop, élang pëngarëpan. wankelbaar, ngënin'g i kgoeli, ken ging i obaq, taq pattè sëkën.

maq?

pënapà? amè, mè. waarschuwen, èngaq aki. waartoe? sëbâb apa? apa kgoenanà? waaruit? mëtâl i diemaq? ngabàs,

ngètong,

pètang. waarzegger, -zegster, thoekon nga bäs, përètongan, pamètangan. wacht, gërdoe, tôkoeran, patrol. — houden, à tôkoe, djögö, ngëmit,

-

matrol.

! laon, kiloe, dantè, mangkèn. wachten, à dantè, ngantos. — ngambà. ‘‚ opwachten, , zich laten ‚ abiet.

-

-

, hopen, ,

-

-

kgoepoek.

-

-

, böngal kiloe. waggelen, njëliejot. waggon, karetta asëp, lorri. waken, mëlaq, ngêdieng, taq tê — doeng. ‚ wacht houden, tòkoe, djögö, ngêmit, matrol.

-

waker, këmit, orèng djögö. wakker, mëlaq, ngêdieng, boengô. maken, tjökgöè. , lustig, rammè, léboer. wal, thàrât. walg, walgen, poessën, bòtji. walm, ôkos, oewa.

oproerigheid, ròtjô. want, sébäb, kërna, pôlana. = vooroordeel. wantrouwen wapen, phöröng tatjëm, sêkap. wapperen, këlëpër. war, in de war maken, klimpra, njal sal, ongkraq. warm, panas, angaq. warmen, panassè, angaq-èn. wars = afkeerig. was, malam. waschman, tôkang mënatô. wasem, asëp, Ôkos. waskaars, lèlèn. wasschen, handen en voeten, à bëtjò. ‘ raoep. , ’t aangezicht, — , ’t lichaam, mandi, njêram,

-

kêlaq. , ’t hoofdhaar,

-

walmen, ngôkos, ngëloskos. wan, këtöng. wand, beschot, pakgër, tabieng.

muur, tèmboeq. wandelen, tjölöntjölön. ,

wandelstok,

tongkët.

= wispelturig.

— ,

-

-

steken,

nglarkar.

, buffel-‚ gliendieng, sarattan, tjikar, gielieng, pêgon. , spoor-, karetta asêp, ‘apòj. , post—, karetta pos. , beproeven, ngôti, tjâtjâl. ‚ zich te veel

wangen

wankelen, kgoelian. wanneer, als, mong, ming, ngamong, kêlamon. — ? bielé? bielë èpon? — , tijdstip, baktô, kala, nalêka. wannen, nampê, kèssê. wanorde, rëssëm, djëroemboeng,

arëp.

in acht nemen, èngaq.

wachter, këmit. wachtplaats, tôkoeran, wagen, karetta.

-

-

‚ ‚ ,

"

tôlô.

kleederen,

njassa. rijst, matjô bëras. kopjes, glazen, enz., ngôraè,

koersa, ngoerbâ. wassen = aangroeien. — van water, aèng ongkgë. wat, arapa, énapè, pënapà. = eenigszins, hoe.

-

water,

-

,

aèng.

zee—, aèng tassè.

WATER. water,

WEGROTTEN.

156

rivier-,

aèng songaj. aèng sômor. , bron-, aèng sompër. , zout -, aèng atjin. ’ gekookt -,withâng, aèng panas. zetten,tôrap,ngëmpong. ’ onder halen, njëlô aèng. waterbak, tjëtieng, kôla.

wedloopen, van ossen, kërap. weduwe, ranthâ, bëlantjàr. weduwnaar, doedä. weefgetouw, tënonnan. weegluis,. kglöta. weegschaal, tèmpàngan, dàtjien. week, pêtong arê, samingga. — = zacht.

waterdicht, taq ngëning massoq aèng, rapët. soksok, lëlarèn. waterleiding, watermeloen, sëmangka.

weekhartig, biernjê. weelderig, van dieren, kërê. weenen, nangis, njërêbi. weergalm = echo. weerglans, weerschijn, sònar.

-

,

put—,

-

waterpas,

tèrnpàngan aèng, sèpat. nèmpàng, njèpat. waterpokken, rottèng. waterput voor drinkwater, këntong,

weerlicht, tëpkëtëp, kêlap. weerloos, taq Ôlè à labàn. weerpijn, klintjëràn. — = gezwollen, opgezet. weerstuit, këning tôlaq, këning bàlät. wees, anaq kÒ-ong. weg, tjölön, lôrong, tèmpoek. — , te zoek, élang, tasingsal. nemen, mëkgët. , een korteren

—sen,

pëlting. waterput, sòmor, sompër. waterslang, ôlar sabbà, aèng. watertanden, tërô, toedjân, tjâèllan,

-

ngalètjèr. waterval, nantjël. watervat, këntong, pëlting. van bamboe, boemboeng. watervloed, bandjier. waterzucht, sakê bârë, lompô. wauwelen, bikbik, ngrëpëng. web = spinneweb. wed = bad.

vertrokken,laq(ampon)àtjölön. wegbergen = bergen. — ,

-

wegblazen, njërêpoe. wegblijven, taq èntar,. taq dötëng. wegbrengen, ngèbâ, ’mpëkta, ngatër. wegbreken, poengkar, rombaq. , wegdrijven = wegjagen. door ’t water, lanjô, laphës. wege, van , dàri, tàlli, sëbäb.

-

-

— voor buffels, pêngimpôran. wedden, tarôan. weder, pò1è, doeâ kalè. — , schoon , trang, sènap. = terug. wederbrengen, bàli aki, ngèbâ bâli.

-

-

wedergade, passangan, ladjön. wedergeven, bâli aki. wederhelft, ladjönà, tongkëlà. belemmeren. wederhouden wederkeeren = terugkeeren. wederpartij, pënglabân, s‘atrô. wederstreven, a labân, taq trêma. wedervergelden, ’mbâlës. wederzijde, ladjönà. ‚ overzijde, sabràng. wedijver, rëpoeân. wedloopen van paarden,

-

-

-

-

amarkgâ. wegen, nèrnpâng, à dàtjien. wegens, sëbâb, amarkgâ. = aangaande. weggaan = afreizen. weggooien, moeang, ontal.

-

1

wegjagen, tontoeng. wegknippen met de vingers, njëltè. weglaten, tienaq, tiengkël, langkap. wegloopen, boeroe, mienggàt. wegmaken, élang aki. wegnemen, ngala. — , diefachtig- = ontfutselen, ont

rukken. tëkgâran.

_

wegregenen, laphës Òtjän. wegrotten (puisten), kròthös.

WEGBUKKEN. wegrukken = ontrukken.

wensch, karëp, karsa. wenschen, ngarëp.

kgërpas. wegsluipen, nglimbà, à saktè. wegspoelen, lanjô, laphës. wegstoppen, ngêröp, njorkâp. wegstrijken (geld), kaot.

-

wegsla_an,

= begeeren. wentelen, à bâli, à koedjàng. — ‚ in bed, sërkloesër. = omkantelen.

-

wereld, dònja. weren = afweren,

wegwerpen, moeang. wegzetten, ngringkës. —

=

-

-

sakònè,

sakòthi, timpis,

tjimbi, satjëmbat. wekelijks, sapën minggô, tong arê, minggôan. wekken, tjökgöè.

sa

sapën pê

wel, sompër. — , goed, bëtjè, saè, sëtëng. welaan! marra, ajoe, nathë, tôrè, dabëk. welbehagen, përna, karsa. welbespraakt, lòtjô. weldadig = goedgeefsch. weldra, toeli, para, taq abiet. welgesteld, phoenga, sôki. welgezind, à sarmô, tama. welig,

welk,

-

tötti, lëphë. sè.

? sè këmaq? welkom. slamat,

sè kadiemaq?’ toelat.

wellen, njompër. wellevend, alos, onning, wellicht = misschien.

prënata.

welluidend, ranjing. welnu? marènà? marè èpon? welp, boedoe. welriekend, rò-om, alëk. welsmakend, 1ërnaq, njaman. wemelen = gedrang. wenden, môlës, mòlër, phieloek, bâli,

phöliek. wenk,

këtëp.

wenkbrauw, alis. wenken,

këtëpi.

belemmeren,

ijverig. werk, këlakôan.

opruimen. weide, pëngôannan. weiden, ngôan. weifelen, possang, gimëng, gipô. weigeren = niet toestaan. , niet meer kunnen, môkoek. weinig,

WICHT.

7



vlas, ramé.



iets bewerken,

= moeite. werkelijk = waarlijk. werkeloos, taq à lakô, ngangkoer. = lui. werken, à lakô, njampoet.

-

kgäràp.

werktuig, pëkakas, praboet, ’ werkman, koeli, tôkang. werkzaam, tjakang. werpen, ontal. , smakken,

-

tielphös, pàntèng. jongen — , a boedoe. werpnet, tjâlà. werpspeer, tompàk, lëmphieng. wervel, kantjing, pantollan. wervelwind = draaiwind. werven, kompol aki. weshalve, töttinà, mangkanà. wesp = bij. wespenangel, sëngaq. ,

wespcnnest = bijennest. west, bârrë.

westelijk, i bârrë—ënà. westmoesson, nimphörë, phöröt. westwaarts, ka bàrrë, de barre. wet, printa, ôkomman._

.

‚ weten, tao, onning. — ‚ ik weet ’t niet, sôpè, biekan,táqj

onning. wetenschap, leer, èlmô. wetten, kgangsè, tatjëmi. .. wettig, pëndër, lërës, atas trang. weven, à tënon. wezen = zijn:

wezenlijk = waarlijk. wicht, anaq njossô.

158

__\Ä’ICHT.

wicht = zwaar, gewicht. wie, sapa, sêraq, pasêraq. wieden, à rao, kgëmkgëm, kossit.

WONDEN.

ij_

wildernis, alas, Ôrô-ôrô. willekeur, i tengët, ngangkoej karëp thiebi, siasia. willekeurig, sëmphöröngan. willen, këlëm, pôron, ngarëp.

thöngir,

wiek, klimbang. wiel, rodâ.

willens,

-

met opzet, tengët.

wielband,

bliengkër. wielvelling, biengkoq. wier, lômot.

= willekeur. willig, gewild, padjoe. — = vrijwillig, behulpzaam,

wierook, mienjan.

reed, gezeggelijk. wimpers, boeloe kêtjë. wind, angèn. = veest, oprispen. winden, opwinden, môtër. = omwinden, omwoelen. -_ windsel, boentëlan, phuutphuutan,

-

branden, ngôkop. wig, patji. wiggelen, kgoeli, njëliejot. wij, zie Spraakkunst.

ge

-

wijd, ver, tjào, tampën. , ruim, lorkgâ, radjë, lôthoek.

-

slap, këndoer. rangrang. open, bieta, bëkbëk, tatang. lébàr, lëkgö. , uitgebreid, beens, nèkang, ngêka. — en zijd = overal. wijders, marènà, marè èpon.

pôpoq.

,

uit elkander,

.

windstil, tjëtoe. winkel, toekoe, bâroeng, passan winkelhaak, sêkô. winnen,

overwinnen,

winst, ontong,

mënang.

phöthê.

wip,_ sèngkoet. — van een waterput, koendâl. = en wippen opomwippen. wis = waarlijk, zeker.

wijf = vrouw. wijk, kampong. wijken, njinglaq, njingkgë, mingkier, njimpang, piak. , deinzen, njorrot. — , gapen, nglottok, ngangkang. wijl = dewijl.

taq pakoen

-

wispelturig, lëmêr.

-

wijn, anggor.

wisschen, ngoesap. wisselen, morrop. , verwisselen, obaq, gântè, njalin. — , pongka. ‚ tanden

wijs,

wit, pôtè.

, een

-

-

,

-

sëkgëtjë.

pintër.

en zwart, pontang. witten, nglapoer. woede, ngamok, pëkël, ngarët. woelen = ombinden. — , in bed, sêngkliesëng, sërkloesër. — , lastig zijn, tambëng, klètjë. woensdag, arê rëpoe. woest, onontgonnen, alas. , ruw, kassar, bànsarôbän. wol, boeloenà ’mbi.

manier.

wijzen = aantoonen. wijzer van een uurwerk, tjàroem. wijzigen, obaq. wikkelen, zich in een deken, enz.,

-

-

këmol. wil = wensoh.

wild, wildbraad,

-

— —

tjoekoq .....

onontgonnen, alas. , van dieren, kësit, köböl. , onbesuisd, bànsarôbàn. ‚

-

-

= manier. wijsvinger, tontjoe pënoetieng. wijten, sala aki, koekgàt. wijze

pèkèrà,

, , i

wolk, bewolkt, ondërn. wond, lôka, tatô, phâphàk.

-

op ’t hoofd, tjonge. wonden, nglôkaè.

WON DWATE R. wondwater, wondzalf, tamphâ. ‚ wonen, ënëng, à bëngkô. woonhuis, bëngkô, thölem, 1Òtji. = huis. woord, sètong òtjaq. = belofte.

wrang, pakaq. wrat, kôboekô. wreed, kërëng, siasia. wreken, ’mbàlës. wrevelig, pëngis, tjërêmê.

-

wrijven, ngossot. , fijn — , ngòtjëk.

-

tôtti. (hulpwerkwoord), i. wurgen = wurgen. worm, tjatjing, ôlaq. wormkruid, tjâmô tjatjing. wormstekig, i kakan Ôlaq. worden,

-

worst, sosies. worstelen, a kèkèt, kgoempël. , in de haren grijpen, kgoengsël.

-

wortel, ramoq,

-

,’haar-,

woud,

dongkêlan. ombi. ‚

alas radjë,

-

, slecht,

tësok,

-

, slijpen,

kgângsè.

= aanraken.

wringen, mërës. wroeging, kasta. wroeten, met den snuit, njëlonting. met de handen, njakkar, ngarkar. wrong, haar-, kgëloeng. wuiven met iets, ngêbëng. wurgen, tjëkël.

Ê ‘ ‘

-

kadjoean.

pòprô.

op een steen, mèpès, kgielieng. , ’t oog, de neus, ngësot. met de vingers, pèssèt. ‚ , fijn , ’t lichaam, mètjët, mèlèt, ngò ’ rat, rokrok.



.

wraak, përi1bâlës. wrak, schip, kapel rëmok.

-

ZATERDAG.

159

,

Z. Zaad, boenga, binis, Ôrètan. zaag, kërkgâtji. zaagsel, raboeân. zaaien, fijn zaad, nampëk. , grof zaad, njètèr. zaak, perkara. zacht, Week, lètjaq, ornjat. , stil, laon. , zachtjes aan, laonan, tjêmit. , van visch, bëraq. ‚ van vruchten, gëndjoer. op ’t gevoel, lirmit. zachtaardíg, alos, pêlak. zadel, lapaq, pakapaq. zadelen, lapaqè, pakapaè.

-

zakgeld, bëlàntjà, sangô. zakken = afzakken, dalen, bezinken. , meer naar beneden, korang

-

maboq.

-

in elkander , tëplie-ëng. zakkenrollen, ngottil. —



-

zalf, pòpô, parëm, pêlis, tèrè. ‚ zalig, slamat, ôlè sabap. zalven, pòpôè, parëmè, tapël, à tèrè,

-

zand, bëti. , grof , blikier, klèrkèran. zandbank = verzanding. zaniken, tjërêmê, tjërimpè, tjëroq— min, njottjot, mëlè-it. zat, dronken, maboe. — , oververzadigd van spijs, bërtâ,

zadelriem, buikriem, ampën. zagen, a kèrkgàtji. zak, kattoe, kantong. kampil, kantong. ‚ geldzak, zakdoek, stannang.

-

tatjieni.

-

-

kakënjangën, bëlëngkètëngën. afkeerig, poessën. zaterdag, arê saptô. — ,

ZEDE. zede, athàt, tjara, prè’nata. zee, tassè, sëkgörë. zeef, saringan, èrèkan. zeehoorn, zeeschelp, tjongtjong. zeekwal, boerboer, bëloeboer. zeel, salang. zeeman = bemanning. zeep, sabon. zeer, pijn, sakè, malas.

-

zenuw,

î \ 1

-

=

sleepnet. zegepraal, mënang, kamënangan. zeggen, këbâlë, tottor. zeil, ladjâr. zeilen, a ladjàr. zeilgaren, talê ramé. zeilnaald, tjàroem ladjàr. zeilschip, kapal ladjâr. zeker, veilig, taq kôbâtèr, slamat. , stellig, tamtô, mastè, ongkoean, tôlos, tanggoe, tëptëp. anô. , zekere ..... , dinges,

-

zelden, rangrang. zeldzaam, larang, rangrang. zelf, zelve, thiebi, thieri. zelfde, padë bàè, padë biesaos; ieja jëria, ingki panèka, tongkëlà, lambonnà.



ter

-

tijd, phörëng,

sarëng,

rampaq. zelfmoord, à phiele. zelfs, tjè, töttià, maskè, sënadjan. zemelen, boeq-oeq. zendeling = afgezant. zenden, ngèrèm. afvaardigen, sòrò, òtossè, ‚

-

pakon. zongen = aanbakken. , visch — , kësëng.

-

- = bezinksel. zetten = leggen, plaatsen. - koffie, thee - , kgöbâj ,

-



withàng,

ngathoeni.

= zitten, onder water zetten. zeug, babi bienê. zeuren = zaniken. zeven, njaring. (telwoord), pètô. zeventien, pètô bëlàs.

zege, kamënangan. zegel, tjap, sêgël. zegelen, ngëtjap. zegen, slamat, ontong, sabap, bërkat.

zelfder,

zes, ënam. zestien, nambëläs. zestig, sëwiethàk. zetel, korsê, pètôdjoe-àn. zetsel, withâng.

i \

(bijwoord), tjè, phöngët, sangët,

Ôtot, ôraq.

-trekkingen, këtjoetën.

nglangkongi. zeerst, om ’t , repoe-àn. zeevisch, tjoekoq tassè. zeeziek, mënthëm.

-

ZIJDE.

160

-

zeventig,



pètong

pôlô.

zich = zelf. zichtbaar, katon, ngômô, môthë. aroea apa, panèka pënapa, inggroea pënapa. ‚ zieden, nalkal. ziehier‚ aria apa, panèka pënapa. ziek, sakè, krieng. ziekelijk, tjawëng, krieng, sakè-an. ziekenhuis, rôma sakè. ziedaar,

ziekte, pënjakè, pëkriengan. — , vallende , adjàn-adjânan, ziel, njabà, sokma. zielloos, mattè, ampon tadë.

-

-

= sterven. zieltogen, para mattêà, para ampon ‘ tadëà. zien, tjëlieng, ngënalè, nòlati. — , kijken, ningkoe. == aanschouwen, aantoonen. ziften = zeven, wennen. zij, zie Spraakkunst. zijde, sôtra.

-

kant, pingkier, ’i èrèng. van het lichaam, lampoeng. van een dak, antonganto'ng. zien, nglèrik. , op leggen, paq njèssè. , op , aan een zijde, sëladjë. ‚ aan beide zijden, ka doeâ lad-jë.

— ,

-

ZIJDE.

M__WW

zijde = naast. zijgen = zeven. — , flauw vallen, klëngngër. zijn, wezen, bàdë. — , bezittelijk, andi-én, kagoengànà — , iets , tötti, nëkoe. zijnent, ten , i bëngkônà ......

-

-

zijpelen, mrëmbës, = lekken.

njërëp.

-

zijstraal van den bliksem, tampiàs. zijwaarts, mingkier, njèssè. zijweg,

simpangan.

zilt, ziltig, atjin, anta. zilver, sëlaka.

wil, karëp. lust, tërô, sôka, toedjàn. ‚ bedoeling, artênà, karëpà. zindelijk, bërsê. — ,

-

zingen, ngètjoeng, pòtjiàn. van kokend water, ngërsëng. zink, ësing. zinken, njèlëm, karëm.

-

zinnen, mèkèr. zijn, pëngara, satjë. zins, van zinspelen, Ôpama aki, sëmônan. zinsverrukking, i lamatèn, i katon nèn.

-

zitbank = bank. zitplaats, këtôdjoeàn, kënëngan. zitten, tòdjoe, longkoe. — , op stok, nongkô. tjörön. , te paard, nompaq ‚ met de knieën naar boven, mingkrang. ‚

hurken, ningkong,

markong. , met de becnen rechtuit, ngon tjoer. , eerbiedig , sêla. à tèmpô. kikvorsch, als een ‚ , onbehoorlijk ‚ dèmprô, lèrô,

-

-

-

-

Í ‘

-

-

à tëpis.

op slechts een

kleine

plaats,

ningkring. zode, gras-, rëphà i tébâl. zoek = weg, verloren. zoeken, njarê, à sarè. zoen = kus. zoenen = kussen. zoet, manis, njëpnjëp.

langittan.

— ,

ngrimpëk. , afgezonderd

-

zitten, gerust , langoq. , ’t hoofd in de hand, santhëkëm. — , rechtop . , tjëktjëk. — , handen over elkaar vóór zich,

zoetwater, aèng songaj, — sompër. ‘ zog, aèng sossô. zolder, zoldering, lottèng, kg‘àpâk,

zilverdraad, kabâ sëlaka. zilvergeld, pèssê pôtè. zilversmid, kêmassan. zin, beteekenis, artênà.

‚ op de

ZOOL.

161

.

, à dëroengon.

zon, arê. zondag, arê aohat. zonde ondeugd. zonder, tadë.

twijfel, tamtô, ongkoean. zonnescherm, padjoeng. zonneschijn, trangà arê, panas arê. zonnewijzer, panthoeman. zonsondergang, tjompët arê, sôrop are. —

mëtô arê. arê sakè, arê zonsverduistering, zonsopgang,

krieng. zoo, zoodanig,



dëria,

bërientoq,



. rientoq, sapanèka. ? ongkoe? apaiejä? pënapaingki?



aanstonds, laon, kêdi, dökgi. even, phoeroe, kgélà. doende, mong dëria, — bërientoq, këlamon sapanèka. dikwijlsals, brampaq kalènà.

wel als, ieja, ingki, padë kêlabân. als, marra, kanta, kathi. lang als, satjëkà ..... = indien, zoodat, hoe. zoodanig = zoo. — —

-

zoodat, zoodra zoogen, zool =

tötti, mangka. = al, als, indien. njossô. voetzool.

ZOOM. zoom, këlimman. — aan klapàngan. vlechtwerk, zoomen, ngélim. zoon, anaq lakè, pôtra. zoonskind, kompôj. ‘

zorg, sossa. zorgdragen, kgötê. zorgdragend, kgötên. zorgelijk, sossa, êboe, angèl. — , zeer ziek, sakè sara, — përana. zorgeloos, taq pattè përdoeli, korang mèkèrà.

zusterskind,

-

zwaarlijvig = dik.

zwaarmoedig, sossa atê, kësossa-an. zwachtelen = inpakken, verbinden, inbakeren. zwager, êpar 1akè. zwagerin, êpar bienê.

zwak, ziekelijk, lètjaq, lëmës.

-

— —

-

-

oudere jongere

kakkaq.

— ,

-

,

alè.

de beenen, lèmpër. van vermoeidheid, léssô, môkoek. van ouderdom, rëtô, rònô, op

djoempô. krachtig genoeg, , niet kgöli. kras, kadjë, van licht, korang têraq. van gezicht, ramon.

-

-

korang

zwaluw, manoq tëtàli.

-

, — ,

bëlänthä. zwaaien, Òkgë-Ôkgë, pangkoe. met de armen, limbâ, limbàj. zwaar, bërà, tërën. — , van tabak, ampëk. lompô. , van gewassen, radjë, in ’t hoofd, plëngën. van geluid, radjë, ranjing. zwaard, pëthâng.

-

zuidwesten, barrë lao. zuigeling, anaq njossô. zuigen, tjoptjop, kinjot, këlmot. aan de borst, njossô. zuiger aan planten, sölpi. —s afhalen bij planten, mèpil.

-

atjar.

-



ngontjoe njabà. = begeerte, lust, zin. zuid, lao. zuidoosten, têmor lao. zuidwaarts, ka lao, de lao.

zuiveren, bërsè-è, mêlè, nampê. .— van onkruid, à rao, kgémkgëm. pëspës, ngossar. zulk = zoo, zooals. zulks = zoo, zqodanig. zullen, arëp, pökal. zundgat, përnis. zuster, trêtan bienê.

— ,

ràki. zuurzak, nangka

zuchten,

zuinig, përimpën. — zijn, ngêmê, ngêmannè, thöman. zuipen, toedjàn ngèmon. zuiver = helder, schoon.

ingelegd = norsch.

,

zuurdeeg,

-

-

pënakan.

zuur, tjêloq.

zorgen, djögö, èngaq, nglatieni. zot = dwaas, gek. zout, boedjâ, pathëk. van smaak, sëthë, atjin. zouteloos, tjia. zouten, atjinnè. zoutevisch, tjoekoq pëthö. goedar_1g boedjä. zoutpakhuis, mantrê boedjà. zoutpakhuismeester, zoutwater, aèng atjin, aèng tassè. zucht,

ZWELGEN.

162

zwam, kaboel, kèboel. = algemeen, alledaags. zwang, in

-

zwanger, ngandoeng. kësossa-an, zwarigheid, ‘

kaêboean,

kà-angèlan, rëngëng. zwart, tjëlâng. — , de tanden — maken, pönjon. zwavel, bëlierâng. zwavelstok, kôrè, tjollok. zweep, pètjot, tjemëtè. slaan, mètjot, , met een

-

-

sêphët. zweer, bàrë, bientil, bëlkëm, pôrô. = bloedzweer, steenpuist.

-

zweet, pëlô. zweeten, pëlôan, mëlô. vreten. zwelgen

ZWELLEN. zwellen = gezwollen, uitdijen. zwemmen, à langôj. zwengel, èpal. zwengelen, los bijhangen, klètèr. zwenken = omdraaien. zweren, môrô, i tomboei.

-

=

eed.

zwerk, langè. zwerm, banjaq, èphà, ngrëmët. zwerven, nglèntjèr, mëlantjong. zwetsen = grootspraak.

zweven,

3 — zwichten,

ngabàng. kala, kaboen.

zwiepen, mëmphât. zwijgen, diem, nëngënëng, kêkëp. zwijm, bezwijming, klëngngër. , duizelig, possang, plëngën, ka

-

pëtëngën, kasatrap. zwijn = varken. zwoegen, ngangsor. zwoel, tjëtoe.



SPREEKWIJZEN. (Zelfstandige

Naamwoorden.)

Het huis is zeer groot. De wond is zeer diep. De deur is nog niet gesloten. De regenvalt steeds hard neer. Het vuur is pas aangegaan.

Bëngkô tjè radjönà. Lôka dölëm sakalè. Labang kgi taq i èntëp. Òtjân maq tërës bàè.

De rozen zijn reeds begoten. Haal dat deksel vooreerst niet weg. De waterleiding is niet diep genoeg. De pisang is nog onrijp. Mijn vrijer (vrijster) is nog jong. Blaffende honden bijten niet.

Apôj phoeroe ôdi. Kempàng mabàr laq i sèram. Kodoeng jëria tjâ toeli ngala. Lëlarèn korang dölëm. Këthöng kgi mataq. Sang bökal kgi ngôdë. Pattè à kgaong taq ngèkè. '

De komst werd reeds gewenscht. Ik kan niet tegen de hitte. Het einde van het feest. Het andere is reeds naar ’t oosten

Dötëngà laq i arëp. Sèngkô taq këlar ka panassà. Lobàrà slamattan. Laè_nà laq i kèbâ de têmor.

gebracht. De cirkel is beschadigd geworden. De weg is niet in orde. Wat er valt is niet zoo erg veel. Het waarom is nog niet helder. Het schuw zijn is niet aangenaam. Het modderige is moeilijk te pas—

i rossak

Boentëra

aki.

Tjölönà taq issak. Kökgörà taq pattè banjaq. Sëbappà

kgi taq trang.

Kësittà taq léboer. Lëtoekà sara lébàtënà.

seeren.

De gang is zeer aangenaam. De bezem is reeds in orde gemaakt. ’ De inhoud is louter water. Adem als adem van een paard. Hoeveel is ’t gekorte? De afstand is tien paal. Op wanneer is 7t vastgesteld?

Is de weegschaal niet te weinig juist? Goed werk wordt goed betaald. _‘ ’t Is net zoo lang als ’t breed is.

Boeroenà , ‘

i‘ ‘

tjè njamannà. laq i paq bëtjè. aèng mëlôlô. Njabänà marra njabânà tjörön.

Sapônà Essênà

Pottongënà brampaq? Tjâonà sapôlô pal. .Töttinà bielë? Tèmpângënà taq korang pëndër? Lakônà pëndër i badjâr pëndër. Lantjângà lébârà padë.

Een ijzeren ledikant.

Katêdoengan

De bedroefdheid

Kësossa-an

is niet gehuicheld.

bëssè.

taq thakantha.

165

De oppassing

is minder

goed.

Gebrek aan slaap. Neen, volstrekt geen vriend. Diarrhee is niet erg aangenaam. Een zeer klein verblijf. Mij is een kind geboren. Kunde wordt altijd geprezen. De koopsom is vijf gulden.

Een mooie ankerplaats. De hangmat is al kapot.

Dit

Këraksa-an korang bëtje. Këkorangan têdoeng. Nja, bänè kasarmôan. Képadângan taq pattè njaman.‘ kènè sakalè. . Këtamôjan kaole. Kapintëran patjöt i além. Kablienà sapôlô sòkô. Kënëngan

Pëlâboean

bàkoes. laq rossak.

Pëngossongan

Een ledige ruif. Een prettige dienst. De bank van leening

Pëmandian jëria tadë aèngà! Pëmakanan kottong. Pangkgöbâjan léboer. Pëngkgátian i këpong orèng.

De kleeren zijn in de kast gelegd.

Pëmintaq-an përtjôma phàè. Pësôrattan‘ tjapoq òtjân. Pëngangkoej i Sabbë i lamari.

had is zonder

water!

wordt door mensehen belegerd. Het verzoek is slechts tevergeefs. De postloop’er heeft regen gehad.’

Een hengst en een merrie. Die man slaat zijn vrouw. De vrouw bemint bare kinderen.

Een vrouw met haar man. Is moeder al naar huis gekomen?

Wat blijft vader lang uit! ‚ Deze maagd weet de harten te stelen. Die jongeling is gisteren door zijn ’

kameraad afgeranseld. De teef van mijnheer heeft jongen geworpen.

Breng deze brieven weg! Het verhaal is niet erg helder. Zijn al de mensehen reeds gekomen? Breng die flesschen in de provisie kamer. Gooi toch die schubben weg! Veel graten. De schapen‘zijn allen geschoren. Dat is mijn kip.

Jou haarvlechten worden door je jongere zuster gebruikt.



Tjörön lakè bàn tjörön bienê. Orèng lakè ria môkol bienênà. Orèng bienê Orèng bienê ëmboeq laq Emaq maq

nèssër kà anaq-én. phörëng lakênà. môlè?

tjè abietâ.

Prabân jëria tao ngala atênà orèng. Lantjing roewa bâri i antëm phörëngà.

Pattè-ën toean

a boedoe.

Ratsôrat ria atér aki! Tjërêta taq pattè trang. Rèngorèng laq dötëng kappi? K0ppèkoppè jëria sabbë i sëpèn. Sèssèsèssè

ria, boeang

ra!

Langtôlang banjaq. ëmbi padë i kgoenting boeloenà. Sang

andi

adjâm

jèroea.

Paksôpakà baq-ën i angkoej alè-ën.

166

Wat zijn die kinderen toch halsstarrig. De zieken van eergisteren zijn weer allen gezond.

Allen hebben ’t bevel reeds ont vangen. De vier brieven

|‘ | E l l 1

zijn

ze allen _v_. __



kappL

Amponi printaè

sëdödjë.

Sòrat sakabàn ampon

zijn reeds alle

bezorgd.

Werkelijk

Nakanaq maq tjè pëngkôna. Sè sakè kadoeâmalëmënà laq issak

i atër

aki

sëdödjë. Lërës sakè sëdödjë.

ziek.

/

Sidin brengt een brief weg. Mijnheer berijdt een ’schimmel. De voetmaat is te kort. Dit lijnwaad wordt duur verkocht. Het geluid wordt in de verte gehoord. Mina, roep je oudere broer! De kok (kokkin) kookt rijst. Stout is dit kind. Onbeleefd is uw praten.

Sidin atër aki sôrat. Toean nompaq tjörön tàboek. Kakêan korang lantjâng. Laboen ria i tjoeàl larang. Kassaq-ën i kêdieng i tjâonà. Mina, katôwèn kakkaq-ën!

De breedte der tafel. De vrouw van den dorpspriester.

Lébärà médjà. Bienênà mottien. Kglàssà sienjo. Tjètakkà tjapoel. Palangà labang. Boedoe-ën phönjak.

Kokki

à tana.

Nakkal anaq jëria. Sëlôrô

Het glas van den jongenheer. Het hoofd van den dwerg. De sluitboom der deur. De kuikens van de gans. Het kalf van een hollandsche koe. Het geluid van het rijtuig. Wat is de buik van mijnheer dik. Zijn praten lijkt naar niets. De tanden van mevrouw zijn wit. Zijn gedeelte is nog niet gereed.

pöntanà

ëmpè-ën

bàq-ën.

sappê bëlânthà.

Kassaq-ën karetta. Taboe-en toean tjè radjönà! òtjaq-ën maq taq karôan. Kgie‘kgienà njonnja pôtè. Bägiànnà kgi taq marè.

Een brief, den dokter gebracht. Groente aan den tuinman gevraagd. Het geld is aan uw moeder terug

Sòrat i atër aki ka toean doktër. Kgöngan i pintaq kà tôkang këpoen. Pèssênà i bàli aki kà ëmboe-ën.

gegeven. Persen i bäkgi ka sang trêtan. Oboe-ën i këtok. à nòrò sëkgëtjë blöka taq i bäkgi.

Het cadeau mijnen broeder gegeven. Hem werd ’t haar gekort. meegaan zelfs werd hem niet toegestaan. Het huis werd hem ontrukt.

Een oogenblik

helpt hare moeder. Mijnheer zet een tabaksschuur op. Deneema

Klampinà i sëntal aki. ‘\ i

Dënêma tôlong ëmboe-ën. Toean matëk goedang pökô.

167

Van morgen vroeg at ik rijst.

Ik

heb geen

l.

drukte.

Arliman verkoopt javaansche tabak.

Een reiger lust graag kikvorschen. De kok koopt specerijen.

Kokki



gebracht.

ge vier

Laq rimbi Boe Malar?

Kòtjing

à ngèjong. mënatô. KÒtjingà òtjaq-ën orèng sappênà bàq-ën pampaq? Njâ, ning sapassang. Orèngorèng sè kà passar lèrkèlèran.

trekbeesten? één

span.

markt gaan bij rijen. Vóór is iemand die een brief brengt. Gisteren waren er tien menschen, Menschen

die naar

de

die om medicijnen vroegen. Gisteren waren er tien menschen, die om medicijnen vroegen. Gisteren waren er tien menschen, die om medicijnen vroegen.

mëlè plappa.

patinggi.

Is vrouw Malar al bevallen? Welke kat mauwt daar? De kat van den waschbaas. Volgens ’t zeggen van de menschen hebt

|

Kòtjing bánè matjan. Badjärän tollos lakoena. Madjittà i kèbà ka bëngkônà

Een kat is geen tijger. De betaling gaat morgen door. Het lijk is naar het huis van het

Wel neen, slechts

tadë parlônà.

Arliman à tjoeäl pökô kènè. Djâgâllà njampli sappê bienê! Tôkang tjäè à tjàè tjëlanà. Tjangak toedjàn kà kata.

De slachter slacht een koe! De kleermaker naait een broek.

dorpshoofd

Kgëlà kgi lakoe ’ngkô ngakan nassè. Sèngkô

sè këmaq

I addë-ânbàdë orèng mpëkta sôrat. Bâri bâdë orèng sapôlô mintaq tjâmô. Bàri bâdë orèng sapôlô mintaq tjämô. Bari bâdë orèng sapôlô mintaq l

tjâmó.

(Bijvoegelijke Naamwoorden.) Dun lijnwaad. Fijne zijde. Een lang (hoog) man. De linkerhand. Een groote slang. Een diepe rivier. De rivier is diep. Deze rottingmat is grof. Zijn zijne bevelen niet duidelijk? Is de waterkruik vol? De dochter van mijn broeder. Is dat oude huis van jou? Een schoone vrouw. Berijd niet het bonte Stoute

kinderen.

paard.

Laboen têpès. Sôtra alos. Ürèng tingki. Tannang katjèr. Ôlar radjë. Songaj dölëm. Songajà dölëm. Lantaj ria kassar.

Taq trang printanà? Possaq kënthienà? Anaq bienê sang trêtan. Bëngkô toewa roewa, andi-én bàq-ën? Orèng bienê rattien. Tjörön bëlàng tjâ tompaq.

Nakkanaq nakkal.

al

is

is

is

is is

is

is

is

overwinnen?) het hoogst. Die om de noord Wat dat mooi! Te diep die rivier. Veel te veel bezoek. Wat dat kind schrikkelijk zwaar. Wat dat scherp! Wat heb ik toch moeite. Het vleesch te zout. Wat mij aangaat, ik weet dat zoo zeer niet. _ zoo erg niet. Zijn ziekte Dit brood zoo erg lekker niet.

Dit

Er Er

is is

Is

is

is

is

anders dan zijde. Iets anders ook geschikt. Is dit misschien de zak? Een andere. De mijne mooier. dit die persoon, dien we gisteren ontmoetten? Een geheel ander. Al de lieden zijn reeds naar huis. De vruchten zijn alle weggebracht. Al deze kinderen houden van gebak.

deur, welke niet piept. er geen die niet kraakt.

geen

i

i

bàq-ën. Sappênà bäq-ën tang sappê, tjê athoe-à, sè këmaq sè ménanga?



dödjë

roewa tingki thiebi.

Tjè bàkoessà! Dölëm

kiloe

songajà.

Banjaq tiloe tamôj. Anaq jëria maq tjè brâ-ën! Maq tjè tatjëmà! Sèngkô maq sossasossa kiloe. Sëthë-sëthë tiloe tjoekoq ria. Mong sèngkô taq pattè tao. Sakè-ën

taq pattè

sara.

Rotti ria taq pattè

1ëmaq.

Laèn sôtra jëria. Laènlaèn kratoe gia. Amè jëria kantongà? Bànè. Sang andi lëbi bàkoes. sè tëtëmoe bâri?

Apa orèng ria Bànèan

sakalè.

Kantjakantja

laq môlè kappi. atër aki kakappi. Kappi nakkanaq ria toedjân kà

Boewànà

tjàtjân. Tadë labang Tadë sè taq

sè taq

à

is

is

als we ze eens lieten vechten, welke zou dan het sterkste zijn? (welk zou en de mijne,

a

is

is

is

is

Uw trekbeesten

Tjàtjânà Pa Nor lëmaq-an. Laboen tjoeàl këlarangën. Thömar ria këtêraq-ën. ôdâng ria larang sakalè. Slèmot ria tèpès sakalè. ôthëngà radjë kiloe. Tjoekoq ria sëthë tiloe. Sèngkô sôki thiebi. Kadjoean roewa tingki thiebi. Bàgoes sang tjörön bàn tjörönà i

was die ontslagen onverdraagzamer. Het gebak van Pa Nor lekkerder. Het lijnwaad wordt te duur verkocht. Dat licht te scherp. Die garnalen zijn zeer duur. Deze deken zeer dun. De hoofddoek te groot. Dit vleesch te zout. Ik ben het rijkst. Dat geboomte het hoogst. mooier dan jou paard. Mijn paard is

De mandoer

Klampi pëthö. Lattieng tatjëm. Këntang ria lëbi bàkoes. Kërëngan mandoer sè lëpas roewa.

i

is,

Een kapot kleed, jas, baadje. Een scherp mes. Deze aardappelen zijn mooier.



168

kérnjot.

monjê.

169

’t Is‘alles bruin riet. De oorringen van Marie zijn louter goud.

Mëlòlô tëpoc mèra. Mëlôlô mas antimgantingà

Alles gespikkelde tabak. Wat ik door hengelen verkregen heb, zijn niets anders dan kleine visschen. Het riet van den geheelen tuin ‘is

Mëlôlò pökô toltol. ôlènà mantjing, mëlôlô tjoekoq

omgevallen

Marie.

lompoe. Sa-këpoen rôpoe kappi tëpoenà.

(gelegerd). Sa-Ôlènà namën laphës Òtjân kappi. Sa-tiessa këtônon kappi. Sa-arê bënting òtjân.

Een gouden ring. Deze ring is van goud. Een tafel van djatihout. Een ijzeren emmer.

Sëloq mas. Sëloq jëria mas. Médjà kadjoe djâtè. ëtang bëssè. Pèssê pottê bän pèssê tampas. ëmas kraboe-ën Komissa?

Zilvergeld en kopergeld. van Zijn de oorkrabben

Komissa van goud? Papieren en lederen zonneschermen. Geel koper ..... ’t is geen goud! Hinder dien oude niet. Kom hier, gij stouterdl

Kannaq

is

is

is

is is is

smeltbaar. ook smeltbaar. niet smeltbaar. De beet van een adder doodelijk. Er reeds een reukje aan dat ge braden vleesch. Deze gekookte pisang niet zoet genoeg.

krieng



boelân

Marra nakkanaq. marra boentërà orèng kadientoq?

Boentërà

Kathi Kathi

têlor.

këmpàng kadientoq alékà. Masè takoq bâq-ën. Masè tingël orèng jëria. Mas këning antjar aki. Sëlaka këning gia antjâr aki. antjàr aki.‘ Kadjoe taq këning kèkè ôlar bëlàng Ôlè mattè. Tjoekoq kgorieng roea laq bao. i

Jij

Gelijk aan kinderen, kinderachtig. Het ronde is rond als een ei. Als deze persoon? Als deze bloemen, de geur. zijt vreesachtig. Hij lijkt wel doof te zijn.

tamphà? Sèngkô ria brampaq — bâè?

i

toch



i

bij dat zoete.

ziekelijk.

Zilver Hout

roea tjâ kgangkgoe. tambëng. Sè manis tjä njimboe kgoelâ. Orèng sake kôrèng maq taq njarè Se toewa

geen geneesmiddel? Ik, hoeveel maanden ben ik steeds

Goud

Padj oengtëlobängbân padj oeng kòlè. Konningan, bânè ëmas!

I

Doe geen suiker

Waarom zoekt die schurftige

i

Alles wat hij plantte is weggeregend. Het geheele dorp is afgebrand. Een ganschen dag regen.

Këthöng kolloppan ria korang manis.

170

Kgoriengan tjoekoq jëria kètjap? Karê tjoekoq tassè.

Hebt je soja bij dat gebraad gevoegd?

Kerrie van zeevisch.

i

simboe

Njior

Hooge klappen en pinangboomen. Rood aangezicht en roode handen. Een rijk en goed heer. Fijne, zware zijde. Lang en wijd is zijn baadje. Goede en vuile eieren. Rivier- en zeevisch. Zijn vrouw en kinderen zijn allen ziek.

î ì

bän pènang tingki. Moa bàn tannang méra. Toean sôki, bëtjè. Sôtra alos, bërà.

Lantjâng, lorkgë klampinà. Tëlor bëtjè bàn tëlor sëmpoeroekan. Tjoekoq songaj bàn tjoekoq tassè. Anaq bienênà padë krieng.

(Persoonlijke Voornaamwoorden.)

Ik

mee

om

te doen?

koop (kocht) een groot huis. Ben ik ’t niet, die weer vergeten



Sèngkô Sèngkô

këphoeroe. maq taq

i

heb haast.

atjàk?

Sèngkô mëlè bëngkô radjë. Taq sèngkô sè loppot aki pòlè? i

Ik

Waarom ben ik niet gevraagd

wordt?

geloof je. Geloof je me? Ik zal (gekookte) rijst zenden. Ik heb nooit zulk een ziekte gehad! En ik dan zou ’t weten'.J

Ik kan zulk een belofte niet geven. Geloof me toch, waarom zou ik Als

liegen! ge zóó zijt, zal ik niet helpen.

Waarom word ik door U berispt. Gij kunt mijn kameraad niet zijn. Ik ben bang voor U.

is

is,

Dus deel ik niet mee? Als ’t zoo gelegen ga ik maar naar huis. Dit volstrekt mijn schuld niet.

ollok? përtjadjà bàq-en. Bâq-en përtjadjâ kà sèngkô?

ëngkô Sèngkô

Boelë ngèrèmà nassè. Boelë tao iao sakè dërientoq! Boelé pôlè, taoà? Boelë taq Ôlè tjântji bërientoq. Përtjadjâ napè, boelë tar lètjikl.

Tieka mong dërientoq,

koelë taq

nollongënà. thoekani tieka. Boelë maq Tieka taq Ôlè phörëng boelë.

Kaole takoq kà sampéan. èpon kaole taq mêlô? Këlamon sapanèka kaolë plémannà

Marè

biesaos.



Ik

à

Word ik geroepen?

ëngkô taq kélëm nòrò. Iejà, Sèngkô laq tao.

i

niet meegaan. weet het al.

i

Ik wil Ja, ik

Kadientoq bànè salanà kaolë.

171

Mijn tegal is reeds beploegd.

Tëkgöl kaolë ampon ‚

Ik verlang naar U. Wanneer komt U eens bij me?

‘‘

’t Is werkelijk, ik misleidde nooit iemand. Als U met mij eens naar de markt

wat gingt, denken?

zoudt

l !

U daarvan

_‚

Kaolë krong kà sampéan. Sampéan bielë èpon dötëng kà bëngkô kaolë? Lërës, kaolë taq onning nggpossèn orèng. Sampéan tjätjàl èntar kà passar sarëng kaolë, kathi pënapa?

.

N. M. “

jij

’t Wordt niet door mij toegestaan. Ik vraag er immers niet om. A1 ben nog zoo groot, toch durfik.

marè i tang

kgölë.

\

K. Taq i bàkgi bân ëngkô. Môla boelë sè mintaq. Maskè

'

bàq-ën radjë, böngal gia éngkô. Tieka maq ngampoel? Laq badjàr ôtangà bâq-ën? Ingki, kaolë ampon madjàr. Marènà më1êà pôlè?



naq (anaq)!

’t

( ‘

is

Bienê

is

U

isson ampon

tadë.

Laq tjong! tjà tanja kà isson. orèng saè ongkoe. Apënapa maq taq parrèng aki këlabàn sampéan? Sampéan pëna, èntar sëkgëtjë.

i

!

gestaan? er toch een oogenblik

laq toewa,

sapënapa

Sampéan

U

U

Ga

à

Isson

Mong isson taq kala bân lambà.

al

ben verlies

Ê

i

oud, kind! niet bij vroegere tijden ‘ (vergeleken). overleden. Mijn vrouw Schei uit, jongen! vraag mij niet. een oprecht goed mensch. Waarom wordt het niet door toe-

Ik

tjëting

j

Ik

Tieka kgöbâj banjaq-ën?

ì

je

heb reeds betaald. Dus wil opnieuw koopen? Hoeveel rijstmandjes maakt ge wel?

!

Ja, ik



je

al

, i

je

Waarom maakt ge boos? Is schuld betaald?

heen!

NGOKO. Bàq-ën laq tao èntar dënaq? Patjöt bäq-ën tjè nakkallà.

Jou rijstaanplant lukt niet erg. Waarom handel toch zoo? Jij voert zoo wat niets uit.

Pantjà-ën bàq-ên taq pattè tôtti. Bäq-ën ria, arapà maq dëria? Bàq-ën maq ngangkoer phâè.

bent

Malëmà

je

Jij

jij

wel eens hier geweest? altijd zeer ondeugend. Waarom heb jevannacht overnacht? Ben

maq ngênëp

bàq-ën!

.‘

Is

al

Hebt ge rotting gekocht? uw mes scherp?



MADIO. Tieka ampon mëlê mëntjàlien? Tatjëm lattiengà tieka?

172

Wees toch zoo gemelijk niet! Voor hoeveel hebt ge uw paard ver

Tieka tjà ngispëngis Tjörön tieka i tjoeàl

kocht? Zijt ge ziekelijk, omdat

Tieka krieng maq lëkas môkoek?

ge zoo gauw

ënapè!

brampaq?

op zijt?

KROMO. Is u het eiland Madoera reeds bekend? ‘ U heeft gelijk. Voor hoeveel kocht U die ganzen?

Wanneer gaat U om de oost? Uw hoed is achtergebleven. Uw kind heeft hoofdpijn. De mandoer heeft uw bevelen opge volgd.

Sampéan ampon onning poeloe Ma thoerâ? Lërës sampéan. Sampéan mëlè phönjak, kan sapënapa? Sampéan biele èpon dë têmor? SongkÔ-ën sampëan tjètjèr. Anaq sampéan këtalô. Mandoer ampon nòrò printanà sampéan.

.K. Ga zelf maar naar de markt. Ben je nog jong? Uw bendi is al wrak. Uw zuster is zeer schoon. Hoeveel belasting krijgt ge per

Thiebi-ën phàè èntar kà passar. Thiebi-ën kgi ngôdë? Bendinà thiebi-én laq tësok. Trêtan thiebi-én tjè rattienà! Thiebi-ën brampaq badjàrrânà

maand?

saboelàn?

Gij zijt koortsachtig, waarom medicijnen

niet

gevraagd?

Thiebi-ën krëskës, maq taq mintaq tjàmô?

wij die rijst niet binnen . gebracht? Wij zijn steeds vrienden.

Taq sèngkô phörëng bâq-ën sè mas soq aki paddi ria? Kaolë sarëng sampëan ampon sarmô

Laat ons die ossen-harddraverij

Tieka

Hebben

eens

lijden van mijnheer allen arm.

in,

zij

gaan zien. Wij overwinnen. Zij zijn allen gehaast. Wij zijn al even arm.. Zij zijn menschen van de noord. Deze menschen roepen het mede

zijn

biesaos. bi boelé

òti èntar ningkoe kêrap sappê roewa. ëngkô bi bâq-ën sè mënang. Orèngorèng ria- pade këphoeroe. Tieka bân boelë pade miskin. Kantjakantja ria orèng dâri dödjë. Orèngorèng kadientoq njo-on kabë làssannà toean, padë taq andi.

_

173

is

’t

U

i

Aria bienênà Pa Alim. Aroewa 1akênà Dërina. Aria sè ôkom? Taq bàkgiànnà jëria lakoena malëm? Sëdoeamalëm aria sè èntarra. Marènà taq jëria sè ngòngò-an phâè?

i

Aria bökallà Seriman? Taq inggroea sè tötti patinggi. Panèka pëna orèngà sè sarê doeâ arê.

Kaolë, kèlamon kapanggi orèng bienê panèka, kathi orèng possang. Abëra, bienênà sapa jëroewa? Sampéan timpàli. Kaolë èpon orèng kènè. ‘ Kaolë sarëng sampéan ampon taq èngaq nglangkar printa. i

’t

is zij zij

is

Is

Zij (dit) is de vr0uw van Pa Alim. Hij (dat) is de man van Derina. Is hij gevonnist? Is ’t zijn beurt niet morgen avond? Hij zal er overmorgen heengaan. Is (hij) niet, die steeds moppert? de beminde van Seriman? immers dorpshoofd geworden? Hij Daar hij, wien we twee dagen ge zocht hebben. Als ik haar ontmoet, dan ben ik als een verward mensch. Kijk eens, wiens vrouw zij? wordt verzocht te komen. Ik ben een gering (kleine) man. minste idee om de Wij hebben niet bevelen te overtreden.

is

is

is

is

i

je

i

i

al

i

is

is

is

(Bezittelijke Voornaamwoorden.) om de noord geloopen. Mijn paard Tang tjörön boeroe dë dödjë. Dit immers mijn neef? Taq sang pënakkan jëria? Het mijne met vijf gulden betaald. Sang andi badjâr sapôlô sôkô. Wien behoort die hoofddoek? Sapa andi ôthëng jëria? Mij. Sang andi. _ Gaat uw kind school? Anaq-ën tieka mpon sëkôla aki? Laat ge uw koe ploegen? Sappêna tieka paq nangkgölë? Is mandoer ontslagen? Mandoerà baq-ën lëpas? Jou huis bijzonder klein. Bëngkonà bàq-ën tjè kènè-ën. Is dit werkelijk uwe regeling? Lërës atorrannà sampéan? Uw paraplu reeds gehavend. Padjoengà sampéan ampon rossak. ook gehavend. Mijn paraplu Sang padjoeng rossak gia. reeds geoogst. Mijn maïs Tjâkoeng kaolë ampon marèi pôlong. Aan wie behoort deze akker? Poemê kadientoq kagoengân



is

’t

is

is

verwoest. De schroefsleutel van de bendi verloren. Uit het zeewater wordt zout gehaald. De kat heeft vijf jongen. De zaak van dien dief uitgemaakt. Erfdeel van Pa Nèma zoo groot niet.

passêraq? Sôrnorrà laq assat.

i

i

i

tjongkè kakappi. Anaq-ën Lakênà pingkot. Këmpangà rossak aki òtjân. èngkollà

bendi

élang.

kala aki boedjâ. Aèng tassè Boedoe-ën kòtjing lêma. Perkarana maling roewa laq pòtos. Sangkollannà Pa Nèma taq pattè ‚i

is

is

reeds uitgedroogd. Zijn put Al zijn kinderen zijn ingeënt. Haar man gevangen genomen. Zijn bloemen zijn door den regen

banjaq.

174

Depatroonvandezemensehenisziek. Des patinggi’s gamelan is zeer helder van toon. De hemel van ’t ledikant is zeer vuil. Deze koe geeft veel melk.

!

Lôranà kantja jëria sakè. Tapoeanna patinggi tjè ranjingà. Kgâpâkà katêdoengan këthö sakalè. Aèng sossônà sappê ria lëpoer.

(Aanwijzende Voornaamwoorden.) Wien behoort dit touw? Sapa andi tampar ria? Dit is het kind van Boe Sedjati. Aria anaq-én Boeq Sëdjati. Wiens akker is dat aan den noord P0emênà sapa i dödjönà lôrong kant van den weg? roewa? Is die zaak nog al niet afgeloopen? Perkara ria kgi taq pôtos gia? Is dit nieuw geld? Tontô pêssè anjar? Hier is uwe betaling. Nèkô badjàrânnà tieka. Dit is het erf van den schrijver. Panèka pëkarangannà tjoertôlis. Wat is dit lijnwaad grof! Laboenà maq kassar dëria! Tieka tjä ngòtjaq dërientoq. Gij moet zÓÓ niet spreken. Als het zóó is ga ik naar huis. Këlamon sapanèka kaole plémannà. Geef zulk een stout kind geen Anaq nakkal dëria tjà bri tjâtjàn. koekjes.

Is zulk een hoeveelheid wel toe reikend? Hier is een lekker plekje. Hier is de plaats om ’t neer te leggen. Hier zijn de eieren, welke mevrouw gevraagd

Bëria banjaq-ën môla mëndàng? Dienaq kënëngan njaman. ‘Kaintoq pënjabbë-ënà. Kadientoq tëlôrà se i pintaq njonnja.

heeft.

Waarom ook daar niet doorzocht? Ik bracht het daar. Daar zijn geen planters. Daar is de grond werkelijk mager. Kom dan toch hier! Kom hier, kind! ik zal U geld geven. Kom toch hier, sta zoo niet in de hitte.

Arapa taq njassak kaieja sakalè? I kèbà kaissà bân ëngkô. Kaiessà tadë orèng namën.

Ik

Kaolë ampon kakantoq.

gaf reeds bevel het hierheen te brengen. Als ik ’t eens hierheen bracht, wat zou U ervan denken? Gaat ge daar langs? Daar is de rivier makkelijk te door waden. Nu heb ik het druk. Als ’t kan wil ik er nu heengaan. Zou het nu doorgaan? Ga er onverwijld heen! Op dit oogenblik

wordt ’t gevraagd.

Kadiessà tana ra!

kôros

ongkoean.

Dënaq

Kannaq ra, naq! i brienà pêssè. Koantoq ënapè, tjà-ënëngi panassà.

Tjàtjàl

a

i kèbà

printai

sôrô atër aki

kakantoq, kathi

pënapa?

Maq njimpang koiessà? _Koiessà kgàmpang

nërapës songajà.

Sëtiea sèngkô rèpot. Mong ôlè èntarrà sëtiea.

Môla sëtiea töttinà? Èntarrè, sëtiea gia! Sëtiea gia i pintaq.

'

175

Ja, ’k ga onmiddellijk weg. Nu wordt U verzocht te komen.

î

U wordt uitgenoodigd naar het huis van den patinggi te komen en wel op ’t oogenblik. Terwijl de regen reeds heeft opge

Ieja, tjölönà sëtiea gia. tjoekgâi timpàli. i timpàli kà bëngkônà Sampéan patinggi sëmangkën tjoekgën? Mangkèn

Pompong òtjän laq amboe....

houden ..... ’t Is nu pleizierig op reis te gaan. Toen je om de oost gingt, was ik juist achter je. Daar is immers mijn huis. Dit is mijn kind.

Pompong sëtiea njaman à tjölönà. Kalanà bàq-ën dë têmor sèngkô tëpaq bàdë i boedinà. Inggroewa taq bèngkô kaolë. Aria sang anaq. Orèng roewa lébât dëmaq? Lôra roewa, laq! tjè kërëngà. ’

Waar gaat die man langs? Dat hoofd, schei uit! is zeer streng.

Ik ben zoo even gekomen. Zoo even waren ze met hun tienen. Daar straks heb je al gegeten, moet je nu weer eten? Zijn rijst werd hem daar straks ge zonden. Ik wacht van daar straks al op je. Van daar straks af doe ik niets als

Sèngkô phoeroe dötëng. Phoeroe bàdë kantja sapôlê. Kgëlâ laq ngakan, sëtiea ngakannà pôlè? Nassè-ën

bâq-ën. Voornaamwoorden.)

je daar? houdt uw mandje in? heeft U verkregen? wordt er geroepen? is uw metgezel?

Hoe heet ge?

Wie zal

er heengaan, er is immers — niets te doen. Wie begeleidt den heer controleur? Hoe is de weg om de zuid? Hoe is jou werk toch? _ Hoe is ’t met U, is U ziek?

î

jij

langsep koopen, hoeveel kos ten de 100 stuks? Voor hoeveel kocht je dat schaap? Dat paard van mijnheer is zeer mooi, hoe groot is de koopsom? Waar ga heen?

U

weer heen?

Waar komt

sè pèkol bàq-ën? ënapè èssênà krântjàngà tieka? Pënapa ôlènà sampéan?

ollok? Sapa Sapa phöröngà bâq-ën? Sapa jamanà tieka? Sapa èntarrà, orèng tadë ënapênà. Passêraq ngèrèng toean kontrôlir? Bèrëmaq tjölönà dë lao? Dërëmaq lakônà bàq-ën? Kathi pënapa sampéan, sakè? Mëlêa langsëp, kan brampaq satossà?

Ik wil

zijt pas gekomen, waar gaat

Apa

i

Ê

draag

i

(Vragende

Ge

kgëlâ.

Bâq-ën i dantè-è kgëlâ kgi môla. Kgëlà kgi môla ëngkô nangkgölà

ploegen.

Wat Wat Wat Wie Wie

i kèrèm

ge nu

ëmbi jëria bàq-ën mëlè brampaq? bàkoesà tjörönà toean, sapënapa

Tjè \

kablienà? Dëmaq-à bàq-ën? Phoeroe dötëng tieka, këmaq-à pôlè sè èntarrenà?

vandaan?

Dâri kadiemaq èpon sampéan?

176

Dit is

(Betrekkelijke Voornaamwoorden.) ik gelast heb Poemê jëria sè

de akker, welken

te ploegen. Dit is de persoon, die 15 dagen op sluiting heeft gekregen. De brief, welke reeds door mij be zorgd is. Het paard, dat zoo even verkocht is. De koekjes, welke je moeder gaf. Welk paard Zult gij berijden? Dat ondeugende maar. Dat is de mandoer, wiens huis ver brand is. Het is het kind van Biena, ’t welk door een tijger is opgegeten.

Het hout, dat door den timmerman bekapt is. Is dat het kind, welks aangezicht door de kat is gekrabd? Daar is dat paard, ’t welk altijd uitglijdt. De tabak, die Alam rookt, is zwaar. Wiens erf is dit? Wiens zadel gebruikt ge? De man, wiens akker dit is. Het hout, dat niet wil vlammen. Het vuur, dat niet is uitgebluscht. De vrouw, wier kind is gestorven. Mevrouw, wier man kapitein is. Alima, wier tanden gisteren gevijld zijn. Pa Bati, wiens kind is besneden. Mijnheer A., wiens jongen is weg geloopen. De zak, welke

reeds ledig is.

Het fijne moogt ge niet nemen. ’t Was immers mijnheer die gelastte? De man is bijzonder lastig. De linksche loopt altijd zoo. Altijd wordt de oudste geprezen. Welk zult gij nemen? Welke hebben wij gisteren ontmoet? Welke verlangt U?

ëngkô. Aria orèngà bläs arê.

Sôrat



Tjörön

i

sòrò nangkgölë

bân

‚ sè i

arrès (i tôtop) lêma

laq i atër aki bàn sèngkô.

tjoeàl phoeroe. bri ëmboeq-ën. këmaq i tompaq-à?

sè i

Tjâtjân

sè i

Tjörön sè Sè nakkal roewa bâè. Aria mandoerà sè këtônon bëngkônà. Anaq-ën Biena Kadjoe



i’ palpal



Anaq jëria



i kakan matjan. tôkangà.

i tjakkar

kòtjing

moanà?

Aria tjörönà



tëplêtjok bâè.

Pökô sè i rôkoq Alam ampëk. Sapa andi pèkarangan jëria? Lapaq-ën sapa i angkoej? Orèng sè andi poemê jëria. Kadjoe sè taq këlëm rëpâng. sè taq i pattè-è. Orèng bienê sè mattè anaq-én. Njonnja, sè tötti kaptèn ‘ toeanà.

Apôj

Alima



i papar bàri.

Pa Bati sè i sônat anaq-ën.. Toean A. sè mienggàt djongësà. Kantongà sè laq tadë èssênà. alos tjâ ngala. Taq toean sè sòrò? Sè lakè maq tjè tjërèmênà. Sè katjèr patjöt dëria boeroenà. Sè

Sè toewa bâè i alëm. Sè këmaq bâq-ën ngala-à? Sè kakèmaq ’sè këpanggi bâri? Sè kakèmaq èpon sampéan montoet?

177

Voornaamwoorden.)

ria mong kà passar, thoek kgi taq môlè.

Orèngorèng

Patjöt



à

(Onbepaalde

Als die lieden naar de markt gaan, zijn ze om 12 ure (middag) nog niet thuis. Gewoonlijk geven de groote lui be



printa orèng akgoeng.

velen.

mijnheer.

is

je je

Wat er, ventje! dat oogen zoo wijd openzet? Niets, mijnheer! ik kijk maar.

Ik ontvang

soort van geld. Allerlei verkoopers op de markt. lederen dag rijd ik te paard. Iedereen weet dat ik niets bezit. allerlei

koopt men, zij, hij, specerijen in mijn winkeltje. mor Gewoonlijk komt hij, men, ‘

’s

Gewoonlijk

’t

je

’t

’t

is

gens vroeg. Dit kind vandaag zeer stout, vroe ger was het niet zoo. Ja, als maar wat opbrengt. maar niet verloren raakt. Goed, als Als maar terugbrengt. Om maar eens daarheen te gaan. Omdat hij eigenlijk niet wil. Al wie hier passeert wordt door mij geslagen. A1 wie

zijn kinderen

wil laten in

enten, moeten morgen komen. Beiden zijn reeds ingeënt.

i

i

a

dëria?

Taq pënapa toean, saking ningkoe' biesaos. Saphöröng pêssè sèngkô trêma. Saphöröng orèng tjoeàllan passar. Sapën arê sèngkô nompaq tjörön. Sapën orèng tao sèngkô taq andi i

man?

sakalè. Sapënà mëlè plappa Sapënà

i

er,

niets,

sang bâroeng.

kgi lakgoe dötëng.

Anaq ria tjè tambëngà arê tiea, sapën-sapënà taq dëria. ‚ Iejâ, sôkor bâdë ôlênà. Iejâ, sôkor taq i‚élang aki bàè. Sòkor bâli aki. Saking èntar. Saking taq këlëm. antëm bàn Sapa sè lébat dienaq i

is

Er

is

dan?

Wat

ëngkô. Sapa sè mintaq tjongkè anaq-én, sòrò èntar lakoena. Doeâdoeà laq marè tjongkè.

i

is,

Deze brug durft niemand passeeren. Als er niets waarom wacht ge

kètjoq? Ngòtjaq mong bâdë apapa (apa-apa). Tadë orèng sè taq mattêà. Kglàtàk ria tadë orèng böngal lébat. dantè Mong tadë napènapè, ënapè tieka? Apa (arapa) man? Taq pénapa toean. Arapa tjong, matanà maq mantëliek i

gestolen. Die menscher‚1 staan het niet toe. Reeds lang zoek ik mijn grasmes, men heeft ’t misschien gestolen? Spreek, als er wat is! Niemand is er die niet z’al sterven.

Orèngorèng boeangan. Orèng Mathoerâ thôthô taq pattè_ sôka ngotjaq- mëladjoe. Tang sappê bienê kètjoq orèng malëmmà. Taq bâkgi bân orèngorèng ria. Laq abiet ëngkô njarê sang arè, amè

i

‚ Bannelingen. Een echt Madoerees houdt niet erg van maleisch spreken. Men heeft gisteravond mijn koe

12

f78 Beide

mijne helder.

oogon

zijn

niet

erg

De werklieden houden allen reeds op. deze kippen zijn door mijnhecrs

Al

kok gekocht. De duiven zijn alle losgelaten. Ik en zijn beiden arm. ’t Is even goed als ’t maar gelukt. Zij gaan allen naar de stad. Man en vrouw zijn evenzeer morrig. Helpt toch allen wat! ’s Avonds gaan ze allen naar huis. leder mensch kan hier zoo maar niet binnenkomen. Alles wat er maar gegeven wordt, onverschillig wat. Op de markt, 0 je! geen gebrek aan allerlei soort van bloemen, rot bultzak-

tingmatten, lijnwaad, ken, er is vanalles.

Sang mata doeâdoeà taq pattè trang.

Koelinà laq amboe kappi. Kappi adjâm jëria kokkina toean mèlè.

.

Manoq thörö i òtjol kappi. ëngkô bân bäq-ën padë miskin. Padë bàè, Sôkor tötti. Padë èntar kà kotta. Lakè bienê pade rjërêmê. Padë tôlong, ra! Malëm padë môlè. Sarôbânà orèng taq ôlè lëpoe ning dienaq. Apa sè i bri phâè, sarôbâna.

I passar, pjè, pjè! taq korang kêm lantajlantaj, 1a pàng-këmpäng, boon, bâdë.

kassorkassor,

saphöröng

(Werkwoorden) Tabak stapelen. Suiker eten. Dit kind zoekt zijn (ouderen)broeder. Deze jongejuffers hebben kuren. Den

grond

omhakken,

opdat

het

onkruid doodga. Duiven in een net vangen. Schuld voldoen. Een buffel stelen.

Nompoq pökô. Ngakan kgoelâ. Anaq ria njarè kakkaq-ën. Nonnanonna jëria à pôkal. a landoe tananà, maq matte rom bocnà.

Dat paard schopt maar (slaat steeds.) ‘ Is mijnheer klaar met scheren? Die is altijd maar naakt! Heb toch geen kuren, kind!

Nalkop manoq thörö. Madjär ôtang. Ngètjoq karpoej. Sèngkô mèkol njior. Tjörön ria ngëtè phâè. Toean ampon marè à tjôkor? Aroewa maq à bângkang phaèn! Tjà à pôkal ra, naq!

Wat is er op zijn akker geplant? Het licht uitdooven.

Mattè-èn thöm‘arrà.

Ik

draag

kokosnoten.

Zij beweent Zijne handen ’t Werd door De getuigen Als ’t niet reikt het

steeds haar man. schoonmaken. de baboe ontvangen. onderzoeken.

wat losgelaten niet.

wordt,

è

Poemênà

i tamënè

apa?

i tangissè bäè. Bërsè-è tannangà. I tampanè babie. Mriksanè saksênà. Mong taq i këndôri, taq noèkgë.

Sè lakè

179

Als ’t er bovenop gezet wordt, zou men dat niet toestaan? Stap er toch overheen! Bang voor die pinang, een zegt bij. ’t Is al verlengd, genoeg.

en nog



spook

is ’t niet ‘

Als mijn bevel niet wordt opgevolgd, klaag ik je aan. De steenen verwijderen. Schrijf dezen brief. Ik heb ’t al laten uitdiepen. Als je niet naar hem hoort.... Ik heb ’t reeds weggebracht. Ik liet het immers opzoeken? Het is verboden geworden. R01 de matten maar Op. Laat het aan zijn baas zien. Hij heeft zijn paard doen wegloopen. De rustbank zal buitengebraoht worden. De lieden zijn bijeen, vereenigd. Het trekbeest heeft dorst, laat het toch drinken! De brief is door De tuin werd

Japar alleen

Tjë i tompangè,

ontvangen. met koffiei

taq

i

bàkgi?

Laq lingka'è ra! Pènang ria i takoq-én, tjaq-ën tientöttien. Laq i lantjängi, ieja korang phàè.

Mong taq nòrò sang printa, i perkara aki. Ontoer aki bàtônà. Tôlis aki sôrat ria. Sèngkô laq sòrò dölëm

aki. Mong taq i kêdieng aki.... Laq i atër aki bân ëngkô. Taq sèngkô sè sòrò njarê aki. I larang aki. Têkërà kgoeloeng aki phâè.

Paqtao

kà lôranà.

Tjörönà i paq boeroe. Lintjakkà i paq kloearrà. Kantjanà i paq sètong. Sappênà

plëkaq,

paq ngênom,

ra!

Sôrattà i tampanè Japar. Këpoen i tamënè koppi mëlôlô.

beplant. ’t geld is reeds in zakken gedaan. Een mensch, dat de koorts heeft,

Orèng

wordt kinine gegeven. Het paard is gedrenkt geworden. De schapen worden door Laiman

Tjörön i ênommi. ëmbi i kgirieng Laiman.

gedreven. De getuigen zijn allen reeds verhoord.

Saksênà

Wiensdroogloodsbranddegisterenaf?

Goedangà

Pas op, ga niet te ver! Waar is mijn schaar, ze is weer weg!

Sèngaq, tjâ talébät! Dëmaq sang kgoenting, ’ pôlè!

Pa Bing werd eergisteren bestolen.

Paq Bing kamalingan kadoeâmalë

Al mijn maïs is door ’t water

Sang

Al



Pêssè laq i wöthöè karong kappi. këmèkiel i tjâmôè kina.

laq kapriksa kakappi. sapa këtônon bäri? laq tasingsal

mënà. weg—

tjâkoeng tëlanjô kakappi.

gevoerd.

Vouw ’t zorgvuldig op, niet gekruld.

om

Nglëmpit

sè bëtjè,

tjà paq pëlëkô.

180

Waarom heeft men mijn stok stuk gemaakt? De koffi (thee) is te zoet gemaakt. Waarom wordt ’t verborgen? Waar is de rijst opgeborgen? Waarmee werd de inkt vermengd? Gisteren werden twee koeien geslacht. Werden het paard de hoeven gekapt? Twee dieven werden gevangen.

Ik

woon ten huize van N.N. gaat kaneel koopen. Waar gaat ge heen? Ik dronk daar straks wijn. Waarom ben je gisteren niet ge komen? Laatst kocht ik om de west en kreeg

Jij

het voor een gulden. Vroeger was er in dat oostbosch geen gebrek aan tijgers. Al werd je vroeger een gulden per dag betaald, nu betaal ik maar een halven gulden. Morgen zal ik er heengaan. Jij zult dezen brief brengen. Overmorgen zal ik dit baadje aan doen. Wacht, hij zal ’t schrijven. Dus zal ik ze drijven? Wie zal uw land opmeten? Welken naam zullen wij hem geven? Zal ik de spaansche peper mengen?

Stort

de aarde in, dan gaat ’t huis

Sang tongkët

maq i paq rossak.

Withänga i paq manis tiloe. Arapa maq i paq ngêtëk?

I sabbë i diemaq bërässà? Mangsènnà i tjamboer apa? Sappê bienê dëdoeâ i sampli bàri. Tjörön i këtok kokkottà? Maling dëdoeâ i pingkot. Sèngkô monthoek i bëngkônà anô. Bâq-ën èntar mëlè këtjingal.

Thiebi-ën dëmaq-à? Sèngkô

kgëlà ngênom

anggor.

Bäq-ën bâri maq taq dötëng? Bilan sèngkô mèlè i bàrrë, maq

ôlè

kan sadjempël. Lambài alas têmor roewa taq korang

matjan. Maskè lambà bäq-ëni badjàr sadjem pël sa-arê, sëtiea sèngkô ning badjâr sasòkô. Lakoena sèngkô èntarrè. Bàq-ën sè ngèbâ-à sôrat ria. Sëdoeâmalëm klampi jëria sèngkô angkoejà.

Laon, aria

sè nôlissà. _Marènà sèngkô sè kgirieng akià? Sapa njèngkallà poemênà bâq-ën? I jama akià sapa? ëngkô ngòtjëkà tjappienà?

Koedjoer tananà, bëngkônà

nòrò.

mee.

vroeg komen, laat naar huis gaan. Rundvleesch verkoopen. Ware ’t niet onsterk, dan was het nog te gebruiken. Als je zoo stout niet waart.... Waren er tien mensehen... Hij zal immers wel naar huis gaan! Mijnheer N. N. zou gierig zijn?! Al regent het in geen tien dagen ..... A1 is de inkoopsprijs goedkoop... ’s Morgens

èntar kgi lakgoe,

môlè lëmmalëm.

Tjoeâl dàkgieng sappê. Òli taq alpoq, kgi këning i angkoej. òti taq nakkal dëria .....

Tjàtjàl

bàdë orèng sapôlô .....



Tar taq môlêà! Môla tjërè toean anô! Maskè taq òtjàn sapôlô arê ..... Töttià môdë kablienà .....

181

Mokgâ-à bèlàssà ..... Manthër 1aboeà bâq-ën ..... Manthër taq òtjânn.à dökgi..‘...

Heb medelijden ..... wou dat je viel ..... Ik hoop dat ’t straks niet regene ..... Er is geen enkel mensch! Zou ik dat weggenomen hebben?!

Ik

Op den gamelan

Tjè

tadé orèng sètongà! sè ngala?

Môla sèngkô

gaan spelen.

Napoeà

Sits gaan verkoopen.

tapoeân.

Tjoeàllà djita.

Gehaast naar huis te gaan. Geneesmiddelen zoeken.

Këphoeroe



môlèà.

Njarè tjâmô. Nalkop thörö. Kgämpang matrênà. Sara matjà-à.

Duiven vangen. Gemakkelijk te soldeeren. Moeielijk te lezen. Moeielijk neder te dalen. ’t Is niet goed lang te slapen. De rivier is lastig te passeeren. Zijn gaan is zeer gehaast. Moeder wacht lang met hare komst. Schreien

.‚

Sossa sè tôronnà. Têdoeng abiet korang bëtjò. Songajà sara lébatënà.

Tjölönà tjè kèphoeroenà. Abiet dötëngà ëmboeq.

en lachen.

Nangis

sambi

akglâ.

Stooten en achteruitschoppen. Zitten te zingen.

Njottoek sambi ngëtè. Todjoe bân ngètjoeng.

Breng dit tafellaken aan den wasch

Sassap ria kèbà ka. mênatô!

man.

Keer terug!

Bâli pôlè! Tontoeng orèng rial Tanja kà kakkaq-ën! Èntarrè kèdi lëmmalëm! Pattè- en thömarrà! Laq thânthàn ra, tjörönà!

J aag

dien mensch weg! Vraag het je ouderen broer! Ga er van avond heen! Doof ’t licht uit!

Maak je paard maar gereed!

Pak

‚ aan! Doe ’t goed wat je gelast wordt! Rapporteer ’t aan den patinggi! Reik het toe! Maak de sambal goed sterk, ja? Kom, help zoeken? Leer schrijven, opdat men je als wijs beschouwe. — Haal dit touw aan! Breng dezen brief weg, niet gene! Koop een tros van deze pisang. Ga nu toch nog niet weg! Doe ’t toch zÓÓ niet, ventje! Geef ’t mijne niet aan hem. Breng dat nog niet weg! Ga nog niet weg (wacht even).

Tampanè! Paq pëndër apa sè i sòrò bäq-ën! Rëpot aki kà patinggi!

Tjoeloe aki! Paq pëtës sampëlà, ieja? Ajoe, tôlong njarè!

Atjâr

nôlis,

maq i trêma

pintër

bâq-ën.

Talè ria tanjëng aki! Sòrat ria atër aki, jëroewa atjâ! Këthöng ria mëlè satondoen.

Tjà Tjâ

toeli ontoer, ra! dëria ra, tjong! Sang andi tjä bri ka jëroewa. Tjâ kèbà kiloe.

.‘

Tjâ

ëndér ontoer.

182

Ga toch zoo spoedig niet naar huis,

Tjëndër môlè ra, boeq!

ma!

Een oogenblikje nog. ’t Is zijn eigen schuld, hem werd last niet daarheen

Tjà ge

te gaan.

Hij zou nog even wachten

en

ging

ëndër! (Tjëndër!) Salanà thiebi, i sòrò tjâ èntar.

I

sòrò tjä toeli ontoer,

ontoer!

toch weg.

Als

vervolgd wordt, zal ik wel niet beschuldigd worden, jou is reeds gezegd niet zooveel praats te ge

Mong nemoe perkara taq kêra sèngkô i sala aki, laq i bàlàè bâq-ën tjà ‘ njaqbanjaq tjërêta!

hebben.

Ik

ga naar de loods (droogschuur). ga om de noord. Waarom zou ik niet naar de passar gaan? Niet pleizierig, ik ga slapen. Schreit ge? Zal ik de deur sluiten? Slaat het paard?

Ik



Is je kind wakker? Waar zal ik die snuif brengen? Zal ik het water uitschenken? Gaan we, of gaan we niet? Als ik er heenga, ga je dan mee? Zal ik die waterleiding meer uit



goedangà. De dödjëà. Maq taq kà passarrà?

Taq léboer, têdoengà

sèngkô. bàq-ën? Nottoppà labangà? Ngétè tjörönà? Ngêdieng anaq-én? Kèbà-à‘dëmaq sërgoe jëria? Tottaq-à aèngà? èntarrà, taq èntarrà? ëngkô mong èntar, nòrò-à bàq-ën? Kgalêà pòlè soksok ria? Nangis

graven?

(Bijwodrilen.)

Ik

ben nimmer

daar geweest. Hebt ge dat ooit ondervonden? Dan zal ’t te laat zijn. Nu heb ik te veel drukte. Heden is mijn vr0uw gestorven. Toen was ik er al. Reeds eergisteren was hij koortsig. ’t Is nog tijd (’t Kan nog.)

Ik ben nog niet klaar met mijn taak. Men bewerkt het nog. Is dat nu nog niet klaar? Ik heb nog in ’t geheel niet geploegd. Zijt ge nog volstrekt niet te Soera

baja geweest? Steeds doe ik mijn plicht. Steeds word ik bekeven. Sedert gisteren.

Sèngkô

taq tao èntar kassa sakalè.

Bäq-ën laq tao nëmoe marra jëria? Ngasèp mong dëria. Sëtiea ëngkô rèpot ongkoe. Arê tiea sang bienê matte. Pëndër sèngkô laq bàdë. Kadoeâmalëmënà Kgi ôlè.

laq panas.

Sang bâgiân kgi taq marè. Kgi i kgâràp. Kgi taq marè gia jëria? ëngkô kgi bëloen nangkgölë sakalè. Mong bâq-ën kgi bëloen tao èntar kà Sorbàdjâ sakalè?

Patjöt pëndër sang lakô. Sémani sèngkô i ompâng. Bâri môla.

183

Hij, zij, is sedert twee maanden ziek. Voortaan is uw betaling f 20.— per

Laq krieng doeà boelân môla. Tjoeng hoedian badjàrànnà bäq-ën

zendt ge ’t maar bij

mij

i

Sëkoet

sèngkô tao èntar.

i

Kërëp dötëngà dienaq. sòrò banjaq kalè. Laq èntarrà

pôlè?

Dëria pòle sëtiea. Tjào bëngkònà. Pëndërënà bàdë diemaqdiemaq. Dienaq tadë paonà. Y sabbë dienaq bàn éngkô. Dienaq

kënëngannà

bâq-én.

Kàintoq kënëngannà sampéan. tambi aki kakantoq Pënapa taq i

biesaos?

Arapa maq taq

i

is ver

dient

raksa’ péndër pökônà. Rangrang Rangrang ëngkô dötëng kaissà.

I

af. het toch te zijn. Hier zijn geen mangga’s. Ik heb ’t hier neergelegd. Hier is je plaats. Hier is uw plaats. Waarom heeft U ’t maar niet hier’ heen meegebracht? Waarom hebt je ’t maar niet hier Ergens

sapôlô réaal saboelàn. boedi atër aki kà sang bëngkô bâè.

,

Zelden draagt hij zorg voorzijn tabak. ’ Ik kom daar zelden. Ik ben daar dikwijls geweest. Hij komt hier dikwijls. ’t Is hem al dikwijls gelast. Ga je er weder heen? Is ’t nu weer zóó?

Zijn huis

I

maand.

Voortaan thuis.

tambi aki dënaq

phâè? Dénaq (kannaq), tjong! bàli lakoena. Laq tjölön, Aria orèngà sè sòrò. Aria orèngà sè sòrò. konnè-è thäloengà? Laq

Daar zijn ze. Daar is ze Boe Sapar.

Aria apa. Ariapa boeq Sapar. kotta mòdë tjoekoq-én. passarrà Pa Nor mienjaq-én ba koes, tjëning. bëngkôna toean Anô kgëlà. bangkit.

a

i

à

i

lòrong.

bàbëlaq

i

tëmoe

i

mooi, helder. Zoo even bij den heer N. N. Aan de grens. Ontmoet op den grooten weg. Beneden is ’t reeds onderzocht. Als je om de noord gaat, ga ik mee. Om de zuid of om de oost? Om de oost maar, om de zuid is ’t

I I

de stad is de visch goedkoop.

In ’t winkeltje van Pa Nor is de olie

I I I l

In

a

heen meegebracht? Hierheen, mannetje! Hij is weg, komt morgen terug. Hier is de man, wien ’t gelast is. Hier is de man, die gelastte. Hebt ge de touwen reeds afgehaald?

priksg.

Bâq-ën mong de dödjë ëngkò nòrò-à.



lao, kà têmor? De têmor bàè, dë lao sara.

moeielijk.

Je

gulzig. praat goed, maar beter, geloof ik.

tjölönà. Rakos bàq-ën ngakan. Pëndër òtjaq-ën bâq-ën, Këp‘àt

eet

eten

kun

je

Jij

Hij loopt snel.

tappè

lébi tao kêrannà.

ngakan

18

Hij schrijft steeds fout! Goed werken, opdat keven worde.

men niet

Aria maq tôlis sala bàè! Lakô pëndër maq taq i thoekani.

he

Duur verkoopen. Hij loopt wel wat langzaam. ’t Andere galoppeert gemakkelijk. Wat sprak de zieke zacht! Springende loopen, wordt je daar niet moe van? Sla die pen diep in. Bind het goed vast.

Tjoeâl larang. Pëndërënà tjölönà laon kiloe. Sè laèn tjongklangan njaman. Sè sakè maq alos òtjaq-ën! à tjölön lontjaq-an taq lëssô bâq-ën?

ga ik met U mee. Gelukkig dat je werkelijk niet viel. Gelukkig dat de doorn er kon uitge

Toelat i sòrò nòrò sampéan. Toelat taq laboe ongkoe bàq-ën. Ontong doerienà këning i thöboe.

Antjëp aki patok jëria. Paq sêrët talêannà.

Gaarne

haald

worden.

mee mag, daarmee stem ik gaarne in. Gaarne drinken, gaarne rijst eten.

Als ik niet

Mong taq i bàkgi nòrò, toelat ëngkô.

Houdt ge daarvan? A1 wordt ’t tienmaal verboden, het is

Toedjân ngênom, toedjân kà nassè. Toedjàn bâq—ën? Maskè i larang sapôlô kalè, përtjôma



slechts tevergeefs.

phâè.

Het slaan is tevergeefs. Sta tegelijk op!

Përtjôma i pôkol. mantjëng, ra! Sèngkô phàè i atjâk. Tappè bâq-ën èntar ningkoe, taqi larang. Tamtô Ôtangà bàq-ën lêma réaal. Tamtô sèngkô mintaq doeâ. Saperkara bàq-ën tadë bàri. Doeâperkara tòtorrannà bienênà....= Padë

Slechts ik werd uitgenoodigd. Maar als je wilt gaan zien, wordt dat niet verboden. Minstens is uw schuld f 10.—. Minstens vraag ik er twee. Eerstens was je er gisteren niet ..... Ten tweede zeide je vrouw ..... Voorts ‚Waren al de koelies reeds naar huis.

Marènà

’t aan de baboe overgedragen. Achter den wagen. Binnen ’t huis.

Bij de rivier ligt mijn sawah. Leg ’t maar bovenop. Ik heb ’t in de kast gelegd. Binnen in de kast. Naast mijn akker loopt de rivier om de

laq môlè kappi.

(Voorz etsels.) I pasra aki kà baboe.

Ik heb

Onder Onder

koelinà

noord. den grond. is niets te veranderen.

I I

,

boedinà karetta. rôma (I dölëm bëngkô). Tang Sabâ sëmaq i songaj. Tompâng aki bàè. I sabbë i 1amári bân ëngkô.

"

I dölëm lamari. I pingkier sang poemê songajà kgieli

I I

dë dödjë. dölëm tana.

bâbë tadë sè í obaq-à

185

Onder de rustbank. Op de tafel ligt het. Op den grond. Kunt ge over deze sloot stappen? Over deze zaak spreek ik niet.

I bâ-bönà lintjak. Ariapa hâdë i médjà.

Te Bondowoso is het postkantoor. Men heeft te vergeefs te Soerabaja op mij gewacht. Tegen morgen middag vier ure zal ik bij je komen. Tusschen die klappers en die pinang boomen. Tusschen elf en twaalf ure. Voor mij is ’t niet noodig. Vóór de deur. Vóór je voeten. Ik heb ’t van hem gekregen. Van de stad komende...

I Blindoengan kantor

In welk dorp woont ge? Uit welke flesch naamt ge? Ik heb ze uit de rivier gevischt. Naar huis gaan. Naar de markt gaan. Naar het noordoosten. Naar hem luister ik niet. Tot morgen, hou dan op. Niet tot den avond. Tot hier aan toe. Langs de rivier staan veel pisang

I

tana.

Bàq-ën këning Bânè

perkara ëngkô.

lingkaq soksok ria? ria i kòtjàq-è bân

à

pos.

Përtjôma ëngkô i dantè-èi Sorbàdjâ. Kêrakêra

lakoena !arassar ëngkô kà bëngkônà bäq-ën. tenganà njior bân pênang roewa. èntar

I

Para pëthoek. Mong sèngkô taq parlô. I addënà labang. I ètie-ën sòkônà.



ôlè kà jëroewa. Dötëngà i kotta.... Tiessa sè kèmaq bëngkônà bàq-ën? I kala i koppè sè kèmaq? Ôlè i pantjing songaj roewa. Môlè (Pléman K). èntar ka passar. Kà têmordödjë. Mong jëria ëngkô taq ngêdieng aki. Napa lakoena, pas amboe. Tjâ kangsè malëm.

Napa dienaq. I pingkier songaj banjaq këthöngà.

boomen.

Langs de sawahs gaan. Door de rivier gaan. Door uw.lui zijn verkrijgt gij niets. Door langdurig ziek zijn. Doordien hij ’t niet verkiest. Door hem te volgen ..... Om het huis is een heining. Om deze zaak bekommer ik mij niet. Rondom het plein. Sedert vier dagen at ik niet. Sedert gisteren verwacht ik je. Na dit moet ge gaan eten.

Allen zijn aangekomen op jou na. Na een feest is men gewoonlijk vermoeid.

Lébât i sabä. Lébât i songaj. Sëbàb lëmos bàq-ën Sëbäb sakè abiet.

tadë ôlênà.

àmarkgà taq pôron kadientoq. Ôti bàq-ën nòrò jëroewa ..... Linglingà bëngkô bâdë pakgër.‘ Perkara ria sèngkô taq përdoeli. Linglingà alonalon. ëmpaq arê môla sèngkô taq ngakan. Bâri môla laq i dantè bâq-ën. Marè jëria èntar ngakan. Laq napa kappi karrè bàq-ën. Oboessà slamatan patjöt lëssô orèng orèng.

186

Met jou durf ik altijd.

Phörëng bàq-ën ëngkô patjöt böngal. Aria tambi aki. Nòrò sèngkô b‘âri. Bäq-ën bàn sèngkôèntarpantjing,jà? Taq njangô pêssè sakalè.

Neem dat meteen mee. Hij is met mij daar geweest gisteren. Je gaat met me hengelen, hé? Zonder een duit op zak. Zonder jou ben ik niet op mijn gemak. Zonder jas. Zonder geld naar de markt gaan. Ik benevens hem (gene). Benevens datgene, hetwelk reeds... Behalve dit lijnwaad is er niet van‘ fijne soort. Behalve ik was er zooeven niemand. Wees beleefd jegens uwe meerderen. Jegens U heb ik nooit misdaan. Wegens het in orde maken der brug. kan er niet overgegaan worden. Wegens ziekte kan het dorpshoofd niet zelf verschijnen.

Sèngkô taq përna mong tadë bàq-ën.

Taq ngangkoej

klampi.

èntar kà passar taq ngèbâ pêssè. Sèngkô bân roewa. Sarta apa sè laq i .....

Laèn laboen ria tadë

sè alos.

Tjôma sèngkô sè bâdë kgëlà. Lôranìa ormatti. K.aolë taq onning sala kà sampéan. ipaq bëtjè kglàtàkkà, taq këning i lébâti. Amarkgà sakè patinggi taq ngëning Sëbàb

à

tjabies thieri.

I tjoeâl

Wordt per stuk verkocht. Vleesch wordt bij ’t kattie verkocht. Deze rivier is rijk aan visch. Om het uur een lepel.

pòtongan. Dakgieng i tjoe‘àl kattêan. Songaj ria taq korang tjoekoq. Sa-tjâm sa-sèndoeq. Sapën tëlô arê.

Om de drie dagen. Om het uur driemaal.

Sa-tjâm tëlô kalè.

Maar

Ik

één.

werd maar één gulden betaald. Maar weinig mensehen gaan kijken.

alè-ën.

Sèngkô

taq mêlôà?

Sarta roewa sè tao. Sarta ngèbà pêssè. banjaq. Pòlè bidhönà sè tôtor. bakgi bàn sèngkô. Tappè taq Tappè mong dëria, dërëmaq? è

!

phörëng

èntarèn

bâè!

Bàq-ën maq Sètong

à

is,

’t

’t

’t

gezegd. Doe ik ook niet mee? Alsmede hij weet het. Daarenboven bracht ik veel geld mee. Bovendien heeft de wedana gezegd. Doch ik wil niet toestaan. Maar als zoo wat dan? Ga er maar heen! Jij speelt maar!

èntarrè,

Taq andi pêssè, taq andi phöröng. Aria boeang sakalè. Sèngkô iejâ laq ngòtjaq dëria. Trêtannà taq dötëng gia? Aria angkoej sakalè. Ingki kadientoq ampon mator.

maèn phàè!

bâè.

Kaole ning badjàr sadjempël. Tjôma orèng sakonnè èntar ningkoe. i

gij

(Voegwoorden.) Ga er heen en uw jongere broer. Noch geld, noch goederen bezit ik. ’ Gooi dat ook maar weg. Ik heb ook al zoo gesproken. Is uw broer ook niet gekomen? Gebruik dat ook. ’ Ik heb mijne meening ook reeds

Péraq satalè

kèbä kà passar.

Tappè sèngkô sè këlar thiebi. Laq bàlâè adoe taq ngêdieng. i

Doch ik ben de sterkste. Ik zeide ’t hem reeds, doch hij hoorde niet. Hij zei tien, doch er waren er maar

l

de

l

kwartje naar

een

‘ ì

Hij brengt maar markt.

i

‘187

Tjaq-ën sapôlô adoe ning bâlloe.

acht. Maskè

Of, als je ’t zelf bewerkt ..... Of, je kameraad heeft wellicht fout. Vrouw of man, beiden moeten de be velen der overheid gehoorzamen. schuld hebt, of hij, in Hetzij

òtabë, mong kgâräp thiebi.... Òtabë phörëngà amè sala. Bienê Òtabë lakè, pade sòrò tòrò

paard

rijden.

een tijger.

’t

is

Toen het avond was hij gevat. Wanneer ge stout zijt, zult ge ondervinden (oploopen). Wanneer ge naar de stad gaat, ga

ik

i

i

i

printanà orèng akgoeng. Maskè bâq-ën sala òtabë jëria, tjoeng boedian, sèngaq! Sèngkô mong laq toewa (radjë) bâkgi nompaq, tjörön ëmaq. Kalanà sèngkô bâdë ning diessaq ngënalè matjan. Baktô malëm pingkot. Mong nakkal mërè bâq-ën. Tieka mong èntar ka kotta, boelë

mee.

norrÒ-à.

èntarrà. Sëbàb bànè sèngkô ..... Sëbâb ëmboeq-ën sè tottor ka sèngkô. Para siang boelë tjökgö. Mong tadë arallà ëngkô èntar kà -

bèngkônà bàq-ën. Mare ngakan lakôà.

Marc tôkar abiet, pas

tjarok sakalè.

Sedert gisteren verdwenen. Eer de waschman komt, breng het vuile goed buiten.

élang bàri môla. Sabëloenà‘ dötëng mënatô kloear aki

Gelijk de ganzen loopen. Evenals die gekke vent daar. Evenals zilver, doch anders. Zooals kinderen gewoonlijk.

à

’t

’t

Daar ik het niet geweest ben ..... Wij] zijn moeder mij meedeelde. Zòodra de dag aanbreekt sta ik op. Zoodra er geen beletselen zijn kom ik bij je. Nadat meu gegeten heeft, aan werk gaan. Nadat men lang getwist had, ging men zelfs over tot vechten.

.

Pompong trang boelë môlêà. Pompong tadë parlônà ëngkô

à

is

’t

is

Terwijl goed weer ga ik naar huis. Terwijl er geen drukte zal ik komen.

à

vaders

Toen ik daar was zag ik

ëngkò napa ka-addë. ôlè sala aki.

i

vervolg, pas op! Als ik groot ben, mag ik op mijns

dëria

Tappè Siman taq

i

’t

jij

Evenwel kwam ik toch het eerst. Evenwel men kan Siman de schuld niet geven.

Hij

is

zooals deze hooger dan

is

Inkt

te dik.

jij.

phöröng kottor. tjölön marra phönjak.

Padë bàn orèng kgielë roewa. Padë wi sëlaka adoe bânêan.

Marra nakkanaq patjöt. Mangsèn

marra

ria, këkëtjëngën.

Tingki ria bân bàq-ën.

Dit is meer dan zes el. Hebt ge niet meer dan dat? Dan zal ik u gelasten.



188

Aria lëbi ënam èlo. Tjôma jëria andi-én? Mong dëria, sèngkô

Hoe ouder hoe meer praats. Hoe ouder des te mooier wordt ge. Zoodat ge niemendal ontvangt. Omdat ’t geld er nog niet gaat de is,

betaling



printa-à

bâq-ën. Lëbi toewa lëbi tjérêmè. Lëbi toewa sadjönè rattien bâq-ën. Tötti tieka taq nampa sakalè. Sëbàb pèssê kgi taq napa, phoeroe lakoena tollos badjâràn. Sëbâb toean sè tottor kà kaolë. Sëbâb lakoena kaolë parlô bâdë

eerst morgen door.

i

’t

Vermits Mijnheer mij zeide. Want morgen moet ik in de stad zijn.

kotta. Kërna bânè salanà boelë. Taq èntar pôlanà anaq-én sakè. Mong dëria iejà laq pottos. Mong nòrò bâq-ën njangô nassè

is

uit.

Zoo ge meegaat, breng dan wat rijst mee. Tenzij ge liever thuis blijft .....

Mits

ge me

i

sakonnè. òtabë mong njamannan ënëng bëngkônà ..... Tappè bäq-ën madjâr sapôlô sòkô kà ëngkô. ‚Maskè miskin sèngkô.... Maskè sèngkô taq andi ..... Töttià taq padjoe sakalè ..... Maskè toewa sèngkô .....

vijf gulden betaalt.

’t

Ofschoon ik arm ben ..... Ofschoon ik niets bezit ..... Hoewel in geheel niet gewild ..... Hoewel ik oud ben ..... Hoe ook zij, het moet. Als die ‚van gisteren? Gelijk die wij eergisteren kochten. Niemand dan ik zag het. Niets dan zilver en goud. Ik weet niet of hij ziek of niet. Nu hij gekomen ..... Hij toch was van oordeel.. Erwas niemand, of hij verblijdde zich. Het duurde niet lang of hij kwam. Nauwelijks aangekomen of hij wilde weer weggaan.‘ A1 ziet hij het, zou hij mij nog niet ’t

Padë



Tjôma sèngkô

is

is

sè ngënalè. Mëlôlô sèlaka bän ëmas. Taq tao ëngkô apa sakè apa njâ. Pëndërënà aria laq dötëng. Pëmèkèranna jeroewa tappè .....

à

Padé pèrak kakappi. Taq abiet pas dötëng. Phoeroe dötëng tjölönà pòlè pen i

’t

gara. Maskè kënalè taq kêra sèngkô.

zeggen.

Samenspraken,

enz.

à

1 !

.

tottor kà

Orèng Sëngënap banjaq tôron kà sarè këlakôan. tana tjàbâ Pëndërënà taq orèng Sèngënap phâè èntar, bâdë tâlli Mëkassan, tàlli tôron sakalè. Phöngkalan a

Vele Soemenappers komen naar Java om werk te zoeken. Niet alleen de Soemenappers komen, er zijn er ook van Mekassan en van Bangkalan die ook komen.

bâè, taq këning njà. bàri roewa? ‚ bi sè mëlè kadoeàmalëmënà.

Bërëmaq

Marra



is

’t

ziek.

Indien zoo is,

i

’t

Want mijne schuld niet. Hij kwam niet, want zijn kind was

189

Echte Soemenappers spreken op

een

!

ze een

Sëngënap

pëndër

sangkiet sè ngò

Kappi kantjakantja jëria mong në moe këlakôan i tana tjâbà taq këphoeroe

molêà.

Monthoek i tiessa. ôlènà pêssè i‘ impassè.

gen. De Madoerees heeft voor zijn gewoon eten weinig uitgaven.

Na eenigen tijd koopen

Orèng

òtjaq-ën. Tappè kapära orèng Mëkasan tjaq Mathoerâ pëndër.

slependen toon. Daarentegen bericht men van Pame kasan dat daar zuiver Madoe reesch wordt gesproken. Al die lui, op Java werk vindende, zijn niet gehaast naar huis terug te keeren. Houden tijdelijk verblijf in de dessa. Het verdiende geld wordt opgebor

Mong orèng Mathoerâ bëlântjà ngakan ning sakonnè. Abietabiet mélè poemê sakonnè.

lapje

grond.

Als ’t lukt met de een of anderen aanplant,‘ hebben ze veel voor

Mong tôtti apa banjaq.

deeL Dan denken

Pas èngaq mëlè bëngkô.

ze erom een huis

te

. koopen. ze na eenigen tijd rijker zijn, hou den ze ook ossen en paarden. Vervolgens zoeken ze ook een vrouw. Dus op deze wijze van vroegs af, zijn

Als

ge

dit regen

scherm? Tegen f 1.50.

En

die

padë i ôboe. Marèna à sarè bienê sakalè. Töttinà lambâ môla dëria taq korang orèng Mathoerâ i tana tjäbà. Sapen taon tappè badë sè môlè ka

pajongmaker

verkoopt f A1 is

zijn

pajongs

tegen

1.——?

dit zoo, zijn mijne pajongs zeer

mooi. ze met die om de west vergeleken worden, zijn de mijne mooier, tegelijkertijd sterk. En kan er niet afgedongen wor den? Dat kan niet, de prijs is zoo.

Als

Mathoerâ sëkgëtjë à njapot phö lônà. Ning sakonnè taq à bàli, pòlè mong laq andi poemê.

[

Padjoeng ria i tjoeâl kan brampaq?

Kan om de west

i tamënèn ontongà

Bietabiet lëbi sôki, pas sappê tjörön

er op Java veel Madoereezen. Doch er zijn er ieder jaar, die even naar Madoera gaan om hunne familie te zien (te ontmoeten). Slechts weinigen komen niet terug, inzonderheid wanneer ze land bezitters geworden zijn.

Voor hoeveel verkoopt



tëlô sòkô.

Marèna tòkang padjoeng tjoeng bâr re roewa, à tjoeâl kan sadjëmpël padjoengà? Maskè dëria sang padjoeng tjè bàkoessà. Tjë i athoe-à bân sè bàrrë roewa sang andi lëbi bâkoes sambi kôwat. Marèna

taq

Ôlè nabàr?

Taq ôlè, laq atjienà dëria.

190

Dat is te duur, ik zal die om

de west



Larang kiloe, ëngkô mëlêà



bàrrë

maar koopen. Zooals je wilt.

Karëpà.

Die lui hebben altijd wat! is er vriend? Och God! die regenschermen west zijn mooi, zeggen ze, om vragen ze naar de waarom maar niet‘direct

Orèngorèng ria maq nëmoe bâè! Arapà kaq? Allah! padjoeng sè bârrë bâkoes tjaq-ën, maq à tanja sang pad joeng, maq taq pas pötjot dë bärrë phâè.

phäèn.

Wat

om de

waar mijne, om de

west gegaan?

Tjä

Erger je niet, vriend! de koopers zijn altijd zoo. Eerst rondloopen, hier vragen,

daar

vragen,

het goed

koopste nemen ze dan. Juist, maar hij om de west, die regen schermen voor een gulden ver— koopt, waar is dan zijn winst?

ngampoel ra, kaq! patjöt sè mëlè dëria. Lingling kiloe à tanja dienaq, à tanja diessaq, marènà sè môdë thiebi i kala.

Pëndër, tappè sè tjoeâl padjoeng bàrrë roewa, mong padjoengà

tjoeâl

kan

sadjempël,

i

i

këmaq

ontongà?

Ik

begrijp er niets van. Jou regen schermen zijn misschien te duur? Werkelijk, ik kan den prijs niet ver— lagen. Ik bewerk mijn regen schermen zelf, dus zijn ze stellig sterk. Denk je dat die om de west zelf werkt ...... , hij gelast menschen uit de dessa, die er geen verstand van hebben!! Wat zal men er aan doen, koopers kun nen niet gelast worden jou regen schermen te koopen, als ze die bij anderen kunnen aanschaffen.

Taq‘êtëp.

Waarheen, vriend? ‘ Naar Besoeki. Wat hebt ge voor zaken? Droge visch opzoeken.

Dëmaq-à kaq? Tôronà kà Bësôkè. Apa parlônà? Njarè tjoekoq kring.

Vervolgens? Vervolgens? terugkeeren als ik ze ge vonden heb en in ’t gebergte

Marènà? Marènà? à bàli pôlè mong i tëmoe, i tjoeâllà i kgoenong.

Padjoengà bàq-ën amè larang kiloe? Ongkoean, kaq! taq këning tôron aki atjienà. Engkô à kgàräp thiebi sang padjoeng tötti laq tamtô kô wat. Mong sè bàrrë môla i kgâ râpi thiebi, a sòrò orèngorèng tiessa sè taq tao roewa!! Iejâ’dérëmaq-à, orèng mëlè taq ôlè

i

mëlè padjoengà bàq-ën mong tërô mëlè kà laën. sòrò

‘ ‘

verkoopen.

Waarom zoo ver te zoeken? Ah! gewoonlijk is er in ’t gebergte

geen visch, dus als ik ze niet aan ’t strand zoek, waar zou ik ze dan opdoen?



Maq i sarè tjao dëria? Ah! mong i kgoenong patjöt tadë tjoekoq-ën, tötti mong taq i sarè i pasèsèr, këmaq phàè, sè ôlêà?

191

Juist, maar als je naar Panaroekan gingt, is dat niet dichter bij? Neen, de afstand is even groot. Ook is de markt op Besoeki zeer groot, grooter dan de _markt te Pana roekan, de visch te Besoeki daar door goedkooper. Nou ik ga om

| ‘ \ !

de noord, kameraad! Goede reis, vriend! Ik wensch je veel winst toe!

! l ! !

Heb je ’t nieuws al gehoord? Welk nieuws (bericht)? Pa Melina is gisteravond door iemand

Iejà pëndër; tappè tjë tôronna kà Panarôkan, taq lëbi sëmaq? Njâ, mong tjâonà padë. Sambi i Bësôkè passar tjè radjönà, radjë an mossô passar Panarôkan, tjoe koq môdëân i Bësôkè töttinà. Marra, ëngkô de dödjë-à, dji! Slamat kaq! manthër banjaq ontongà!

Laq ngêdieng bërta bàq-ën? Berta apa? Paq Melina i tompâk orèng malëmà.

met een spies gestoken.

Is hij geraakt? Hij is in den buik geraakt, doch wond is niet diep.

En

de



toen?

en meteen

naar

de

stad

vervoerd. Waarom naar de stad gebracht? Omdat het gemakkelijker is voor den dokter als alle zieken bij elkander zijn. Er is immers een ziekenhuis te Bondowoso? O ja. Denkt men dat Pa Melina weer gezond zal worden? ’t Is naar wat de dokter ervan zegt. ’t Is om medelijden te hebben. Waar om heeft men hem gestoken? Zoo verhaalt hij het: gisteravond sliep ik reeds, toen ik door mijn vrouw gewekt werd, zeggende: „Ik hoor geritsel achter het huis

ik ruik (de rook van) een si gaar, misschien zijn er,dieven”. Ik sta op, doe de huisdeur open en onmiddellijk stak men mij, zonder dat ik nog iemand zelfs gezien had. Die dief was zeer vermetel! en

_

tappè taq dölëm

Marènà?

Pa Melina is naar den wedana ge dragen, door den dokter onder zocht

Marènà këning? Taboe-én i këning lôkanà.

Paq Melina i ossong kà thölëm, i prik sanè toean doktër, marènà i tôron aki kà kotta sakalè. Maq i tôron aki kà kotta? Sëbàb kgàmpangan kà toean doktër mong i paq sètong orèngorèng sakè. Taq bâdë rôma sakè i

Blindoengan? Ah ieja. Marènà kêrakêra Paq Melina kangsè bâràs pòlè?

Apa tjaq-ën toean doktër. Nèssërà! maq i tompâk arapà? Atorrà dëria: malëmà kaole ampon têdoeng, kaolë i tjökgöè phölö bienê, tjaq èpon ngêdieng sèkrè sèkân i boedinà bëngkô, sambi ngêdieng haonà rôkoq, amè bàdë Kaolë à tjökgö, kaolë maling. marè bëngkô, boekaq labangà i bie kaolë tompâk latjoe èpon saos, taq ngënalè orèng blökanan.

Malingà tjè bongallà!

192

Zoo is een dief gewoonlijk. Men ving hem niet, ofschoon hij door velen vervolgd werd, dus zal die dief in ’t vervolg nog wel vermeteler zijn.

Patjöt. Taq i këning maskè i tabàng orèng banjaq, tôtti i boedinà ma ling roewa sadjönè böngal.

Is

Pesôratan kgi taq döteng?

brievenbesteller nog niet ge komen? Nog niet. Wat duurt dat lang! Gewoonlijk, als ’t alle dagen regent, zijn de wegen alle slecht en is ’t moeilijk spoedig aan te komen. Juist, doch heden schijnt hij langer weg te blijven dan gewoonlijk. O neen. Daar komt hij al.



de

Waar? Hij is nog op de markt, een oogen blikje nog en hij is hier. Dan ben ik tevreden (gelukkig). Wat heb je toch? De brievenbesteller is mijn broer, hij moet dadelijk bij ons komen, moeder zegt dat er wat te doen is. Laatst was ik op

Wat

de

„passar“.

waren daar veel kooplui. Die behalve ik naar de passar gingen schat ik op duizend personen. Daarom was ’t er zoo nauw. Ik wenschte een zijden paraplu te koopen, die was er niet. Vervolgens zocht ik uien, die waren er niet. Toen wilde ik sits koopen en er was slechts van grover soort. Ah, zei mijn metgezel, als dat zoo gaat is ’t tot niets nut zoo ver te gaan en niets te verkrijgen. Wees niet zoo haastig, antwoordde ik, wellicht is er in den chinee‘ schen winkel wat we zoeken. Toen waarachtig vonden we in dien chineeschen winkel zijden para plu’s, uien, benevens mooie sits. En toen gingen we beiden naar huis.

Bëloen.

Maq tjè abietà! Patjöt, mong òtjàn sapën arê, tjö lönà tjoebâ kappi, sara sè napa-à lëkas. Pëndër, tappè arê tiea masèlëbi abiet bân sapënà. Njâ. Aroewa laq dötëng.

Këmaq?

Kgi

bädë i passar, sëkgëtjë aki napa.

Toelat ëngkô. Arapa bàq-ën? Pesôratan roewa sang trêtan, i sòrò pas èntar ka bëngkô, bàdë par lônà tjaq-ën ëmboeq.

Bilân ëngkô bâdë i passar. Orèng tjoeàlan, ëmboq tj è banj aq-ën! Sè èntar kà passar laèn ëngkô, kêra kêra bâdë orèng sa-êboe. Mangkanà tjè sëlaq-ën sakalè. ëngkô tërô mëlè padjoeng sôtra, tadë. ëngkô njarê babàng têmor, tadë. Marèna tërô mëlêà djita tjôma bâdë sè kassar (kantël). Ah, tjaq-ën sang phörëng, mong dërië tadë kgoenanà èntar tjäo tadë Marèna

ôlênà.

Tjâ

këphoeroe, tjaq-ën ëngkô, amè i toekoe tjêna bâdë sè i sarè.

Marèna ongkoean i toekoe tjêna sôtra, roewa nëmoe padjoeng babàng têmor sambi djita bâ-koes. Pas môlè kadoeâ.

193

à

i

i

I

I

i

i

songaj tërô kgangkgoe manoq—ma noq 1aèn takkër taq ôlè ngênom sòrò dantè òtjân phäè. ongkoe, ngênom,

de

andere vogels zoodanig gehinderd

Töttinà mong abiet taq òtjànikiek roewa tjè sossanà sakalè.

’t





Nja, dërëmaq tjërêtanà? Lambâ (kôna) sarôbânà binatang tôlong kgöbâj dònja, ikiek sòrò lakô songaj taq këlëm. Mangkanà mong tôron

een

wordt, dat hij werkelijk niet drin kenkan,enopregenmoetwachten. in langen tijd niet Derhalve als heeft de ikiek veel ver: regent, —-dri‚et‚

i

"

je

als hij neerkomt om uit rivier te drinken, hij door

Zoodat

tao bàq-ën?

songaj,



; !

Vroeger hielpen alle dieren de wereld in stand brengen, de ikiek, die belast werd met het werken aan rivieren, wilde dat niet,

tao manoq ikiek roewa? Maq taq taoà? ‚ Iejà mong manoq-én tappè tjërêtanà ikiek roewa taq bâkgi ngênom Bâq-_ën

i

‘‘ !

‘i

jij

Ken dien roofvogel „ikiek“? Waarom zou ik dien niet kennen? Ja, wat dien vogel zelf betreft, doch het verhaal dat die ikiek niet uit een rivier. mag drinken, weet dat? Neen, hoe luidt dat verhaal?

.‚

Zweeft een geheelen dag, omdat hij niet beneden durft komen, tege lijk doende of hij schreit „kiek,

Ngabâng

sa-arê bënting

taq böngal

tôron, sambi nangis rôbänà„kiek, ikiek, kiek, ikiek".

ikiek, kiek, ikiek”.

‘ ,1 ‘

‘i

Sidin, kom eens hier. Ga eens naar den winkel van den heer Dinges en koop tien stuks sigaren. Welke soort sigaren, mijnheer? dat nog? nou, vraag omdat ik, als ik niet goed doe, door bekeven wordt. Wel dat zeer natuurlijk. D_áárom vraag ik ’t.

à

je

is U



i

’t

Bâq-ën orèng diemaq? Kaolë orèng Mëkassan,

is

Ik

, ‘Î ‘!

als

l

’t

U

dien volgen en vooreerst daglooner werken.

" i

à

ik

ik

ik

tôron kà tana tjâbà sarè këlakôan. Lambä tötti apa lakônà bäq-ën? Kaolë ingki taq onning pènapapëna pa. Toean mokgâ-à bëlâssà, man—. doer Môdjô phölö kaolë, këlamon parrèngè këlabân sampéan tërô nòro—à inggroea, ngoelià biesaos Kaolë ingki

'

Wat hadt‘je vroeger bij de hand? Ik, ja, Weet nog niets. Mijnheer de moge medelijden hebben, mandoer van Modjo behoort tot toestaat wil mijn familie; als

toean!

Arapa—à? à

(een mensch)? ben iemand van Pamekassan„ Wat er? Ik, ja, ben naar Java gekomen om werk te zoeken.

à

, !

jij

Van waar ben

sampéan.

Laq tamtô bàè. Mangka kaolë tanja pënapa.

i

‘_Is

’t

Kijk

Sidin, dënaq! òti èntar ka toekoenà toean Anô, mëlè rôkoq sapôlô mikkgi. Rôkoq pënapa, toean? Abëra! maq tanja jëria! thoekani Kadientoq këlamon sala

thiengèn. li!

194

!

je

ga juist naar Modjo, ga maar vooruit, als de waarheid kunt ge dien hebt gesproken, mandoer van Modjo dienen. Goed mijnheer! ik ga vooruit naar de

!

jij

Kom, ik

pëndër ’ngkô kà Môdjôà; ôti ka-addë, bàq—ën èntarrè mong pèndër Òtjaq—ën, ôlè bàq-ën nòrò mandoer Môdjô jëroewa. Non ingki! kaole de dödjë thiemèn. Max-ra,

noord,

is, ’t

is

is

’t

is

’t

0

i

dödjë

diessaq.

Ampon banjaq pökônà sampéan? Pjè, goedang laq para possaq. Njaman jamanà. Iejâ, tappè pökônà taon tiea taq pattè bàkoes. Apënapa toean? (Markgânà?) Tar taq tao bàq-ën! Ongkoean kaole taq onning amarkgâ kaolë taq nòrò namën. Tar taq tao panassà katok ëmpaq boelàn; Ôdi‘à pökônà!

Ingki onning ampon ming sapanèkà. Masè laènlaèn tanëmannà kènè padë kalèr!

orèng

jâ, tjàkoengà sëtëng, sapràngà ôdi pháè, kratô, ottô, katjang, apa pòlè, kgàmpang, pôlanà këning

i

’t

jij

is

niet (mee) geplant heb. zoudt niet weten van die vier maanden erge droogte, zal dan de leven blijven! tabak in weet ik het wel. Het Ja als zoo lijkt of het andere, door den klei‘ nen man aangeplante tegelijker tijd verongelukt is. neen, de maïs vrij wel, de ketella leeft altijd, met kratò, ottô, katjang, en wat nog meer, gemakkelijk, omdat die geïrri geerd kunnen worden. Ja, en dan kunnen de menschen de vruchten, hunne trekbeesten en paarden het loof eten. Ja, die menschen hier schijnen zoo arm niet te zijn, hunne akkers zijn alle mooi, wat meer zegt, er geen gebrek aan geld, is’t zoo niet? Dat geloof ik ook. Nu, ik ga naar de loods. Ja, ik verzoek het gesprek af te breken.

Jij

kathi kakèmaq?

goedang

tôrap.

Ingki, sambi boeânà daonà

tëthë orèng, tëthë èbien, tjörönà. i

niet.



i

mooi

Wat daarvan de reden, mijnheer? niet weten! Dat zou niet, omdat ik Waarlijk ik weet

Toean

N

is

is

is

U

Waar gaat mijnheer heen? Naar de schuur daar om de noord. veel tabak? Heeft O’jé, de schuur bijna vol. Dat zeer aangenaam. Ja, maar de tabak dit jaar zoo erg

Iejà, orèng dienaq taq pattè miskin rôbânà, poemênà bàkoes kappi pòlè pèssê taq korang, taq dëria? Rassa kaolê ingki sapanèka. Marra ëngkô kà goedangà, jâ? Ingki, kaole njo’on rampong.

195

Hoeveel duizend Madoereezen zou den er op Java zijn? Van de hoeveelheid ben ik in ’t ge heel niet op de hoogte. Waar houden verblijf? Te Bondowoso, Besoekí, Probolinggo, Pasoeroean, zelfs te Kediri denk ik, terwijl te Soerabaja geen ge brek aan Madoereezen. Dus bewonen die liden alleen de

i

a

à

nèmpàng. Marèna sè ënëng

i

i

kotta? kotta ban Kantjakantja mathoerâ jaq nòrò nglatieni toeantoean, Òtabë tôtti tòkang, Òtabë lakô kotta kathi pësèsèr, amarkgà ingki taq kakorangan pökô këla

bàn kgoelà. Marèna orèng mathoerá

i

i

i

kgoenong?

kgoenong Ming kantja mathoerâ kêra kaole, panèka njaman thieri. i

!

’t

à

prao moeaq-à pökô òtabë kgoelâ, tôlong tôlong mèkol,

ingki

't

’t

i

i

Il

’t

jàng, këlamon bádë kapal otabë

zij

’t

i

à

’t

zij

zij

bergte? Wat de Madoereezen in gebergte naar mijne betreft, die hebben meening het aangenaamst.

i

i

i

poenten, bâdë ënëngi pasèsèr, bädë kotta, bàdë kgoenong, kadie— maq biesaos. pësèsèr lakônà apa? Tôlongtôlong phörëngà, èntar mad

is

ge

kantja

phàè

banjaq jëria?

’t

zij

O

is

orèng Mathoerà. kotta ënëng

Tötti

gaan; als er een schip of een om een lading tabak of prauw en suiker, helpen dragen wegen. Vervolgens die in de steden wonen? Van de Madoereezen in de steden zijn velen bij Europeanen in dienst, of zij worden ambachtslieden, of werken zooals aan strand, wijl in de steden ook geen gebrek aan tabak en suiker is.

in



diemaq? Blindoengan, Bësôkè, Phöngër, Këmpoeng, pò1è Kediri tjögönà, sambi Sorbâdjà taq kakorangan i

I

Kënëngannà

i

zij

Ampon kaole taq êtëp perkara banjaq‘ën èpon, toean!

Wat werken aan strand? Hun kameraads helpen, uit visschen

de Madoereezen

i

êboe

steden? wonen aan neen, strand, in de steden, in gebergte, alom.

Vervolgens

Mathoerâ kêrakêra brampaq bàdönà tana tjàbä?

Orèng

zij

i

’t Is

zij

zij

zij

i

?

Waarom? Sëbâb Omdat daar geen zwaar werk te ver ‚ Amarkgà lakòan mélarat tadë sakalè; richten is;’de bergbewoners als kgoenong ngamong tja— orèng vlijtig zijn hebben niet weinig kang taq sakonnè ontongà, töttià winst, hetzij nòrò namën paddi kgökgö, töttià rijst op droge of natte velden helpen planten, het nòrò_à mantjâ, töttià nòrò namën' tabak helpen planten, pökô sèi tjoeàl ka orèng bëlânthà. welke aan Europeanen verkocht wordt. Pëndér kakappi jëria kêrannà. Tappè juist dat alles, geloof ik. Maar de mensehen, waarvan ge gesproken kòtjaq-è bàq-ën orèngorèng sè hebt, zijn dus allen koelies (dag pëndërënà kôlie mëlôlô, dërëmaq? Hoe dat? maar zoo

’t

is

is

looners)?

Juist, mijnheer,

niet.

Lërës toean, nganning taq sapanèka.

196

Këlarnon orèngi pësèsèringkiampo'n banjaq sôki kagoengân prao thieri; orèng i kotta banjaq ani pon tötti ëbas tôkang kadjoe, Òtabë tôkang bëssê, Òtabë tôkang

’Wat

de strandbewoners aangaat, velen zijn rijk, en bezitten eigen prauwen; van de stedelingen zijn baas timmerman, baas velen smid,of baas metselaar, of handelaars; terwijl naar mijne meening er in ’t gebergte niet één arm ’menseh is, allen hebben eenige bezittingen, bovendien zijn er velen reeds landbezitters geworden.

Is je baas thuis? Neen, mijnheer! doch volgens mijne meening komt hij na een oogen-

Ik

blik.



bàtô, Òtabë dàkgâng;

andi sakennè-sakonnè,

geneesmiddelen voor? Ja, ik‘ gebruik medicamenten van den dokter. Ik hoop dat U spoedig beter zal zijn.

’ Dank je.. ‘Hoe vaart Mevr0uw? Ah, Mevrouw is zéér wel.

U! j

Lôranà bâdë?



Poenten toean, tappè kêra kaolë sêk gëtjë aki dötëng. ‘

Taq këning dantè, këbàlë ëngkô bàdé ‘

3 Î

‚ !

dienaq

phoeroe.

Panèka pënapa‚ toean! Toelat ëngkô. Dërëmaq tieka, bârä‘s? Ingki saè. Sampéan kathi pënapa? Boelë taq pattè bàräs. Nèssërà! sake pënapa sampéan? Klisma,’ sake tjètak. Krëskës sakonnè. Samalëm bëntingtaq ngêthëtêdoeng.

,’

1

! 1

‘ ! 1

Ampon abiet sampéan sè sakè?‘ Lobàrà tëlassan môla. Abiet ongkoe. Mare èpon sampéan taq ngênom tjâmô? ëngki,ngênom tjâmônà toean doktër. ‘

Mokgà-à lëkas baràs‘ sampéan. Kasò-on. Njonnja kathi pënapa? Ah, mong njonnja tjè bârâssà!

Tieka maq taq dötëng bàri?“_

Waarom zijt

ge gisteren niet gekomen? _ Ik ben gisteren niet gekomen, omdat mijn kind zwaar ziek was. Is ’t vandaag iets beter?

sarta ban

jaq ampon andi poemê.

.

kan niet wachten, zeg dat ik zoo . juist hier ben geweest.‘ Hier is hij, mijnheer! Gelukkig. Hoe is U, wel? Ja, wel. En U? Ik ben niet erg wel. Dat is jammer. Welke is uw ziekte? Ik ben verkouden, ik heb hoofdpijn. Ik ben wat koortsachtig. Ik heb den geheelen nacht geen oog toegedaan. ‚I‘s ’U‘ al lang ziek?r Sedert (vanaf) het nieuwjaar. Dat is zeker lang. Gebruikt U er ook

marè èpon

ikgoenong kêra kaolë lërës tadë orèng miskin sètongà, sëdödjë

. !

Boelë bâri taq dötëng pòlanà boelë sake pêrana. Arê. to’ntô bàdë ôlênà?

anaq

197

mijnheer zeide mij ’t door den dokter te doen behandelen, toen was ’t onmiddellijk een weinig ’ beter. Welke ziekte heeft uw kind? Ik Weet het niet.

’1 ëngki,

Is je vrouw gezond?



Ja-,

Ja

‘ ’

en de

andere kinderen

zijn ook

me! (Vergiffenis! Gewone aanroep van iemand die wenscht te worden, of van ontvangen anderen voorbijgaande.) iemand, Komaan! (Aangenomen! Gewoon antwoord op voorgaanden aan

‚Vergeef

Tôrè

roep.) ben door mijnheer Dinges gezon den U te verzoeken bij hem te komen. Wat is er? (Waarom?) Dat weet ik niet. En ik moet gaan ploegen, wat nu te doen? r Dat weet ik niet. Kom, rapporteer het volgende maar: ik heb werkelijk Pa Kassim bij zijn huis ontmoet, doch zijn ossen waren reeds ingespannen, hij had den ploeg reeds over zijn schou der en vraagt dus verlof eerst heden middag te verschijnen. Ik ben bang, wellicht word ik door mijnheer bekeven. Als ’t zoo is gelegen, komaan! dan zal ik er heengaan.Wacht even, ik zal de ossen eerst op stal brengen.

!

Kadientoq kaole i pakon toean Anô sampéan i timpàli ka bëngkônà. Apënapa? Taq onning

kadientoq.

Mare èpon kaole parlô èntar nangk gölë, kathi pënapa? Taq onning kaole.

Tôrè

sampéan à rèpot sapanèka biesaos: Paq Kassim lërës ka i bëngkônà, nganning panggi sappênà ampon i saè, ampon mèkol nangkgölënà, tötti à për missie pëthoek biesaos sè ngatëpà.

Kaolë

takoq,

mënabi

i

thoekani

toean.

Lamon

sapanèka, tôrè! èntarra. Mangkèn, sappê i nglëpoe aki kà kanthâng thiemèn.

thuis?

Toean bàdë i bëngkô?

Is (thuis).

Bàdë.

Tjàtjâl tanja

Och, vraag even wanneer ik de paddi moet brengen.

heeft.

Taq tao boelë. Bienênà tieka bàräs? ëngki sambi 1aèn nakkanaq bäràs ‘kappt Pengapôra!

Ik

Wèlke paddi? Wel, die mijnheer



Sakè ënapè anaq-én?

allen gezo'nd?

Is‘ mijnheer

I sòrò doktër aki bàn toean

pas pinthönan.‚

vroeger

gekoaht

! ‘

bielë èpon



sòrò atër

aki paddina. Paddi sè kakèmaq? Sè i mëlè toean thiengin inggroea.

‘198

Ja. Een

Ik denk dat oogenblikje. dat hij mijnheer nog niet op nog slaapt. Ga er heen, kameraad! is,

Ingki. Sëkgëtjé. Kêra kaolë toean kgi

Ingki. Panèka

Daar gaat nijmheer reeds baden, nog een oogenblik en mijnheer in de voorgalerij. heden te Mijnheer heeft geen lust ontvangen, zegt hij? Waarom? (De reden ervan?) Dat weet ik niet. Als mijnheer mij zulke bevelen geeft, volg ik ze is

pëna toean ampon èntar mandi, sëkgëtjë aki kà addë-an.

Toean taq pôron

Kathi

i

is

bielé èpon sè ngatër akià, sossa kaolë. Sossa pënapa? Amarkgâ taq nëmoe kénëngan sè saè sè njabbë-à paddina toean, sarta mënabi téthë tèkos këlamon abiet bàdë bëngkô paddinà

te bergen,

i

wellicht door

ratten gegeten wanneer die paddi lang in mijn huis is. ik begrijp het reeds, naar mijn mor gevoelen was goed, dat maar eens terugkwaamt. gen

Ja.

Waar gaat

U

heen? heb daar om de noord tabak ge plant en ga die even bezichtigen. Wordt ze mooi? Schikt. Maar in hoeveel dagen heb ben wij geen regen gehad!

’t

Ik

U

Werkelijk, als er geen regen valt, dan slaagt de tabak niet. heeft gelijk. Bovendien zijn en de Europeanen èn de planters er slecht

Ingki. Kakëmaq-à sampéan? Kaolé namën pökô dödjé kadieja èntarrà ningkoe Bäkoes töttinà?

sëkgëtjë.

Sëtëng. Nganning ampon sapënapa arê taq òtjân! Ongkoean. Lamon taq Òtjän maq taq

tôtti pökô. Lërës ‘sampéan. Sarta toeantoean këlamon orèng namën padë kalèr.

aan toe.

de planters

zij

Ja,

à

Î

’t



kaolë. kaolë ampon ngartè, kêra kaolë saè, sampéan bàli pòlè biesaos lakoena.

Ingki,

U

Ja,

i

de



op ze

i

is

zij

paddi

pënapa?

Ampon paddina toean bâdë, ampon laèn aki, töttinà, ming taq onning

Welke zorg. Omdat ik geen goede plaats vind om wordt

ingki,

à



ampon printa sapanèka, nòrò biesaos kaolë. Ampon sossa kaole.

reeds gelegd, dus wanneer ik niet op weet wanneer ik ze brengen zal, heb ik zorg.

mijnheers bovendien

à

U

manggi këlabân sampéan arê mangkèn tjaq èpon. Markgänà'? Taq onning kaolë. Toean këlamon

is

slechts op. Dan ben ik vrij ongerust. Wat er? De paddi van mijnheer er,

pëna, dji!

èntarrè



Ja.

kgi sarèn.

taq ngêdieng,

zijn ongelukkig wijl de koo

geen geld ontvangen, ‚pers omdat hunne schuren gevuld worden.

niet

Ingki,



namën

kalèr,

taq nampa amark‘

pêssè sakalè, sè mëlè kalèr gâ

goedangà

tadë êssê.

199

‘En zoo is ’t nu reeds drie tabaks oogsten, geen wonder dat de kleine man moeite heeft zijn landrente te betalen. Ik hoorde dat ’t gisteren om de noord geregend heeft. Ja, om de noord. Eergisteren heeft ’t om de zuidwest ook geregend. Ons geluk is die zuidwesten-wind, als die niet ophoudt, geloof ik dat de regen hier vooreerst niet zal vallen.

Drie dagen geleden ben ik naar de stad geweest; reeds de post Pas

nan genaderd, werd ik door regen overvallen, brr! ik was door en door nat. Ik was zoo verkleumd dat ik klappertandde. Gisteren

kwam ik thuis, men zeide dat ’t in ’t geheel niet geregend had, alleen gowaaid. Ja, me heb ik ’t ook gehoord. Daar enboven is er op Tjeroekan een windhoos geweest, die de pannen van mijnheer N. N.’s huis ver weggesmeten heeft. Is ’t wezenlijk?

Ja,

maar daar zijn geen verdere onge’ lukken, slechts eenige dakpannen stuk. Nu, ik ga om de noord, ja? Ja, ik hoop dat uw tabak spoedig regen krijge!

Marè èpon ampon tëlô pökô sapa nèka, pënapanà orèng kènè padë

madjàr patjëkà.

sossa

Bërtanà

i dödjë

ampon

Ingki ming I dödjë.

òtjân bäri.

I barrë-lao ingki

Òtjän kadoeâmalëmënà. Kalêrà kadientoq angèn bârre lao inggroea, ming taq amboe, kêra kaolë abiet kökgörà òtjàn kàin toq.

Katëlômalëmënà kaolë tôron kà kotta, ampon para i pos Pasman kaolë tjapoq Òtjân, pjè, pjè! am pon lôkos sëdödjë. Kaolë katjë lëpën kangsè ngittik langkëm. Bàri kaolë dötëng i bèngkô, tjaq èpon tadë òtjàn sakalè tjôma angèn biesaos.

Ingki, kaolë ingki ngêdieng sapanèka sarta i Tjëroekàn bàdë kaling boesboes, gëntèngà bëngkônà toean Anô i ontal aki i tjâonà. Ongkoe?

Ingki. Nganning tadë tjëlakanà pòlè, gëntèngà biesaos rossak sakonnè.

Ampon, kaolë dë dödjë, ingki? Ingki, mokgà-à lëkas këningà òtjàn pökônà

sampéan. |

Zijn die trekbeesten

uw eigendom?

Ja.

Kagoengân

sampéan sappê panèka?

Ingki.

is de koopprijs? ik gekocht voor f 100, het andere voor slechts f 80. Uw beesten zijn zeer mooi. Ja, en wat hun kracht aangaat zijn ze Hoeveel

Het

eene heb

enorm

sterk.

En even groote en mooie beesten, is de prijs dan ver waarom schillend?

Sapënapa kablienà? Ming sètongà i mëlè sêkët réaal, sê bânè péraq ëmpaq pôlô. Tjè bâkoesà sappênà sampéan. Ingki sarta mong këlarrëna tjè këlar rà sakalè. Marè èpon sappê pade radje, pade bàkoes, pënapa bànêan atjienà?

200

Omdat ik het

verkreeg van iemand, dle geen haast had dit beest te verkoopen, bovendien ik er van— naar, verlangde erg daar dat het zoo duur is. Het andere? Het andere was vroeger van Pa Anô, hij had veel schuld aan mij en niets om te betalen, dus voldeed hij zijn schuld met dat eene beest.

U is werkelijk Ja.

eene

gelukkig.

de bulten, de hoeven, -allen zijn even mooi. Bovendien stooten ze niet. Als ze ge weid worden, brengen mijn kin ders ze naar de sawah en ze zijn nog nooit kwaadaardig geweest. Gesteld U verkocht ze, hoeveel zou U dan verlangen? ik deze Genoeg vriend! zoolang

De horens,

beesten

|

Amarkgâ sètongà ôlè

kantja sè taq këphoeroe tjoeàll’à sappê panèka, sarta kaolë tjè tërônà sakalè, am pon tötti

larang

i

sapanèka.

Sètongà? Sètongà kagoengân Paq Anô lambà, Ôtang ka kaolë banjaq, ampon tadë sè njêraq-à, tötti njêraq Ôtangà kêlabân sappê sètongà

kadientoq. Ampon slamat ongkoean sampéan. ‚ Ingki. kôkottà, Tandoeq-ën, koelkoelannà, padë bâkoes

sëdödjë.

Sarta taq onning njôtoek. Këlamon i ngôan, anaq kaolë sè atër aki kà sabbâ, taq onning nakkal sakalè;

Tjätjâl

i tjoeàl, sampéan

montoet

sapënapa?

Ampon kaq! kèlamon kaolë kgi kèlar ngôboe sappê panèka taq kêra i

kan, nog onderhouden geloof ik niet dat ik ze verkoo pen zal. Ja dan is ’t uit. Ik ga naar huis, ja? Kom even binnen. Mijn huis is al

Ingki ampon. Kaolë pléman, ingki? Tôrè longkoe thiemèn, bëngkô kaole

dichtbij. Dankje, op

Ampon, laènlaèn arê biesaos.

eens.

tjoeàllà.

ampon een

anderen

dag maar



para.

_

o .Y

’e°.'

“1" ‚/r‘

"

\

‘\Y

\ l “